Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8587

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.156.505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu aangenomen moet worden dat de schuldenaar (in Nederland) serieuze verdiencapaciteit had en niet aannemelijk is geworden dat hij zijn verdiencapaciteit voldoende heeft benut om zo veel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van zijn schuldeisers, is de schuldenaar niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden.

Het voorgaande (de omvang van de schulden en het eerst sinds kort benutten van zijn verdiencapaciteit) geeft evenmin aanleiding om de schuldenaar op grond van de hardheidsclausule toe te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.156.505

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) C/16/375695 / FT RK 14/1888)

arrest van de eerste civiele kamer van 10 november 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.J.L. Zwaan.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) van 22 september 2014 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 26 september 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van het V-formulier met bijlagen van 16 oktober 2014 van de advocaat van [appellant].

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2014, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat, die ter zitting nog een schriftelijke verklaring van [persoon 1] van Ingenieursbureau Wolter & Dros B.V. van 25 september 2014 heeft overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken. [appellant], geboren [geboortedatum], leeft gescheiden van [ex-partner]. [appellant] heeft de zorg voor zijn inwonende negenjarige zoon. Zijn totale schuldenlast bedraagt € 438.651,54 en bestaat uit een restschuld van € 435.485,53 aan Rabobank Roosendaal Woensdrecht na executoriale verkoop in juni 2013 van de (in 2006 gebouwde) privéwoning en het (in 2007 gekochte) kantoorpand, een belastingschuld van € 306,- uit 2009, een schuld aan de gemeente Hulst van € 1.284,- uit 2010 en een schuld van € 1.576,11 aan CZ Zorgverzekeraar uit 2011. Voorts is gebleken dat [appellant] bestuurder/enig aandeelhouder is geweest van de bedrijven Cladimadi ICT B.V., Cladimadi B.V., Cladimadi Sales B.V., Cladimadi Sourcing B.V. en EnTeos B.V., welke bedrijven op 9 juni 2009 door de rechtbank Middelburg op eigen aangifte van [appellant] in staat van faillissement zijn verklaard. Deze faillissementen zijn in 2011 door de rechtbank opgeheven bij gebrek aan baten. [appellant] heeft een fulltimebaan, waarmee hij een inkomen genereert van ongeveer € 1.280,- netto per maand, exclusief vakantiegeld. Daarnaast ontvangt [appellant] huurtoeslag, zorgtoeslag en een kindgebonden budget.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan Rabobank te goeder trouw is geweest. De rechtbank baseert haar oordeel op de overweging dat [appellant] vrij kort na het aangaan van de aanzienlijke hypothecaire verplichtingen op stel en sprong naar Spanje is vertrokken en sindsdien (2009) geen rente en aflossingen op die leningen heeft betaald en niet is gebleken dat hij zich in de daaropvolgende vier jaren heeft ingespannen om inkomen te genereren om aan die betalingsverplichtingen te voldoen. Voorts staat volgens de rechtbank, kort gezegd, vast dat [appellant] in die periode van vier jaren geen contact heeft opgenomen met Rabobank om een regeling te treffen, dan wel om enige bereidheid te tonen om mee te werken aan een onderhandse verkoop van de panden. Hierdoor moesten de panden uiteindelijk openbaar verkocht worden, hetgeen naar het zich laat aanzien tot een lagere opbrengst en daarmee tot een hogere restschuld heeft geleid, aldus de rechtbank.

3.3

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en betwist dat hij ten zien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest. [appellant] stelt daartoe - samengevat - het volgende:

  • -

    de schuldenlast bestaat voornamelijk uit één grote schuld bij Rabobank, ontstaan door het verstrekken van de bank van een tweetal hypotheken; een hypotheek betrof een vrijstaande woning te Hulst van [appellant] en zijn echtgenote en de andere hypotheek betrof een bedrijfspand op naam van een vennootschap van [appellant], waarvoor hij in privé aansprakelijk was; de mondiale economische crisis heeft het faillissement van de vennootschappen, die zich bezighielden met werving en selectie van personeel, tot gevolg gehad;

  • -

    anders dan de rechtbank overweegt, heeft [appellant] wel degelijk geprobeerd om door bemiddeling van twee makelaars de panden te verkopen in de hoop de faillissementen te kunnen afwenden, maar de panden zijn toen niet verkocht;

  • -

    zowel Rabobank als de accountant van [appellant] hebben op basis van de cijfers van de onderneming groen licht gegeven voor het aangaan van de hypothecaire verplichtingen; tot dan toe waren de prijzen van onroerend goed al 30 jaar omhoog gegaan en verwachtte iedereen, ook de banken, dat de prijzen zouden blijven stijgen; de accountant adviseerde - voor die tijd gebruikelijk - om een bedrijfspand als pensioenvoorziening te kopen in plaats van te huren;

