Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8612

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.109.586
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoger beroep;

schadevordering jegens hypotheekadviseur; financiële dienstverlening; schending zorgplicht; klant- en risicoanalyse; stelplicht en bewijslast van vermogen van cliënt; overfinanciering; beleggingshypotheek; geen verzuim klachtplicht; geen verjaring; geen eigen schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.109.586

(zaaknummer rechtbank Arnhem 210982)

arrest van de eerste kamer van 11 november 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. M.C.J. Peters,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.H.N. van Spanje.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 april 2011 (comparitievonnis), 21 september 2011 (verder: het tussenvonnis) en 4 april 2012 (verder: het eindvonnis) die de rechtbank Arnhem heeft gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als een der gedaagden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 juli 2012,

- het anticipatie-exploot,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel met een productie,

- de akte in principaal appel tevens memorie van antwoord in incidenteel appel met producties,

- de antwoordakte in principaal appel.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

In verband met haar echtscheiding in 2006 en haar wens om met haar beide kinderen in de aan haar toe te delen echtelijke woning te blijven wonen, heeft [appellante] , die eerder (parttime) in loondienst had gewerkt bij een reisbureau, zich over de mogelijkheden van een hypothecaire financiering van de voormalige echtelijke woning laten adviseren door ( [naam] van) [geïntimeerde] , die als financiële planner bedrijfsmatig bemiddelde bij de totstandkoming van onder meer financieringen en hypotheken. De bestaande hypothecaire geldlening van € 249.423,31 moest worden afgelost en [appellante] moest aan haar (ex-) echtgenoot [ex-echtgenoot] wegens overbedeling uiteindelijk € 180.000 uitkeren. Verder zou [appellante] de assurantieportefeuille van haar (ex-) echtgenoot [ex-echtgenoot] overnemen, waarvoor zij in januari 2006 haar assurantie diploma B-opleiding (een basisopleiding voor verzekeringen) had behaald.

3.2

[ex-echtgenoot] heeft op 7 januari 2006 aan [geïntimeerde] een opgave van BAVAM (productie 3 bij conclusie van antwoord) verstrekt waaruit bleek dat voor de assurantieportefeuille over 2005 een provisie/courtage was ontvangen van € 31.950,86 exclusief btw.

3.3

Op 20 maart 2006 heeft [geïntimeerde] een financieringsopzet gemaakt (productie 2 bij de inleidende dagvaarding) voor een hypothecaire geldlening van in ieder geval € 350.000. Daarin werd uitgegaan van een eigen vermogen van € 100.000.

3.4

Per faxbericht van 21 maart 2006 (productie 13A bij inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] aan BLG Hypotheken een door [geïntimeerde] ingevuld aanvraagformulier hypothecaire geldlening inclusief financiële overzichten ingezonden en een offerte gevraagd op basis van de onderstaande gegevens:

“Mevrouw [appellante] is in scheiding (…)

Twee kinderen, waarvoor per kind netto € 225,- alimentatie wordt ontvangen.

Inkomen;

1. als adviseuse reisbureau Arke (…) € 8.841,-

2. eigen assurantieportefeuille waaruit jaarlijks ca. € 32.000,- winst volgt. Dit betreft voornamelijk doorlopende provisie uit schadeverzekeringen.

(…)

De in de woning aanwezige souterrain wordt verhuurd aan een zus welke een gedeelte als opslag gaat gebruiken. Huur hiervan wordt € 750,- per maand.

Ouders van mevrouw schenken elk jaar de maximale benutte schenking en zijn vermogend. Ze ontvangt van ouders € 100.000,- om blijven wonen mogelijk te maken.

Gevraagde lening € 450.000,-, 10 jaar vast 4,7%

Belegging bij [bedrijfsnaam] Vermogensbeheer ad € 100.000,- met opname op basis van 6% rendement.”

3.5

Op 28 maart 2006 heeft [geïntimeerde] een inkomens- en maximale hypotheekberekening gemaakt (productie 13B bij inleidende dagvaarding). Daartoe ging zij uit van een jaarlijks vast inkomen van € 8.841 uit loondienst bij Arke en van € 32.000 wegens winst uit de assurantieportefeuille alsmede € 7.200 wegens verdere inkomsten (kennelijk wegens de vijfjarige verhuur van het souterrain aan Parfumerie Aphrodite B.V. voor € 750 per maand), hetgeen zij heeft opgeteld tot een totaal inkomen van € 48.041.

3.6

Op of omstreeks 3 april 2006 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] twee aflossingsvrije, 10 jaar rentevaste hypotheken voorgehouden (zie de producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding), een eerste optie van € 350.000 met een netto maandlast van € 932 na een fiscaal voordeel van 29% en een tweede optie van € 450.000, waarbij een extra bedrag van € 100.000 in een aan BLG Hypotheken te verpanden depot zou worden belegd via [bedrijfsnaam] onder “opname op basis van 6% nettorendement”, dit met een netto maandlast van € 758 na een fiscaal voordeel van 32,5%. Daarbij werd telkens uitgegaan van een eigen vermogen van € 100.000. [appellante] heeft een en ander besproken met ( [naam] van) [geïntimeerde] en met ( [naam] van) [bedrijfsnaam] , welke laatste haar een overzicht van de rendementen van 2003 tot en met 2005 heeft overhandigd (productie 5 bij inleidende dagvaarding).

3.7

In mei 2006 heeft [geïntimeerde] de jaarrekeningen van [appellante] ontvangen. Daaruit bleek dat het inkomen uit onderneming lager was dan het eerder opgegeven bedrag.

