Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
200.142.451-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrouw opgenomen in psychiatrische inrichting. Bewindvoerder geconfronteerd met chaotische financiële situatie. Alsnog gelegenheid, gelet op kwetsbare situatie van de vrouw, de behoefte te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.451/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/144694/FA RK 13-1905)

beschikking van de familiekamer van 6 november 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.T. Derks-Halman, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [A],

geïntimeerde in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.A. van der Kleij, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 25 februari 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 5 mei 2014;

- een journaalbericht van mr. Derks-Halman van 13 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. Derks-Halman van 2 mei 2014 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Derks-Halman van 15 mei 2014 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Van der Kleij van 26 juni 2014, met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Derks-Halman van 3 juli 2014 met bijlagen.

2.2

Het hof stelt vast dat het journaalbericht van 3 juli 2014 met bijlagen van mr. Derks-Halman niet tijdig voor de mondelinge behandeling in het geding is ingediend nu artikel 1.4.4. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven voorschrijft dat nadere stukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd. Niettemin heeft het hof, zoals het hof ter zitting al heeft meegedeeld, besloten om kennis te nemen van genoemde producties nu deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Van der Kleij ter zitting heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen kennisname door het hof.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 juli 2014 plaatsgevonden.

De vrouw is niet in persoon verschenen. Namens haar is verschenen mr. Derks-Halman en haar bewindvoerder mevrouw [B]. De man is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Beide advocaten hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2009 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Bij (echtscheidings)beschikking van 21 januari 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad - voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.131,-- per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2013 ingevolge de wettelijke indexering € 1.202,70 per maand, en per 1 januari 2014 € 1213,52 per maand.

3.1

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 23 september 2013, heeft de man de rechtbank verzocht deze alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden te wijzigen en deze bijdrage te bepalen

- primair op nihil met ingang van 24 mei 2013,

- subsidiair op hetgeen feitelijk door de man is voldaan en met ingang van 23 september 2013 op nihil en

- meer subsidiair op een zodanig lager bedrag dan € 1.202,70 per maand met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vrouw heeft zich tegen de verzoeken van de man niet verweerd.

3.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 27 november 2013 conform het primaire verzoek van de man -nu dit de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voorkwam- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 24 mei 2013 op nihil bepaald, onder wijziging van de beschikking van 21 januari 2009 van de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad.

De vrouw is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld.

3.3

De vrouw is bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 4 december 2013 onder beschermingsbewind gesteld met benoeming van [C] B.V., gevestigd te [D], tot bewindvoerder.

3.4

Uit de overgelegde stukken (journaalbericht van 2 mei 2014) blijkt dat het de bewindvoerder van de vrouw, mevrouw [B], werkzaam bij [C] B.V., was die aan mr. Derks-Halman opdracht/toestemming heeft gegeven voor het voeren van deze procedure in hoger beroep. In het schrijven van 15 mei 2014 (journaalbericht van 15 mei 2014) benadrukt mr. Derks-Halman nogmaals dat zij de opdracht tot het instellen van het hoger beroep in de onderhavige zaak gekregen heeft van de bewindvoerder van de vrouw en dat zij daarmee ook optreedt namens [C] B.V.. Het hof komt hierop terug onder punt 4.

4 De ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep

4.1

Primair stelt de man dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar op 25 februari 2014 ingestelde hoger beroep.

De man voert aan dat alle goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw met ingang van 4 december 2013 onder bewind zijn gesteld en dat ten gevolge van dit bewind met ingang van 4 december 2013 uitsluitend de bewindvoerder als formele procespartij kon opkomen tegen de beschikking van 25 november 2013.

Dat de bewindvoerder toestemming heeft verleend voor het voeren van deze procedure maakt dit volgens de man niet anders.

1.1

Met verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:525 overweegt het hof als volgt.

1.2

In geval van een beschermingsbewind vertegenwoordigt ingevolge art. 1:441 BW de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Dit betekent dat de bewindvoerder procesrechtelijk in beeld komt als de procedure het onder bewind gestelde vermogen betreft. In familierechtelijke zaken zal dat met name alimentatie- en boedelzaken betreffen.

Hoger beroep ter zake moet namens de rechthebbende door de bewindvoerder worden ingesteld, terwijl de rechthebbende procesonbevoegd is.

