Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8591

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
21-003539-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:2220, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als gevolg van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003539-14

Uitspraak d.d.: 11 november 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2014 met parketnummer 16-701439-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1995],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.A.P.F. Hoens, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 15 mei 2013 te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer] (geboortejaar 1936) van het leven heeft beroofd, immers is verdachte opzettelijk, met een (gestolen) personenauto, terwijl hij niet bevoegd was om zonder begeleiding van een meerderjarige een personenauto te besturen, met (veel te) hoge snelheid, op een voetgangersoversteekplaats op die [slachtoffer] ingereden, althans tegen die [slachtoffer] aangereden/gebotst, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:
hij op of omstreeks 15 mei 2013 te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zijnde een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, daarmede rijdende over de weg, de Hessenweg,

- gelegen binnen de bebouwde kom;

- deel uitmakende van een zogenaamde 30 km zone, aangeduid door bord(en) A1 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarin het cijfer 30 en de aanduiding ‘zone’;

- waar op het wegdek (nabij de Eurusweg) een voetgangersoversteekplaats was, aangeduid door bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, welke duidelijk zichtbaar voor het naderende verkeer boven de rijbaan was aangebracht;

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij als 17 jarige in het bezit was van een rijbewijs B, terwijl naast hem geen in de begeleiderspas vermelde begeleider zat, en/of;

- met hoge (tussen 68 en 108 kilometer per uur), althans hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid, in elk geval, gegeven die verkeerssituatie en omstandigheden, met een te hoge snelheid heeft gereden en/of;

- een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger niet voor heeft laten gaan, en/of;

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde motorrijtuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger,

- waarna een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de voetganger,

waardoor de voetganger (te weten [slachtoffer], geboren [1936]) zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat deze tengevolge van het verkeersongeval is overleden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 mei 2013 te De Bilt, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zijnde een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, daarmede rijdende op de weg, de Hessenweg,

- gelegen binnen de bebouwde kom;

- deel uitmakende van een zogenaamde 30 km zone, aangeduid door bord(en) A1 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarin het cijfer 30 en de aanduiding ‘zone’;

- waar op het wegdek (nabij de Eurusweg) een voetgangersoversteekplaats was, aangeduid door bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, welke duidelijk zichtbaar voor het naderende verkeer boven de rijbaan was aangebracht;

- terwijl hij als 17 jarige in het bezit was van een rijbewijs B, terwijl naast hem geen in de begeleiderspas vermelde begeleider zat, en/of;

- met hoge (tussen 68 en 108 kilometer per uur), althans hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid, in elk geval, gegeven die verkeerssituatie en omstandigheden, met een te hoge snelheid heeft gereden en/of;

- een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger niet voor heeft laten gaan, en/of;

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde motorrijtuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger,

- waarna een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de voetganger,

waardoor de voetganger (te weten [slachtoffer], geboren [1936]) zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat deze tengevolge van het verkeersongeval is overleden;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk de dood van [slachtoffer] teweeg heeft gebracht. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met name kan niet worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk – al dan niet in voorwaardelijke vorm - heeft aangereden waardoor het slachtoffer is overleden.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De vraag hierbij is of die schuld bestaat in roekeloosheid. Op grond van de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad kan het rijgedrag van verdachte niet worden gekwalificeerd als roekeloosheid, zodat het hof verdachte hiervan eveneens zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2013 te De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zijnde een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, daarmede rijdende over de weg, de Hessenweg,

- gelegen binnen de bebouwde kom;

- deel uitmakende van een zogenaamde 30 km zone, aangeduid door bord(en) A1 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarin het cijfer 30 en de aanduiding ‘zone’;

- waar op het wegdek (nabij de Eurusweg) een voetgangersoversteekplaats was, aangeduid door bord L2 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, welke duidelijk zichtbaar voor het naderende verkeer boven de rijbaan was aangebracht;

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij als 17 jarige in het bezit was van een rijbewijs B, terwijl naast hem geen in de begeleiderspas vermelde begeleider zat, en/of;

- met hoge (tussen 68 en 108 kilometer per uur), althans hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid, in elk geval, gegeven die verkeerssituatie en omstandigheden, met een te hoge snelheid heeft gereden en/of;

- een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger niet voor heeft laten gaan, en/of;

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde motorrijtuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van een op de (voornoemde) voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger,

- waarna een aanrijding ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en de voetganger,

waardoor de voetganger (te weten [slachtoffer], geboren [1936]) zodanig zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat deze tengevolge van het verkeersongeval is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het hof komt tot een andere kwalificatie dan de rechtbank nu de strafverzwarende omstandigheden van het derde lid van artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 niet als zodanig ten laste zijn gelegd. De strafverzwarende omstandigheid geen voorrang verlenen is overigens hoe dan ook niet aan de orde, nu het bij een voetgangersoversteekplaats niet gaat om voorrang verlenen (art. 15 RVV 1990), maar om voor laten gaan (art. 49, lid 2 RVV 1990).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna te noemen duur leiden dat verdachte achter het stuur is gaan zitten van een auto, terwijl hij niet werd vergezeld van een verplichte begeleider, en hij met hoge snelheid door een 30-km zone is gereden in De Bilt en zo bezig is geweest met (het uitproberen van) de auto, dat hij het slachtoffer dat op de voetgangersoversteekplaats overstak, niet op tijd heeft opgemerkt en dat hij niet op tijd heeft kunnen remmen om een aanrijding met die voetganger te voorkomen. Vervolgens is verdachte weggereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren.