3.8

Volgens een intern memo van BLG Hypotheken (productie 13C bij inleidende dagvaarding) ging zij op 2 mei 2006 akkoord met de wens van de klant om het hypotheekbedrag van € 450.000 te verlagen naar € 350.000 en tegelijkertijd de te verpanden belegging voor onttrekking van € 100.000 te laten vervallen.

3.9

Op 8 mei 2006 heeft ( [naam] van) [geïntimeerde] [appellante] uitgelegd wat de maandlasten waren bij de verschillende opties. Er is gekozen voor de tweede optie, waarmee [geïntimeerde] aan het werk is gegaan. Per e-mail van 9 mei 2006 (zie productie 6 bij akte van 22 februari 2012) heeft [geïntimeerde] aan BLG Hypotheken bericht dat [appellante] toch had gekozen om van de eerste offerte van 28 maart 2006 gebruik te maken voor een nieuw hypotheekbedrag van € 450.000. Op 9 mei 2006 is bij BLG Hypotheken genoteerd (zie de voorgaande productie) dat de hypothecaire geldlening op verzoek van de klant toch weer € 450.000 moest zijn.

3.10

Op 10 mei 2006 heeft [appellante] bij een bespreking met ( [naam] van) [geïntimeerde] en ( [naam] van) [bedrijfsnaam] een van deze laatste afkomstig formulier “Bepaling beleggersprofiel particuliere relatie” ingevuld en ondertekend (productie 7 bij akte van 22 februari 2012).

3.11

Op 16 juni 2006 heeft [appellante] met haar (ex-) echtgenoot [ex-echtgenoot] een verdelingsovereenkomst gesloten waarbij werd overeengekomen dat de woning aan [appellante] zou worden toebedeeld.

3.12

In de zomer van 2006 zijn de jaarrekeningen met betrekking tot de assurantieportefeuille over de jaren 2002 tot en met 2004 (producties 13K bij inleidende dagvaarding) aan [geïntimeerde] verstrekt, die deze heeft doorgezonden aan BLG Hypotheken.

3.13

Volgens een interne notitie van BLG Hypotheken van 11 september 2006 (productie 13F bij inleidende dagvaarding) bedroeg het inkomen voor toetsing € 19.519 (in plaats van het door [geïntimeerde] opgegeven bedrag van € 32.000). De notitie vervolgt:

“negatief eigen vermogen is een vrij klein bedrag, TP (tussenpersoon, hof) heeft zich vergist in de cijfers, om toch tegemoet te komen aan de wensen van klant en TP extra eigen vermogen verpand”.

Toen heeft [appellante] er in overleg met [geïntimeerde] voor gekozen dat zij bovenop het bedrag van € 100.000 nog eens € 50.000 extra in het beleggingsdepot zou storten, hetgeen [geïntimeerde] per e-mail van 11 september 2006 heeft bericht aan BLG Hypotheken (productie 13E bij inleidende dagvaarding).

3.14

[appellante] heeft de hiertoe strekkende (inmiddels vierde) hypotheekofferte van BLG Hypotheken van 10 oktober 2006 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) door tussenkomst van [geïntimeerde] ondertekend. De offerte bepaalt onder meer:

“In de hypotheekakte dient een beleggingsrekening aan BLG Hypotheken te worden verpand met een eerste inleg ad € 150.000.

Hieruit kan jaarlijks achteraf € 10.890 worden onttrokken.”

3.15

Hiervoor heeft [appellante] € 120.000 van haar ouders ontvangen (volgens [appellante] op basis van de als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde geldleningsovereenkomst d.d. 15 september 2006, met ingang van 1 januari 2007 maandelijks af te lossen in 120 gelijke termijnen en daarover rente te betalen van 3,45% per jaar, volgens [geïntimeerde] daarentegen als schenking). Verder heeft [appellante] nog € 30.000 uit eigen middelen ingebracht.

3.16

Per e-mail van 7 november 2006 om 10:17 uur (productie 10C bij inleidende dagvaarding), drie dagen voordat de hypotheekakte volgens de planning op 10 november 2006 zou worden gepasseerd, heeft [geïntimeerde] [appellante] het volgende bericht:

“Bij het nakijken van je dossier met betrekking tot maximale aftrek is de onderstaande situatie van kracht. (…)
In aanvang was het inkomen vastgesteld op € 30.000 inkomsten uit ass port (assurantieportefeuille, hof) en € 10.000 bij Arke.

Of het werkelijke inkomen voldoende toereikend is om de aftrek te benutten is niet meer gecheckt.”

3.17

Bij notariële akten van 10 november 2006 is de voormalige echtelijke woning met de daarop rustende hypothecaire geldlening aan [appellante] toebedeeld, heeft [appellante] € 180.000 wegens overbedeling aan haar vroegere echtgenoot [ex-echtgenoot] voldaan en is de nieuwe hypotheek van BLG Hypotheken gevestigd (zie voor de akte van toedeling productie A bij memorie van antwoord in principaal appel en voor de notariële afrekening productie 7 bij inleidende dagvaarding). Toen is tevens een provisie aan [geïntimeerde] betaald van € 4.500 (1% van de hypotheeksom).