1.3

Hoewel de bewindvoerder in het op 25 februari 2014 ter griffie van het hof binnengekomen beroepschrift niet bij naam is aangemerkt als formele procespartij, staat voor het hof vast dat het de bewindvoerder is geweest die opdracht heeft gegeven tot het voeren van de onderhavige procedure. Uit de stukken blijkt dat de bewindvoerder en mr. Derks-Halman op 17 februari 2014 een bespreking hebben gehad, waarbij de bewindvoerder mr. Derks-Halman verzocht heeft om een juridische advies en om rechtsbijstand voor de vrouw voor het instellen van hoger beroep in verband met de op 27 november 2013 bij verstek op nihil gestelde partneralimentatie. De door de advocaat ter ondertekening aan de bewindvoerder verzonden bevestiging van de gemaakte afspraken/opdracht tot dienstverlening d.d. 17 februari 2014 is door de bewindvoerder voor akkoord getekend en geretourneerd bij brief van 1 mei 2014, met de aanvullende verklaring van de bewindvoerder dat zij inderdaad toestemming heeft gegeven voor het opstarten van de procedure om verweer te voeren tegen het verzoek tot vermindering van de partneralimentatie door de ex-echtgenoot van de vrouw.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de positie van de bewindvoerder in hoger beroep voldoende is gewaarborgd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de strekking van hetgeen de Hoge Raad in voormelde prejudiciële beslissing heeft overwogen is dat het er om gaat dat de bewindvoerder de kans krijgt zich inhoudelijk te bemoeien met de zaken die het bewind aangaan. Dit laatste is naar het oordeel van het hof in voldoende mate aan de orde, nu vast staat dat de bewindvoerder opdracht heeft gegeven tot het voeren van deze procedure en ter zitting van het hof het woord heeft gevoerd. Het hof ziet dan ook geen reden om de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

5 De ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot wijziging

5.1

De enkele stelling van de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden maakt dat hij in zijn verzoek tot wijziging van de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de vrouw kan worden ontvangen. Wanneer het hof vervolgens mocht vaststellen dat zich geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, zal dat tot afwijzing van het verzoek leiden.

6 De wijziging van omstandigheden

6.1

Aan de orde is de vraag of zich na de beschikking van 21 januari 2009 een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan.

In geschil is de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de zijde van de man en de draagkracht van de man en wel op het punt van zijn gewijzigde inkomen c.q. financiële positie.

7 De (gewijzigde) behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man

7.1

De man stelt dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de zijde van de man is verminderd doordat zij sinds 24 mei 2013 is opgenomen in een psychiatrische instelling.

Volgens de man wordt thans volledig voorzien in de verzorging van de vrouw, zodat zij in verband daarmee geen kosten van levensonderhoud (meer) heeft, althans niet meer zodanige kosten dat nog behoefte zou bestaan aan de in 2009 vastgestelde onderhoudsbijdrage van (geïndexeerd) € 1.213,52 per maand.

7.2

De vrouw betwist dat haar behoefte aan een bijdrage van de zijde van de man door haar verblijf in de psychiatrische instelling is gewijzigd. De vrouw stelt haar huidige behoefte op het bedrag van € 1.213,52 per maand.

Primair is de vrouw van mening dat niet haar huidige behoefte (het bestaansminimum) bepalend dient te zijn voor haar behoefte, maar de welstand ten tijde van het huwelijk, welke welstand - rekening houdend met de draagkracht van de man - in 2009 geleid heeft tot een vastgestelde bijdrage van € 1.213,52 per maand (geïndexeerd per 1 jan 2014). De wijziging van haar (woon)situatie maakt dit volgens de vrouw niet anders.

Subsidiair gaat de vrouw voor de vaststelling van haar behoefte uit van de werkelijke, huidige kosten (de minimumbehoefte), welke zij heeft berekend op een totaalbedrag van

€ 866,19 netto per maand. Rekening houdend met de door de vrouw verschuldigde belasting becijfert de vrouw haar bruto behoefte ook in dit geval op een bedrag van

€ 1.213,52 per maand. Volgens de vrouw komt de eerder vastgestelde, door de man te betalen alimentatie overeen met haar huidige minimumbehoefte.

7.3

De bewindvoerder van de vrouw heeft ter zitting van het hof aangegeven dat zij na haar benoeming geconfronteerd werd met een grote schuldenlast van de vrouw, van in totaal ongeveer € 22.000,--, betreffende onder meer schulden ter zake van huur, energielasten en premies zorgverzekering. Dit mede omdat deze kosten zijn blijven doorlopen in de periode dat de vrouw is opgenomen en de vrouw geen inkomsten meer heeft ontvangen van de zijde van de man. De vrouw was niet in staat haar eigen financiële zaken te regelen en doordat zij geen inkomen had, de post ongeopend bleef en de huur niet werd opgezegd et cetera ontstond er een chaotische situatie. De bewindvoerder is thans doende daarin orde te scheppen en heeft aangegeven de alimentatie (mede) te willen gebruiken om de schulden van de vrouw te voldoen. De man verzet zich daartegen en stelt zich op het standpunt dat het niet de bedoeling van alimentatie is om schulden te saneren.

