Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8616

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
200.128.797
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:4658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. In scene gezette aanrijding. Verzekeraar heeft onverschuldigd uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.797

(zaaknummer rechtbank Utrecht 305026)

arrest van de eerste kamer van 11 november 2014

inzake

de naamloze vennootschap Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellante,

advocaat: mr. P.P.H. Lems,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.W. van Tol.

Partijen zullen hierna Aegon en [geïntimeerde] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het tussenarrest in deze zaak van 10 juni 2014. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte van Aegon, met een productie;

  • -

    de antwoordakte na tussenarrest van [geïntimeerde].

1.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof Aegon in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door [geïntimeerde] bij conclusie na contra-enquête geuite bezwaren tegen de in de deskundigenrapportage van 7 januari 2012 gehanteerde uitgangspunten. Het ging daarbij meer in het bijzonder om de stellingen van [geïntimeerde] dat:

  1. de [straatnaam] niet in het verlengde ligt van de [straatnaam] en dat dit betekent dat [persoon 1] naar links heeft moeten insturen en daarom moet worden uitgegaan van een hoek van 90˚;

  2. gelet op de verklaring van [getuige 1] als getuige het argument in het rapport ten aanzien van de contravorming van de schade aan de rechterzijde van de BMW geen stand houdt;

  3. het rapport ten onrechte geen rekening houdt met de verklaring van [persoon 1] dat de Ford al grote schade had vóór de botsing;

  4. het rapport is uitgegaan van een verkeerde snelheid van de Ford nu [persoon 1] heeft verklaard dat hij misschien wel 75 km/u reed (in ieder geval harder dan 50 km/u);

  5. het rapport geen rekening heeft gehouden met de verklaring van [persoon 1] dat de voorbumper zat vastgeschroefd.

2.2

Bij aanvullend rapport van 18 juni 2014 (productie 3 bij akte zijdens Aegon) heeft de deskundige over deze punten gerapporteerd. Samengevat komen zijn bevindingen en conclusies erop neer dat:

  1. de [straatnaam] wel in het verlengde ligt van de [straatnaam] en dat het onjuist is om uit te gaan van een hoek van 90˚;

  2. uit de situatie van de schade aanmelding volgt dat de linker voorzijde van de Ford meer deformatie had moeten tonen dan de rechter voorzijde, terwijl dat nu juist andersom is;

  3. de schade aan de voorzijde van de Ford in de beoordeling van de botsing met de BWM is betrokken en dat de schade aan de Ford niet in verhouding is tot die van de BMW; van het met de verklaring van [persoon 1] geen rekening houden is geen sprake;

  4. zowel indien wordt uitgegaan van een snelheid van 50 km/u als van een snelheid van 75 km/u van de Ford het schadebeeld niet kloppend is;

  5. de meeste voorbumpers vastgeschroefd zitten en dat een extra schroef bij een botsing geen verschil maakt.