3.18

Nadat haar accountant Mom de aangifte en de jaarrekening, kennelijk over 2006, in 2007 had gecontroleerd, heeft deze aan [appellante] gezegd dat zij deze hypothecaire geldlening nooit zo had moeten afsluiten op basis van de toen al beschikbare gegevens in de jaarrekeningen en de aangiften inkomstenbelasting. Per e-mail van 2 november 2007 heeft [appellante] [geïntimeerde] daarop voor het eerst aangesproken, waarna meer correspondentie over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is gevolgd (zie producties 11 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van 17 april 2009 heeft (ARAG Rechtsbijstand namens) [appellante] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld (productie 12A bij inleidende dagvaarding).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Volgens [appellante] is [geïntimeerde] haar zorgplicht jegens [appellante] niet nagekomen doordat [geïntimeerde] :

1. van onjuiste financiële gegevens is uitgegaan, zodat de inschatting en berekening door [geïntimeerde] van de financieringsrente en de (netto) maandlasten nooit geklopt hebben;

2. ook overigens de financiële situatie en het klant-/risicoprofiel niet goed in kaart heeft gebracht en daarmee het “ken-uw-klant-beginsel” heeft geschonden;

3. een niet bij de financiële situatie van [appellante] en bij haar risicoprofiel passend product heeft geadviseerd, namelijk een te hoge hypothecaire geldlening, waarbij belegd werd met geleend geld teneinde de hypotheeklasten te drukken;

4. [appellante] ten onrechte onvoldoende heeft gewezen op de risico’s die aan de gekozen constructie kleefden en ten onrechte niet een minder risicovol alternatief heeft geadviseerd;

5. [appellante] op het verkeerde been heeft gezet wat betreft de (on-)mogelijkheden om een lagere en minder risicovolle hypotheekconstructie te verkrijgen.

Op grond van deze tekortkomingen althans dit onrechtmatig handelen heeft [appellante] een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellante] met betrekking tot haar hypothecaire geldlening lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat, met rente alsmede buitengerechtelijke en proceskosten. Bij vermeerdering van eis heeft zij tevens veroordeling gevorderd tot betaling van € 1.002,58 wegens expertisekosten.

[geïntimeerde] heeft dit een en ander alsmede de gestelde schadeposten gemotiveerd betwist en zich voorts beroepen op verjaring, rechtsverwerking volgens artikel 6:89 BW en eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.

4.2

Na een comparitie heeft de rechtbank bij het tussenvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] , voor zover zij een fout heeft gemaakt bij de verwerking van de inkomensgegevens van [appellante] , in ieder geval bij het e-mailbericht van 7 november 2006 aan [appellante] heeft geprobeerd een dergelijke fout te herstellen voordat de hypotheekakte werd verleden, zodat van [appellante] mocht worden verwacht dat zij maatregelen nam om alsnog tot de andere hypothecaire geldlening (van € 350.000 zonder beleggingsconstructie) te komen. Voorts heeft de rechtbank [appellante] de gelegenheid geboden bij akte te reageren op de kwesties van de alimentatie, een bedrag van € 2.760 dat in de berekening voorkwam en de schade en ten slotte [appellante] te bewijzen opgedragen dat [geïntimeerde] haar eens of meerdere malen, in strijd met de waarheid heeft meegedeeld dat BLG Hypotheken uitsluitend de hypothecaire lening van € 450.000 met beleggingsconstructie en niet de hypothecaire lening van € 350.000 accepteerde, hoewel [geïntimeerde] op de hoogte was van de voorkeur van [appellante] voor laatstgenoemde hypothecaire geldlening.

Na aktewisseling, getuigenverhoren en conclusiewisseling heeft de rechtbank bij het eindvonnis het bewijs niet geleverd geoordeeld, de standpunten van [appellante] met betrekking tot de alimentatie en het bedrag van € 2.760 verworpen en ten slotte geoordeeld dat [appellante] te laat heeft geklaagd nadat in de e-mail van 7 november 2006 de fout van [geïntimeerde] was gebleken. De rechtbank heeft het gevorderde afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.3

De hiertegen gerichte grieven leggen het geschil in het principaal hoger beroep in volle omvang aan het hof voor. De enige grief in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de e-mail van 7 november 2006 ondubbelzinnig duidelijk was dat hier sprake was van een fout.

4.4

Bij zijn beoordeling van het hoger beroep stelt het hof het volgende voorop.

Het gaat hier om een consument die [geïntimeerde] als financieel dienstverlener heeft benaderd voor een op haar specifieke situatie toegesneden advies, meer in het bijzonder een advies betreffende de hypothecaire financiering van de aan haar toe te delen voormalige echtelijke woning. Daarbij heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een aflossingsvrije hypothecaire lening geadviseerd waarbij een extra bedrag van (uiteindelijk) € 150.000 in een te verpanden depot zou worden belegd via een vermogensbeheerder met jaaropname op basis van 6% netto rendement.

In een zodanige situatie rust op de dienstverlener een bijzondere zorgplicht, die onder meer behelst dat deze naar behoren onderzoek doet naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat deze de cliënt dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan een voorgenomen of toegepaste financiële constructie zijn verbonden, alsook voor het feit dat een door de cliënt beoogde of toegepaste financiële constructie niet past bij diens financiële mogelijkheden of doelstellingen, diens risicobereidheid of diens deskundigheid. Deze plicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. De dienstverlener heeft hierbij te gelden als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, terwijl bij de cliënt doorgaans een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreken. Dit brengt mee dat de cliënt in beginsel ervan mag uitgaan dat de dienstverlener die zorgplicht jegens hem/haar naleeft (vergelijk HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, onder 4.3.1 en 4.3.2). Hieruit volgt dat de cliënt bij een door die dienstverlener geadviseerde financiële constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging behoeft te verdiepen in niet vermelde risico’s (vergelijk HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725).