7.4

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking moet nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht dient te hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het welstandsniveau -en het daaraan gerelateerde bedrag van kosten van levensonderhoud- waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel -afhankelijk van de omstandigheden- bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

7.5

Bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw kan -als niet in geschil- worden uitgegaan van de volgende omstandigheden:

- de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt minimaal € 1.213,52 per maand;

- de vrouw is niet in staat eigen inkomsten te verwerven;

- de vrouw is per 24 mei 2013 opgenomen in een psychiatrische instelling;

- per juli 2013 is door de man geen alimentatie meer aan de vrouw voldaan;

- de vrouw is op 4 december 2013 onder beschermingsbewind gesteld;

- per 17 januari 2014 ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering (zak- en kleedgeld) van

€ 300,15 per maand en een aanvullend bedrag van € 39,-- per maand in verband met de verschuldigde nominale premie zorgverzekeringswet;

- de kosten van het eerste jaar van de opname van de vrouw in de psychiatrische instelling, zijnde tot mei 2014, vallen nog onder de dekking van de zorgverzekering, de vrouw had in de periode tot 28 mei 2014 derhalve geen verblijfskosten;

- met ingang van 28 mei 2014 betaalt de vrouw een eigen bijdrage in het kader van de AWBZ van € 395,19 per maand;

- de vrouw betaalt een premie zorgverzekering van € 95,50 en heeft een verplicht eigen risico van € 30,-- per maand;

- de vrouw ontvangt thans (in 2014) een zorgtoeslag van € 72,--;

- de vrouw betaalt een premie aansprakelijkheidsverzekering van € 2,33 per maand.

7.6

Met de man is het hof van oordeel dat alimentatie dient te worden aangewend voor de bestrijding van de kosten van levensonderhoud en niet voor de betaling van schulden, zodat het hof het feit dat de vrouw schulden heeft niet mede bepalend acht voor de omvang van de behoefte van de vrouw.

7.7

Voor de periode tot aan de opname van de vrouw in een psychiatrische instelling is er naar het oordeel van het hof geen grond om haar behoefte te stellen op een andere dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. Voor de periode nadien is er evenwel aanleiding om bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aansluiting te zoeken bij haar daadwerkelijke behoefte. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw door de omstandigheid dat zij is opgenomen feitelijk niet in staat is (volledig) te leven op het welvaartsniveau dat zij had ten tijde van het huwelijk, zodat een bijdrage ter bekostiging daarvan in ieder geval gedeeltelijk zijn doel mist. Niettemin is duidelijk dat de vrouw wel enige kosten van levensonderhoud had en heeft, zodat zij ter zake behoefte had/heeft aan een bijdrage van de man. Zo heeft de vrouw weliswaar geen AWBZ bijdrage betaald in het eerste jaar van haar opname, maar zijn, gelet op de verklaring van haar bewindvoerder, haar huurlasten en andere kosten blijven doorlopen. Verder woont de vrouw op het moment van de zitting nog steeds in de psychiatrische instelling maar wil zij de stap maken naar zelfstandig wonen, waarvoor zij een minimum inkomen nodig heeft.

7.8

Voor het hof is niet duidelijk welke lasten de vrouw precies heeft (gehad) in de verschillende periodes, meer specifiek in de periode van 24 mei 2013 tot haar onderbewindstelling, althans de datum waarop haar huur is opgezegd, en in de periode daarna tot 28 mei 2014 (vanaf welke datum zij de eigen AWBZ bijdrage dient te voldoen). In verband hiermee zal het hof de vrouw, gelet op haar kwetsbaarheid, alsnog gelegenheid geven binnen vier weken haar lasten betreffende genoemde periodes aan de hand van bewijsstukken te onderbouwen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het weliswaar op de weg van de advocaat van de vrouw had gelegen om deze stukken tijdig van tevoren over te leggen, maar dat niet onaannemelijk is dat dit voor de advocaat van de vrouw, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, niet mogelijk is geweest, mede gelet op de chaotische financiële situatie, waarmee de bewindvoerder werd geconfronteerd.