Het slachtoffer is ten gevolge van die aanrijding komen te overlijden. Het ongeval heeft niet alleen onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer, zoals nog eens is gebleken uit de slachtofferverklaring zoals de dochter van het slachtoffer die ter terechtzitting heeft voorgelezen, maar het rijgedrag van verdachte heeft ook voor grote beroering gezorgd in de regio waar het ongeval heeft plaatsgevonden.

Bij de straftoemeting houdt het hof ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte niet voor een opzetdelict maar voor een schulddelict wordt veroordeeld. Het hof heeft verder ten nadele van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 oktober 2014 eerder is veroordeeld ter zake overtreding van de Wegenverkeerswet en ter zake van een overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met de over verdachte opgemaakte rapportages.

Volgens het Pro Justitia rapport van 20 september 2013 van drs. I. Snijders, gezondheidszorgpsycholoog, is bij verdachte sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische trekken, maar lijkt deze ontwikkeling niet van invloed te zijn geweest op het handelen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. De rapporteur adviseert om uit te gaan van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

Volgens het Pro Justitia rapport van 15 november 2013 van drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, kunnen kwetsbare plekken in de persoonlijkheid van verdachte, namelijk een narcistische kwetsbaarheid gecombineerd met een iets te sterke neiging tot externaliseren en somatiseren en een beperkt zelfinzicht, worden opgevat als een enigszins gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. Gerritsen adviseert verdachte als toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het tenlastegelegde.

Het hof neemt deze adviezen over en maakt die tot de zijne.

Verder heeft het hof kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 januari 2014, waarin de Raad adviseert om verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering in het kader van de Maatregel Hulp en Steun, en om de behandeling bij De Waag voort te zetten. Tenslotte heeft het hof in aanmerking genomen de rapportage van Bureau Jeugdzorg Utrecht van 7 mei 2014, waarin wordt geadviseerd om naast een voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun op te leggen, waarvan de eerste zes maanden ITB-plus.

Bij de bepaling van de op te leggen straf stelt het hof voorop dat als uitgangspunt bij minderjarigen geldt dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast. Het hof ziet, mede gelet op de uitgebrachte gedragskundige rapportages, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en toepassing te geven aan het meerderjarigenstrafrecht. Het hof neemt wel in aanmerking dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit op minder dan drie maanden na de leeftijd van achttien jaar had bereikt.

Alles afwegende acht het hof een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het ondergane voorarrest, met eveneens na te melden algemene en bijzondere voorwaarden teneinde verdachte een steun in de rug te geven en daarbij van de jeugdreclassering hulp en steun te krijgen en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden. Zoals hiervoor is overwogen, komt het hof tot een andere kwalificatie van het delict. Het hof komt echter niet tot een andere, lagere strafoplegging, nu in het bijzonder de aard, de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, na te melden straf, ook zonder kwalificatie van die strafverzwarende omstandigheden, passend en geboden doen zijn.

Het hof zal de Bureau jeugdzorg afdeling jeugdreclassering, opdragen aan verdachte ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Het hof is, in het bijzonder gelet op het onverantwoorde gedrag van verdachte en de daarover uitgebrachte rapportages, van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Het hof zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de op te leggen algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden tot het verlenen van hulp en steun.

Tenslotte acht het hof een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren passend en geboden, gelet op het verkeersgedrag van verdachte, in het bijzonder het feit dat hij als jeugdige bestuurder die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, volstrekt onverantwoord heeft gereden op een 30 km weg en de zeer ernstige gevolgen van zijn verkeersgedrag. Om diezelfde redenen ziet het hof voor het verzoek van de verdediging om uit oogpunt van preventie en om verdachte een kans te geven zich te bewijzen, de ontzegging van de rijbevoegdheid weliswaar voor een langere periode, te weten vier jaar, op te leggen maar daarvan twee jaar voorwaardelijk, geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z, 77za en 77aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 81 (eenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt daarnaast als algemene voorwaarden dat verdachte

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte

- zich in het kader van een maatregel Hulp en Steun gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat verdachte zich onder behandeling bij De Waag moet stellen of deze behandeling moet voortzetten;

- in het kader van deze maatregel gedurende 6 maanden het programma van Intensieve Traject Begeleiding + (ITBplus) volgt.

Draagt Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, op aan verdachte ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de algemene voorwaarden en van de bijzondere voorwaarden tot het verlenen van hulp en steun.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Aldus gewezen door

mr E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

mr R.W. van Zuijlen en mr M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,

en op 11 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.