4.5

Naar [geïntimeerde] niet gemotiveerd heeft betwist en daarom vaststaat, heeft zij bij de aanvang van haar financiële dienstverlening al niet op de voet van het destijds geldende artikel 32 van de Wet financiële dienstverlening een klant- en risicoanalyse opgesteld. Als gevolg daarvan heeft [geïntimeerde] de financiële mogelijkheden van [appellante] niet voldoende zorgvuldig in kaart gebracht. Had zij dit wel gedaan, dan zou haar veel eerder dan omstreeks 11 september 2006 zijn gebleken dat het inkomen voor toetsing volgens BLG Hypotheken in plaats van € 32.000 slechts € 19.519 bedroeg en dat zij ook verder van verkeerde inkomens- en vermogensgegevens was uitgegaan. De winst voor belasting uit de assurantieportefeuille bedroeg namelijk niet € 32.000 maar blijkens de jaarrekeningen (producties 13K bij de inleidende dagvaarding) € 20.156 in 2001, € 21.535 in 2002, € 18.427 in 2003 en € 18.579 in 2004.

Daarbij kwam dat de huurinkomsten voor het souterrain weliswaar € 9.000 bedroegen, maar dat de huur slechts tijdelijk was (van 1 juli 2006 tot 1 juli 2011). Voordeel van deze huurovereenkomsten is dat zij niet fiscaal belast zijn, maar dit heeft als tegenhanger dat zij geen fiscale aftrek opleveren.

4.6

Bovendien zou [geïntimeerde] dan in overleg met [appellante] hebben onderzocht en conform haar verplichting hebben geverifieerd of en op welke titel [appellante] van haar, vermogende, ouders een eigen vermogen van € 100.000, later verhoogd met € 20.000, zou verkrijgen. Daarbij had [geïntimeerde] destijds al op transparante wijze en schriftelijk moeten vastleggen of een dergelijk eigen vermogen aan [appellante] ter beschikking zou komen op basis van schenking, zoals [geïntimeerde] nu aanvoert, dan wel van geldlening, zoals [appellante] nu aanvoert, dit alles om de later ontstane discussie over de titel van terbeschikkingstelling te vermijden. Ook in dit opzicht is [geïntimeerde] jegens [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten.

4.7

Toen vervolgens omstreeks 11 september 2006 bleek dat het (ondernemings-)inkomen voor toetsing volgens BLG Hypotheken in plaats van € 32.000 slechts € 19.519 bedroeg en dat zij van verkeerde inkomens- en vermogensgegevens was uitgegaan, ontstond voor [geïntimeerde] opnieuw de verplichting om op basis van deze actuele cijfers een risicoanalyse op te stellen, hetgeen zij echter heeft nagelaten. In plaats daarvan heeft [geïntimeerde] , aldus haar verklaring ter comparitie, “omdat de € 30.000 geen nettowinst bleek”, de e-mail van 7 november 2006 aan [appellante] gestuurd, waarin werd vermeld dat het inkomen in aanvang was vastgesteld op € 30.000 inkomsten uit de assurantieportefeuille, maar dat niet meer was gecheckt of het werkelijke inkomen, inclusief Arke van € 10.000, voldoende toereikend was om de aftrek te benutten. Terecht voert [geïntimeerde] in dit verband aan dat uit deze e-mail niet ondubbelzinnig duidelijk was dat sprake was van een fout van haar kant. In zoverre slaagt haar enige grief in het incidenteel appel.

In feite komt deze e-mail neer op de verklaring van [geïntimeerde] dat zij naar aanleiding van het werkelijke inkomen geen nieuwe risicoanalyse had opgesteld, hetgeen in strijd is met haar bijzondere zorgplicht. Ook al zal deze e-mail bij [appellante] , die net haar assurantie diploma B-opleiding basisdiploma had behaald, zorg hebben opgeroepen, dan betekent dit nog niet dat zij daaruit kon of redelijkerwijze moest begrijpen dat de maximale aftrek niet kon worden bereikt en dat aldus een mogelijkheid bestond van overfinanciering. Het was niet de taak van [appellante] om het traject dat volgens planning drie dagen later bij de notaris zou worden voltooid, af te breken of te onderbreken. Op dat moment behoorde het tot de taak van de op dit gebied ervaren en professioneel te achten en mede daarom ingeschakelde financiële dienstverlener om opschorting van de ondertekening van de akten te adviseren ten einde eerst een nieuwe en juiste risicoanalyse op te stellen. Dat heeft [geïntimeerde] echter nagelaten.

4.8

Partijen zijn in (de aanloop naar) deze procedure verder verdeeld gebleken over het antwoord op de vraag of de ouders van [appellante] haar (naast haar eigen geld van € 30.000) een eigen kapitaal van € 100.000, later verhoogd met € 20.000, ter beschikking hebben gesteld op basis van geldlening, zoals [appellante] aanvoert, dan wel schenking, waarop [geïntimeerde] zich beroept. In het eerste geval was [appellante] , naar zij met een beroep op de akte van de geldleningsovereenkomst aanvoert, met ingang van 1 januari 2007 aan haar ouders maandelijks een aflossing van € 1.000 en een vanaf € 345 lineair dalende rente verschuldigd, waarmee dan rekening zou moeten worden gehouden.