2.3

Het hof acht deze weerlegging door de deskundige van de door [geïntimeerde] geuite bezwaren tegen het eerdere rapport overtuigend. Gelet op de op zichzelf niet betwiste door de deskundige in zijn aanvullend rapport van 18 juni 2014 opgenomen luchtfoto en daarop door de deskundige ingetekende rijrichting valt niet in te zien waarom het voor [persoon 1] nodig was om reeds bij het oprijden van de kruising zodanig naar links te sturen dat daardoor de botsing tussen de Ford en de BMW in een haakse hoek kon plaatsvinden. De [straatnaam] ligt, zoals de deskundige ook concludeert, wel degelijk in het verlengde van de [straatnaam] en er is slechts een flauwe beweging naar links nodig op het moment dat men de kruising al (rechtdoor) heeft overgestoken en men zich aan het begin van de [straatnaam] bevindt. De aanrijding zou zich evenwel juist aan de zijde van de [straatnaam] hebben afgespeeld. Tegenover de bevindingen van de deskundige dat de contravorming van de schade aan de BMW niet klopt, heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld om tot een andere conclusie te kunnen komen. Dat geldt ook voor de bevindingen van de deskundige dat er aan de Ford geen schade is aangetroffen die past bij de botsstelling in de gegeven situatie en dat de breedte van de schade aan de BWM niet klopt, namelijk breder is dan verwacht zou mogen worden in relatie tot de breedte van de Ford. Aan deze bevindingen kan de omstandigheid dat de Ford al schade zou hebben gehad niet afdoen. Dat zou wellicht kunnen verklaren waarom de Ford een ander schadebeeld vertoont dan louter bij het in geding zijnde ongeval zou hebben kunnen optreden, maar dat verklaart nog niet waarom het schadebeeld aan de BMW niet past bij de breedte van de Ford en waarom de contravorming van de schade niet past bij de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte na tussenarrest gesteld dat het ook zou kunnen zijn dat [persoon 1] 61 km/u of 65 km/u reed. Ook dat kan niet afdoen aan de conclusie van de deskundige dat ook bij hogere snelheden van de Ford (naar het hof begrijpt: tussen de 50 km/u en 75 km/u, zoals [geïntimeerde] eerder stelde) het schadebeeld niet kan kloppen. Voorts heeft [geïntimeerde] tegenover het rapport van de deskundige onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de omstandigheid dat de voorbumper met meerdere (extra) schroeven zou zijn vastgezet het schadebeeld in relevante mate heeft beïnvloed.

2.4

Al met al acht het hof, gelet op de getuigenverklaring van de deskundige [getuige 1] (in eerste aanleg) en de bevindingen van de deskundigen zoals weergegeven in de rapportages van CED Forensic van 28 mei 2009, 17 juli 2009, 10 september 2009, 21 oktober 2009, 9 februari 2010, 7 januari 2012 en 18 juni 2014, de conclusies zoals weergegeven in de twee laatstgenoemde rapportages - in onderling verband bezien – overtuigend. Het hof heeft geen reden om aan de expertise van de deskundige te twijfelen. Het hof neemt die conclusies dan ook over. Daarmee is in voldoende mate bewezen dat het schadebeeld niet kan kloppen met de door [geïntimeerde] geschetste toedracht van het ongeval en daarmee is met een voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat het ongeval in scene is gezet en dat [geïntimeerde] niet zijn volle en waarachtige medewerking heeft gegeven aan de schadeafwikkeling. De in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [persoon 1] wegen daar onvoldoende tegenop en ook overigens is er geen tegenbewijs geleverd dat het door Aegon geleverde bewijs in voldoende mate ontzenuwt. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen (nader) tegenbewijs aangeboden.

2.5

Met het voorgaande staat vast dat [geïntimeerde] is tekort geschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomst met Aegon (meer in het bijzonder artikel 3 van de polisvoorwaarden). Hij heeft aan Aegon opzettelijk onjuiste informatie over het ontstaan van de schade gegeven. Daardoor had hij geen recht op dekking onder de polis en heeft Aegon hem onverschuldigd betaald.

2.6

De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking meer. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Aegon - waarvan de hoogte, waaronder begrepen een vergoeding voor de gemaakte deskundigenkosten, verder niet is betwist - zal alsnog worden toegewezen. Ook de wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen zoals (in hoger beroep) gevorderd.

2.7

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. De kosten aan de zijde van Aegon voor de eerste aanleg worden begroot op:

- griffierecht € 1.181,-

- explootkosten € 82,19

- getuigentaxe € 525,-

- salaris advocaat € 1.808,- (4 punten x tarief II)

en voor het hoger beroep op:

  • -

    griffierecht € 1.862,-

  • -

    explootkosten € 94,79

  • -

    salaris advocaat € 1.341,- (1,5 punt x tarief II).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht van 14 december 2011 en 28 november 2012 en opnieuw recht doende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Aegon te betalen een bedrag van € 15.887,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2011;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden eindvonnis aan de zijde van Aegon wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.788,19 voor verschotten en op € 1.808,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.956,79 voor verschotten en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, L.M. Croes en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.