  • -

    na het faillissement van de vennootschappen in juni 2009 konden [appellant] en zijn echtgenote bij gebrek aan enig inkomen de hypotheektermijnen niet meer betalen; anders dan de rechtbank aanneemt, heeft de echtgenote van [appellant] mede namens [appellant] nog wel contact gehad met Rabobank via e-mail en de telefoon; dat leverde niets op omdat de bank slechts betaling wenste; ook de curator in het faillissement van de vennootschappen heeft contact gehad met Rabobank; overigens had de bank op grond van artikel 3:268 lid 2 Burgerlijk Wetboek niet de medewerking nodig van [appellant] en zijn echtgenote voor een onderhandse verkoop; de bank heeft de panden executoriaal verkocht op het dieptepunt van de markt in 2013, waardoor een hoge restschuld is ontstaan;

  • -

    ook de redenering van de rechtbank dat, als [appellant] zich anders had opgesteld in de periode na 2009, de omvang van de restschuld aanzienlijk zou zijn beperkt, kan geen standhouden; de rechtbank gaat er aan voorbij dat in regio’s als Zeeland, maar ook in de rest van Nederland, in die periode niet of nauwelijks nog een bedrijfspand werd verkocht en dat de kans op een onderhandse verkoop voor een goede prijs bijzonder klein was;

[appellant] betwist voorts dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld aan Rabobank niet te goeder trouw is geweest. Daartoe stelt hij - kort samengevat - het volgende:

  • -

    toen Rabobank had aangekondigd over te zullen gaan tot ontruiming en verkoop van de woning, zijn [appellant], zijn echtgenote en hun kind gaan inwonen bij de ouders van de echtgenote van [appellant], die in Spanje woonden; zij hadden immers een dak boven hun hoofd nodig en de schoonouders van [appellant] boden kost en inwoning; zowel [appellant] als zijn echtgenote hebben geprobeerd daar een inkomen te genereren; zij zochten naar grote projecten om in één keer veel geld te verdienen, zodat Rabobank betaald kon worden; in loondienst treden was geen optie omdat daarmee die schuld niet binnen een enigszins overzienbare termijn kon worden afgelost;

  • -

    in de zomer van 2013 is hij samen met zijn zoontje teruggekeerd naar Nederland en heeft zich bij de gemeente [gemeente] vervoegd voor een uitkering en de schuldsanering;

  • -

    vrij snel nadien heeft [appellant] een baan gevonden bij wervings- en selectiebureau Talent Enterprise; dit bedrijf had eigenlijk geen budget om [appellant] aan te nemen, maar via de gemeente [gemeente] is besloten tot een proefplaatsing van drie maanden en daarna een verlenging; hoewel [appellant] geen omzet heeft gegenereerd is hem toch een contract aangeboden, echter tegen een laag salaris; thans wordt wel door hem omzet gegenereerd; eind 2014 zullen de arbeidsvoorwaarden opnieuw bekeken worden;

  • -

    door een betalingsregeling met CZ loopt [appellant] op deze schuld in.

[appellant] doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Faillissementswet (Fw). Hij stelt daartoe dat hij achteraf spijt heeft van het feit dat hij te lang in Spanje is gebleven, maar hij heeft getracht een nieuwe bedrijf op te zetten om zijn schulden in één klap af te kunnen lossen. [appellant] stelt dat hij ook in Spanje is gebleven omdat hij zijn zoon niet wilde kwijtraken. [appellant] wijst er op dat hij niet is blijven hangen in een bijstandsuitkering maar meteen weer aan het werk is gegaan. Hij heeft ook geen nieuwe schulden laten ontstaan door al een aantal jaren van een minimum te leven. [appellant] is van mening dat hij de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

3.4

Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep niet aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn vertrek naar Spanje, vrij kort nadat hij in juni 2009 het faillissement van zijn vennootschappen had aangevraagd, en zijn inspanningen aldaar concreet zicht had op meer inkomen dan hij in Nederland uit arbeid of uitkering had kunnen genereren. Hierdoor is evenmin aannemelijk geworden dat [appellant] in die periode, die heeft voortgeduurd tot de zomer van 2013, zijn verdiencapaciteit voldoende heeft benut om zoveel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van zijn schuldeisers. Nu het woonhuis niet verkocht raakte en de hypotheekverplichtingen doorliepen, bestond er ook overigens geen noodzaak om in te trekken bij zijn schoonouders in Spanje in plaats van te proberen een betaalde baan te zoeken in Nederland. Gelet op het opleidingsniveau van [appellant] en het feit dat hij sinds zijn terugkeer in Nederland zo snel weer een baan heeft gevonden, moet ook worden aangenomen dat hij in Nederland serieuze verdiencapaciteit had.

Het hof ziet op grond van het voorgaande (met name de omvang van de schulden en het eerst sinds kort benutten van zijn verdiencapaciteit) evenmin aanleiding om [appellant] tot de schuldsaneringsregeling toe te laten op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Faillissementswet, nog daargelaten dat niet aannemelijk is geworden dat er aan het ontstaan en onbetaald laten van de schulden (onder controle gebrachte) omstandigheden ten grondslag hebben gelegen die reden zouden kunnen zijn om, ondanks de aanwezigheid van voormelde afwijzingsgronden, de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] van toepassing te verklaren.

3.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) van 22 september 2014.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, F.J.P. Lock en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 november 2014.