Zoals reeds hiervoor geoordeeld, bracht de bijzondere zorgplicht van [geïntimeerde] met zich dat zij [appellante] rekenschap gaf van de aanwezigheid van inkomsten en vermogen. Uit de eerste berekening van 20 maart 2006 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding) blijkt reeds dat [geïntimeerde] uitging van een bestaand eigen vermogen van € 100.000. De verklaring van [appellante] in het formulier Bepaling beleggersprofiel particuliere relatie van [bedrijfsnaam] (productie 7 bij akte van 22 februari 2012) dat de herkomst van de gelden “erfenis/schenking” was, is niet betrokken op een vermogen van € 100.000 of € 120.000 en daarom te vaag om aan te nemen als een zodanige verklaring van [appellante] . Ingevolge de bijzondere zorgplicht was [geïntimeerde] dan ook gehouden om bij [appellante] als cliënte navraag te doen naar de titel van deze vermogensverkrijging van haar ouders en een en ander te verifiëren. Zonder duidelijkheid hierover en verificatie mocht [geïntimeerde] niet (zonder meer) uitgaan van een schenking van eigen vermogen van € 100.000 of € 120.000. Anders zou moeten worden geoordeeld indien Riksen & [naam] , op wie vanwege haar bijstand als financieel dienstverlener stelplicht en bewijslast rust, ter zake bewijs aanbiedt en levert van haar stelling dat [appellante] het bedrag van € 100.000, later verhoogd met € 20.000, verkreeg bij wege van schenking, maar dat bewijs heeft zij niet voldoende concreet aangeboden, zodat er van moet worden uitgegaan dat [appellante] het bedrag heeft geleend zoals vermeld in rov. 3.15.

4.9

[geïntimeerde] heeft bovendien tevens de inleg geadviseerd van € 150.000 welk bedrag in een te verpanden depot zou worden belegd via een vermogensbeheerder met jaaropname op basis van 6% netto rendement. Dit zou dan € 10.890 per jaar moeten opleveren. Het gaat echter slechts om een verondersteld rendement van 6% en dat nog wel uit een depot van € 150.000, dat voor € 120.000 was gefinancierd met geleend geld.

4.10

Ter berekening in het kader van de Wet financiële dienstverlening van de maximale hypothecaire lening in 2006 heeft [appellante] een rapport overgelegd van [rapporteur] , vennoot van Sibbing & Wateler en partners, van 21 november 2012 (productie 2 bij memorie van grieven). Daarin bepaalt hij de maximale hypothecaire geldlening, samengevat als volgt:

toetsinkomen:

winst uit assurantieportefeuille € 18.427

inkomen uit loondienst Arke € 9.425

inkomen uit tijdelijke verhuur € 9.000

totaal € 36.852.

woonquote 34%.

Hij vervolgt:

“Wanneer er rekening wordt gehouden met een belegd vermogen van € 150.000,- en een daaruit jaarlijks op te nemen bedrag van € 7.260,-, bedraagt de maximale hypotheek € 430.217,- (34% van € 36.852,- + € 7.260,- = € 19.790,- / 0,046). Indien niet rekening wordt gehouden met de inkomsten uit vermogen ad € 7.260,-, zou de maximale hypotheek € 272.391,- (34% van € 36.852,- = € 12.530,- / 0,046) bedragen.”

4.11

In het licht van rov. 4.5 tot en met 4.9 ziet de berekening van de maximale hypothecaire geldlening volgens de methode van het rapport van [rapporteur] er als volgt uit:

- zonder eigen vermogen van € 100.000 of € 120.000: (34% van een jaarinkomen van € 36.852 = € 12.530 / 0,046) is € 272.391;

- met geleend vermogen van € 100.000 of € 120.000: (34% van een jaarinkomen van € 36.852 + rendement van € 10.890 - aflossing van € 12.000 - PM wegens rente = € 11.420 / 0,046) is € 248.261 - rente PM.

[geïntimeerde] heeft hier tegenover weliswaar aangevoerd dat [rapporteur] de in de jaarrekening tevoren reeds in mindering gebrachte ondernemersaftrek van € 9.003 en de MKB-vrijstelling van € 2.001 niet meer in positieve zin in zijn berekening heeft betrokken, maar zij heeft daartoe niet berekend, laat staan gemotiveerd om welke netto voordelen het hierbij gaat, noch een alternatieve berekening gepresenteerd, zodat het hof aan dat onvoldoende uitgewerkte verweer voorbij gaat.

Ten slotte moet hierbij nog worden bedacht dat de huurinkomsten van € 9.000 na vijf jaar onzeker waren. Op grond van dit alles was het op een veel te rooskleurig profiel gebaseerde advies van [geïntimeerde] tot afsluiting van een hypothecaire geldlening van € 450.000 op zichzelf onjuist.

4.12

In een van de gesprekken met ( [naam] ) van [bedrijfsnaam] heeft deze in aanwezigheid van ( [naam] van) [geïntimeerde] aan [appellante] een bladzijde getoond met de netto performance per kwartaal/per beleggingsprofiel (na aftrek van alle kosten) (productie 5 bij de inleidende dagvaarding), waarin over 2003 tot en met 2005 gemiddelde rendementen voorkwamen van 6,25% bij beleggen voor inkomsten tot 15,2% bij offensief beleggen en over 2006 wat lagere rendementen. Daarmee werd echter een te positief beeld geschetst over een veel te korte, niet representatieve, periode van enkele jaren, dit terwijl zowel [naam] als ( [naam] van) [geïntimeerde] in hun branches niet kan zijn ontgaan dat, zoals het rapport van [rapporteur] vermeldt, rond de millenniumwisseling veel consumenten financieel gedupeerd waren omdat er werd belegd met geleend geld, terwijl er meerdere jaren een lager rendement werd behaald dan de veronderstelde 6%. Naar dat rapport terecht vermeldt en [geïntimeerde] niet heeft weersproken, zijn ook adviseurs zich sedert de millenniumwisseling bewust dat dergelijke constructies grote risico’s met zich brengen en dat het van belang is dat consumenten hier nadrukkelijk op worden gewezen. [geïntimeerde] heeft echter in geen enkel stadium een klant-/risicoprofiel opgesteld en [appellante] evenmin gewaarschuwd voor de grote gevaren die uitgaan van de negatieve hefboomwerking van beleggen met geleend geld. Zo heeft zij, hoewel daartoe gehouden, niet aan [appellante] voorgerekend wat de gevolgen zouden zijn van rendementen beneden 6% of zelfs van negatieve rendementen. Sterker, [geïntimeerde] had [appellante] aan de hand van diverse doorgerekende scenario’s voor deze financiële constructie behoren te waarschuwen, hetgeen zij echter niet heeft gedaan. Hieraan kan niet afdoen dat [appellante] is gaan beleggen op het indexplan [bedrijfsnaam] “mosea defensief indexplan”, waarbij voor 50% in vastrentende waarden werd belegd. Ook in dit opzicht is [geïntimeerde] in haar bijzondere zorgplicht tegenover [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten. Een eventuele aansprakelijkheid van [bedrijfsnaam] neemt de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als de ook daartoe bemiddelend tussenpersoon niet weg.