7.9

De man heeft erop gewezen dat voor de vaststelling van de huidige AWBZ bijdrage van de vrouw het -in verband met de toen betaalde alimentatie hogere- inkomen van 2012 is gebruikt en daarbij gesteld dat de vrouw 'peiljaarverlegging' dient aan te vragen om zo te bewerkstelligen dat een lagere AWBZ bijdrage wordt vastgesteld en dat -daardoor- haar behoefte wordt verlaagd. Het hof volgt de man hierin niet, nu langs deze weg de behoefte van de vrouw kunstmatig zou worden verlaagd ten laste van openbare middelen en met voorbijgaan aan de op de man rustende onderhoudsplicht.

8 De (gewijzigde) draagkracht van de man

8.1

Nu voldoende duidelijk is dat de vrouw behoefte heeft aan enige onderhoudsbijdrage dient de draagkracht van de man te worden beoordeeld, aangezien de man stelt dat zijn huidige draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te blijven voldoen, terwijl de vrouw dit betwist.

8.2

De arbeidsovereenkomst tussen [E] N.V. en de man is per 1 september 2013 geëindigd. Daarbij heeft de man een ontslagvergoeding gekregen van € 187.000,-- bruto.

In de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 ontving de man vervolgens geen inkomen. Sinds 1 januari 2014 ontvangt hij een WW-uitkering van € 147,75 bruto per dag (75% van het maximumdagloon) en met ingang van 1 maart 2014 een WW-uitkering van € 137,90 bruto per dag (70% van het maximumdagloon). Deze WW-uitkering is hem toegekend tot 28 februari 2017 en bedraagt per 4 weken € 2.553,80 bruto (exclusief vakantiegeld), ofwel omgerekend per maand € 3.320,-- bruto.

8.3

Van voormelde ontslagvergoeding heeft de man een bedrag van € 169.000,-- gestort op een geblokkeerde spaarrekening. Aldus wil de man met de ontslagvergoeding zijn lagere inkomen -zijn WW-uitkering- , het geheel wegvallen van zijn inkomen per 1 maart 2017 en de pensioenschade in verband met zijn ontslag opvangen.

Hij is thans 58 jaar.

Uit salarisspecificaties van mei, juli en augustus 2013 blijkt dat de man een inkomen uit arbeid genoot van € 4.005,-- bruto per maand.

8.4

Naar het oordeel van het hof strekt de door de man ontvangen ontslagvergoeding ertoe het inkomensverlies op te vangen dat hij lijdt in verband met zijn ontslag. Gelet hierop kan er voor de beoordeling van de draagkracht van de man van worden uitgegaan dat zijn draagkracht door zijn ontslag niet is gewijzigd, wat er ook zij van de wijze waarop hij feitelijk de ontslagvergoeding heeft aangewend, dan wel wenst aan te wenden. Het ontslag van de man levert dan ook geen wijziging van omstandigheden op die kan leiden tot het oordeel dat op die grond de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw moet worden gewijzigd.

9 De slotsom

9.1

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen omtrent de (gewijzigde) behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man.

9.2

Het hof zal derhalve, alvorens nader te beslissen, de vrouw opdragen stukken - conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 7.6, 7.7 en 7.8 is overwogen - over te leggen ten onderbouwing van haar daadwerkelijke lasten/ kosten van haar levensonderhoud over de periode vanaf 24 mei 2013. Voor de indiening van voornoemde (bewijs)stukken zal de vrouw een termijn worden gegund tot uiterlijk 5 december 2014. De (advocaat van de) vrouw dient de stukken gelijktijdig te zenden aan de advocaat van de man.

9.3

Vervolgens zal aan de man een termijn worden gegund tot uiterlijk 2 januari 2015 teneinde schriftelijk te reageren op de door de vrouw overgelegde stukken. De man dient gelijktijdig een exemplaar van zijn schriftelijke reactie te zenden aan de advocaat van de vrouw.

9.4

De zaak zal alsdan op de stukken worden afgedaan, tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling geraden acht.

10 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

draagt de vrouw op vóór 5 december 2014 de stukken als vermeld in rechtsoverweging 9 over te leggen onder gelijktijdige toezending van deze stukken aan de advocaat van de man;

stelt de man in de gelegenheid een schriftelijke reactie op de door de vrouw overgelegde stukken in te dienen tot uiterlijk 2 januari 2015 onder gelijktijdige toezending van een exemplaar van deze schriftelijke reactie aan de advocaat van de vrouw;

bepaalt dat de zaak op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling geraden acht.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. W. Foppen en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 november 2014 in het bijzijn van de griffier.