4.13

De vraag rijst dan of [appellante] de toedeling van de echtelijke woning wel anderszins, namelijk zonder beleggingsconstructie, hypothecair had kunnen financieren. Daartoe had zij € 450.000 nodig, waarvoor zij zelf € 30.000 eigen vermogen had en in het beste geval over € 120.000 van haar ouders kon beschikken. Zij had dan dus nog € 300.000 nodig. Zoals onder 4.11 uiteengezet, komt de berekening van het maximale hypotheekbedrag uit op € 222.391 of € 248.261. Ook hiervoor waren haar middelen derhalve ontoereikend. Ook op grond hiervan had [geïntimeerde] haar financiering en toedeling van de voormalige echtelijke woning moeten afraden. Een dergelijk advies zou voor [appellante] , die kennelijk mede in het belang van de kinderen het verblijf in de voormalige echtelijke woning wilde continueren, wellicht niet eenvoudig aanvaardbaar zijn geweest, maar bij voorrekening van de hiervoor vermelde financiële gegevens is aannemelijk dat zij van financiering en toedeling van de woning zou hebben afgezien, hetgeen [appellante] ook heeft aangevoerd.

4.14

[geïntimeerde] heeft nog naar voren gebracht dat [appellante] reeds op 16 juni 2006 een verdelingsovereenkomst met haar ex-echtgenoot [ex-echtgenoot] was aangegaan en derhalve sedertdien niet meer kon terugkomen op haar besluit om de woning af te nemen.

Naar het oordeel van het hof ziet [geïntimeerde] er echter aan voorbij dat [appellante] zich reeds sedert het begin van 2006 door [geïntimeerde] liet adviseren over en oriënteerde op de financiering van de voorgenomen toedeling en dat [geïntimeerde] al was tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht toen [appellante] , door de onjuiste advisering van [geïntimeerde] op het verkeerde been gezet, de verdelingsovereenkomst aanging.

4.15

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op eigen schuld van [appellante] in de zin van artikel 6:101 BW omdat zij verkeerde inkomensgegevens zou hebben verschaft.

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Voor zover [geïntimeerde] doelt op de door [ex-echtgenoot] op 7 januari 2006 aan [geïntimeerde] verstrekte opgave van BAVAM (productie 3 bij conclusie van antwoord) waaruit bleek van ontvangen provisie/courtage over 2005 exclusief btw ten bedrage van € 31.950,86 had [geïntimeerde] zelf redelijkerwijs behoren te begrijpen dat het hier alleen omzet betrof en dat dit als regel niet gelijkgesteld kan worden aan winst/inkomen. Indien zij meende dat de kosten te verwaarlozen of relatief gering waren, zoals zij aanvoert, dan had het op haar weg gelegen om zich daarover tijdig door [appellante] en/of haar ex echtgenoot [ex-echtgenoot] te laten voorlichten en tevens kennis te nemen van de jaarrekeningen. Had zij dit overeenkomstig haar zorgplicht gedaan dan had zij tijdig kunnen ontdekken dat na aftrek van de kosten de winst uit onderneming aanzienlijk lager was. Dit geldt eens temeer nadat [geïntimeerde] kort na 11 september 2006 van BLG Hypotheken had begrepen dat het ondernemingsinkomen voor toetsing € 19.519 bedroeg in plaats van € 32.000. Dat [appellante] zelf beter had moeten weten, overtuigt niet. Daartoe waren haar eerdere beroepsniveau van medewerkster in loondienst bij een reisbureau, haar zojuist behaalde assurantie diploma B-opleiding (een basisopleiding voor verzekeringen) en haar startend ondernemerschap niet zonder meer afdoende. Maar wat belangrijker is: [appellante] mocht er op grond van de bijzondere zorgplicht van [geïntimeerde] op vertrouwen dat deze de voor de financiering benodigde cijfers niet alleen op een rij zette maar ook zou controleren aan de hand van onderliggende documenten. Dit alles wordt niet anders door de e-mail van [geïntimeerde] van 7 november 2006. Daartoe verwijst het hof naar rov. 4.7:

“Ook al zal deze e-mail bij [appellante] , die net haar assurantie diploma B-opleiding basisdiploma had behaald, zorg hebben opgeroepen, dan betekent dit nog niet dat zij daaruit kon of redelijkerwijze moest begrijpen dat de maximale aftrek niet kon worden bereikt en dat aldus een mogelijkheid bestond van overfinanciering. Het was niet de taak van [appellante] om het traject dat volgens planning drie dagen later bij de notaris zou worden voltooid, af te breken of te onderbreken. Op dat moment behoorde het tot de taak van de op dit gebied ervaren en professioneel te achten en mede daarom ingeschakelde financiële dienstverlener om opschorting van de ondertekening van de akten te adviseren ten einde eerst een nieuwe risicoanalyse op te stellen.”

4.16

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op rechtsverwerking als gevolg van artikel 6:89 BW, welk beroep de rechtbank heeft aanvaard. [geïntimeerde] spitst dit toe op enerzijds de overfinanciering en anderzijds de beleggingshypotheek.

4.17

Bij zijn oordeel hierover verwijst het hof naar het, na het eindvonnis gewezen, arrest HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.

“4.2.5 Uitgaande van hetgeen hiervoor in 4.2.2, tweede alinea, is overwogen, brengt het bovenstaande mee dat (zoals al besloten ligt in HR 8 oktober 2010, LJN BM9615, NJ 2010/545, rov. 3.4) bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in art. 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, acht dient te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie.

4.2.6

Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd op de voet van art. 6:89 BW ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in art. 6:89 BW vermeld - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.

(…)

4.3.2 (…)

Het niet naleven van de zorgplicht is (…)niet een tekortkoming (…) die de cliënt zonder meer behoort op te merken. Op de cliënt rust dan ook pas op grond van art. 6:89 BW een onderzoeksplicht met betrekking tot de vraag of (financieel dienstverlener, hof) de zorgplicht jegens hem heeft nageleefd, indien hij van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de (financieel dienstverlener, hof) daarin kan zijn tekortgeschoten.

4.3.3 (…)


4.3.4 Indien de cliënt, eventueel na (deskundig) onderzoek, bekend is geworden met het tekortschieten door de (financieel dienstverlener, hof) in haar zorgplicht, of daarmee redelijkerwijs bekend had moeten zijn, dient hij terzake op de voet van art. 6:89 BW binnen bekwame tijd te protesteren.

Daarbij moet hem een redelijke termijn voor beraad worden gegund. Bij de beoordeling of het beroep van de (financieel dienstverlener, hof) bank op art. 6:89 BW gegrond is, komt voorts groot gewicht toe aan het antwoord op de vraag of de (financieel dienstverlener, hof) bank nadeel lijdt in de hiervoor in 4.2.6 bedoelde zin door het tijdsverloop tussen het moment van ontdekking van de tekortkoming en het moment waarop is geprotesteerd.”

4.18

In haar e-mail van 7 november 2006 vermeldt [geïntimeerde] niet wat de gevolgen zijn van het ontbreken van een check of het werkelijke inkomen voldoende toereikend was om de aftrek te benutten. In feite komt dit slechts neer op een voorbehoud van [geïntimeerde] . Dat zodanig voorbehoud haar niet vrijstond wegens haar bijzondere zorgplicht behoefde [appellante] destijds nog niet te begrijpen. De stelling van [appellante] , welke [geïntimeerde] tegen haar wenst te gebruiken, houdt niet meer in dan dat zij eerder die dag met ( [naam] van) [geïntimeerde] had gebeld met de vraag of de aftrekbaarheid van rente in orde was. Daaruit vloeit niet voort dat [appellante] toen al begreep of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] in haar verplichtingen tekortschoot. Daar komt nog bij dat deze e-mail, in strijd met de op [geïntimeerde] rustende bijzondere zorgplicht, geen waarschuwing tegen de financiering en toedeling wegens de daaraan verbonden risico’s inhoudt. Evenmin zijn er andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [appellante] toen had behoren te begrijpen dat [geïntimeerde] [appellante] tegen de financiering en mede op grond daarvan de toedeling had behoren te waarschuwen. Al met al kan de ontvangst van die e-mail nog niet gelden als het moment waarop [appellante] als schuldeiser een gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken.

4.19

Dit geldt wel vanaf het moment dat [appellante] accountant Mom de aangifte en de jaarrekening, kennelijk over 2006, in 2007 heeft gecontroleerd en toen aan [appellante] heeft gezegd dat zij deze hypothecaire geldlening nooit zo had moeten afsluiten op basis van de toen al beschikbare gegevens in de jaarrekeningen en de aangiften inkomstenbelasting. Per e-mail van 2 november 2007 heeft [appellante] [geïntimeerde] daarop voor het eerst aangesproken, waarna nog meer correspondentie over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is gevolgd (zie producties 11 bij inleidende dagvaarding). [geïntimeerde] heeft wel aangevoerd dat zij per e-mail van 8 november 2007 heeft aangeboden aan BLG Hypotheken te vragen om de beleggingen te verrekenen met de hoofdsom en de hypothecaire geldlening vervolgens naar beneden bij te stellen, maar zij heeft niet concreet aangevoerd dat [appellante] al ruim voor 2 november 2007 wist of moest begrijpen dat zij, [geïntimeerde] , zou zijn tekortgeschoten. Evenmin heeft [geïntimeerde] gesteld in welk opzicht zij vanaf het najaar van 2007 zou zijn benadeeld. Daarom wordt haar beroep op artikel 6:89 BW verworpen.

4.20

[geïntimeerde] heeft ook aangevoerd dat de aanspraken van [appellante] uit hoofde van de gestelde overfinanciering en beleggingshypotheek zijn verjaard onder artikel 3:310 lid 1 BW, hetgeen [appellante] gemotiveerd heeft betwist.

4.21

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Bij de inleidende dagvaarding van 12 januari 2011, die ingevolge artikel 3:116 BW stuitende werking heeft, heeft [appellante] onder meer (onder 18) aangevoerd dat [geïntimeerde] verscheidene variabelen in de berekeningen onjuist heeft ingevuld en dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om de gestelde € 11.000 per jaar uit de beleggingen te onttrekken, waardoor [appellante] hogere maandlasten heeft die zij, gezien haar financiële situatie, niet kan dragen, terwijl zij verder niet het door [geïntimeerde] geschetste fiscale voordeel ontvangt en de beleggingen niet het geschetste rendement opleveren. Voorts heeft [appellante] daarbij (onder 24) schending van de zorgplicht aan haar vordering ten grondslag gelegd. Weliswaar heeft [appellante] toen nog niet met zoveel woorden gesteld dat haar eerste optie van een hypothecaire lening van € 350.000 eveneens onmogelijk was en haar ontraden had moeten worden, maar haar eerder vermelde, meer algemene stellingen lieten wel ruimte voor die gevolgtrekking. Daarom kan niet worden volgehouden dat de door [appellante] bij memorie van grieven doorgedachte en getrokken consequentie dat ook een hypothecaire lening van € 350.000 niet mogelijk was, berust op een voor het eerst aangevoerde tekortkoming. Het komt er veeleer op neer dat de schade in de optiek van [appellante] door de schending van de zorgplicht nog groter is dan zij aanvankelijk veronderstelde. Het beroep op verjaring wordt daarom verworpen.

4.22

De door [appellante] aangevoerde gronden zoals hiervoor onder 4.1 vermeld, zijn derhalve alle juist. [geïntimeerde] is in al deze opzichten jegens [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.23

De mogelijkheid dat [appellante] als gevolg van de hiervoor beschreven toerekenbare tekortkomingen van [geïntimeerde] schade heeft geleden, is voldoende aannemelijk. [geïntimeerde] heeft wel aangevoerd dat de schade door de keus voor een beleggingshypotheek is beperkt doordat het belegde vermogen door defensieve beleggingen grotendeels intact is gebleven. Daarbij ziet [geïntimeerde] er echter aan voorbij dat de beleggingsresultaten in de eerste jaren zijn tegengevallen, hetgeen [appellante] direct voor grote financiële problemen heeft geplaatst die haar voor de keuze stelden om ofwel het aandelenpakket tegen te lage prijzen te verkopen met een grote restschuld tot gevolg die niet uit eigen middelen zou zijn op te brengen ofwel het voor rente en depotopnames benodigde basiskapitaal ter financiering van de woonlasten op te eten met alle gevolgen van dien. Als gevolg hiervan is het niet aannemelijk dat het resterende vermogen ondanks latere en mogelijk nog toekomstige koersstijgingen voldoende zal opleveren om gedurende de resterende looptijd de op onjuiste gegevens gebaseerde geprognosticeerde bedragen van 6% ofwel € 10.890 per jaar op te nemen. Zou de beleggingsportefeuille na het najaar van 2007 zijn geliquideerd, dan had [appellante] , naar [geïntimeerde] niet gemotiveerd heeft weersproken, een fors verlies moeten nemen, dat zij niet meer goed had kunnen maken. In die dwangpositie had [geïntimeerde] haar niet mogen brengen.

4.24

De vorderingen in eerste aanleg tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 768 en van € 1.002,58 heeft [geïntimeerde] niet anders dan met een betwisting van haar principiële aansprakelijkheid bestreden. Dat laatste blijkt onjuist. Beide vorderingen zijn daarom in zoverre als onweersproken en op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar.

4.25

[geïntimeerde] heeft bewijs aangeboden door overlegging van schriftelijke stukken en door het horen van drie met name genoemde getuigen van haar volgende stellingen:

a. [appellante] heeft [geïntimeerde] opgegeven dat de netto inkomsten uit de verzekeringsportefeuille € 30.000 bedroegen;

b. [geïntimeerde] heeft [appellante] er op gewezen dat de werkelijke inkomsten niet zijn berekend;

c. [geïntimeerde] hebben tussen november 2007 en maart 2008 geadviseerd om het beleggingsdepot af te lossen;

d. [appellante] wist op 7 november 2006 of had toen kunnen weten dat niet de volledige aftrek kon worden behaald;

e. [appellante] is gewaarschuwd over de risico’s van beleggen.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Het bewijsaanbod onder a. strandt op rov. 4.5 en 4.15. De bewijsaanbiedingen onder b. en d. stuiten af op rov. 4.7 en 4.18. Het bewijsaanbod onder c. wordt gepasseerd wegens rov. 4.23. Het bewijsaanbod onder e. gaat niet op vanwege rov. 4.12.

5 Slotsom

5.1

In het principaal appel slagen de grieven I tot en met IV en VII, zodat het eindvonnis moet worden vernietigd. De grieven V en VI behoeven geen behandeling meer, terwijl grief VIII zelfstandige betekenis mist. Het vermeerderd gevorderde zal worden toegewezen zoals hieronder vermeld.

5.2

In het incidenteel appel slaagt de enige grief. Dit kan echter niet tot vernietiging van het eindvonnis leiden.

5.3

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het principaal appel.

5.4

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 99,62

- griffierecht € 258,00

- getuigentaxen € nihil

subtotaal verschotten € 357,62

- salaris advocaat € 2.260,00 (5 punten x tarief II ad € 452)

totaal € 2.617,62.

5.5

De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,64

- griffierecht € 291,00

subtotaal verschotten € 381,64

- salaris advocaat € 1.341,00 (1,5 punten x appeltarief € 894)

totaal € 1.722,64.

5.6

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5.7

In het incidenteel appel worden partijen over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. Daarom worden die kosten gecompenseerd.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 4 april 2012 zover tussen [appellante] en [geïntimeerde] gewezen en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellante] met betrekking tot haar hypothecaire geldlening lijdt en nog zal lijden als gevolg van de hiervoor beschreven toerekenbare tekortkomingen zijdens [geïntimeerde] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf de schadedatum tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van € 768 en € 1.002,58 wegens buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 357,62 voor verschotten en op € 2.260 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 381,64 voor verschotten en op € 1.341 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in het incidenteel appel aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H. Wammes en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.