Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8550

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
200.154.187-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.154.187/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/134452/FJ RK 14-497)

beschikking van de familiekamer van 6 november 2014

inzake

Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ,

tegen

[verweerder],
wonende te [A],
verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,
advocaat mr. A.H. Loos-Horstman, kantoorhoudend te Sneek.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:



[belanghebbende],
wonende te [B],
verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. P.E. van der Werf, kantoorhoudende te Sneek.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 juni 2014 , uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 augustus 2014, is BJZ in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. BJZ verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en de door BJZ verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling voor beide minderjarigen alsnog toe te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 september 2014, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van BJZ bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel ontzegging (het hof begrijp: afwijzing) ervan.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 19 augustus 2014 (waarin is medegedeeld dat de raad niet beschikt over relevante rapportages en adviezen) en de brief met bijlage (proces-verbaal) van BJZ van 27 augustus 2014, ingekomen op 29 augustus 2014.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof, gehouden te Leeuwarden, op 7 oktober 2014. Namens BJZ zijn daarbij verschenen mr. [C], mw. [D] en mw. [E]. Voorts zijn de vader en de moeder verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Door BJZ zijn pleitaantekeningen overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder hebben omstreeks augustus 2001 een relatie met elkaar gekregen en zijn [in] 2003 met elkaar gehuwd.

3.2

De vader en de moeder hebben samen twee kinderen, waarover zij gezamenlijk het gezag uitoefenen, namelijk: [F], geboren [in] 2003 (hierna: [F]) en [G], geboren [in] 2006 (hierna: [G]).

3.3

In maart 2011 is de relatie tussen de vader en de moeder beëindigd. [F] en [G] staan sinds juli 2011 onder toezicht van BJZ.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 21 december 2011 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken en is het hoofdverblijf van [F] en [G] bij de vader bepaald.

3.5

De moeder heeft na de relatiebreuk met de vader een nieuwe relatie gekregen waaruit in september 2012 een kindje is geboren. Uit een eerder huwelijk heeft de moeder vier kinderen.

3.6

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van [F] en [G] verlengd met ingang van 1 juli 2013 tot 1 juli 2014. In het kader van het hoger beroep dat de vader tegen die beschikking van 28 juni 2013 had ingesteld (zaaknummer 200.134.695/01), heeft dit hof bij tussenbeschikking van 12 december 2013, gevolgd door tussenbeschikkingen van 5 februari 2014 en 25 maart 2014, een onafhankelijk onderzoek gelast door een aan het NIFP gelieerde deskundige. De desbetreffende deskundige, mw. [H], GZ-psycholoog, heeft verslag gedaan van het onderzoek en de bevindingen in een rapport gedagtekend 20 juni 2014. In augustus 2014 heeft de vader zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter van 28 juni 2013 ingetrokken.

3.7

Bij verzoekschriften van 9 mei 2014 heeft BJZ de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [F] respectievelijk [G] te verlengen (met ingang van 1 juli 2014) voor de duur van een jaar.

3.8

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van BJZ om verlenging van de ondertoezichtstelling van [F] en [G] afgewezen. Hiertegen richt zich het onderhavige hoger beroep van BJZ.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ter beoordeling staat het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling van [F] en [G] voor de duur van een jaar met ingang van 1 juli 2014.

4.2

Voor het antwoord op de vraag of de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd dient te worden beoordeeld of de gronden voor de maatregel, bedoeld in artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zich nog voordoen.

4.3

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat uit het onderzoek van de deskundige van het NIFP naar voren is gekomen, blijkens de van partijen verkregen inlichtingen, nu het definitieve rapport nog niet voorhanden is, dat de kinderen zich positief ontwikkelen bij de vader en dat de ondertoezichtstelling voor de kinderen spanningsverhogend heeft gewerkt. Hoewel de kinderrechter het zorgwekkend vindt dat er geen contact is tussen de kinderen en de moeder, omdat dit tot problemen kan leiden in hun identiteitsontwikkeling, is de kinderrechter van oordeel dat thans niet langer sprake is van een zodanig ernstige ontwikkelingsbedreiging dat daarvoor hulp in het gedwongen kader noodzakelijk is. De kinderrechter ziet geen grond om aan te nemen dat hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend zal zijn, mede gelet op de verklaringen van de ouders dat zij openstaan voor hulpverlening.

4.4

BJZ kan zich blijkens het beroepschrift en de daarop ter zitting gegeven toelichting niet vinden in de beoordeling van de kinderrechter, hiervóór samengevat weergegeven. Daartoe heeft BJZ in het beroepschrift zijn visie gegeven op (het ontbreken van) de omgang tussen de kinderen en de moeder, de gebrekkige medewerking en houding van de vader in deze, de ingezette hulpverlening en het rapport van de deskundige [H]. BJZ heeft met name zorgen over de emotionele ontwikkeling van [F] en [G] door het ontbreken van contact met de moeder. De kinderen hebben een negatief beeld van de moeder en door het ontbreken van contact met de moeder kan dat negatieve beeld niet worden bijgesteld. BJZ vindt dat een bedreiging voor hun identiteitsontwikkeling en acht het zeer onwaarschijnlijk dat contactherstel in een vrijwillig kader zal plaatsvinden.

4.5

De vader en de moeder scharen zich, kort gezegd, achter de bestreden beschikking en achter het rapport van de deskundige (NIFP) dat aan de basis van die beschikking ligt. Zij benadrukken ieder afzonderlijk dat de kinderen zich goed ontwikkelen in de thuissituatie bij de vader, dat BJZ een negatieve rol heeft gespeeld, althans geen verbetering heeft gebracht en dat de kinderen nu vooral behoefte hebben aan rust. De ouders hebben zich daarbij nogmaals bereid verklaard om zelf hulp in te schakelen.

4.6

Het hof stelt met partijen vast dat het definitieve NIFP-rapport inmiddels in hoger beroep beschikbaar is en dat de inhoud daarvan op hoofdlijnen overeenkomt met hetgeen de kinderrechter voor ogen stond op basis van de door partijen daarover in eerste aanleg verstrekte inlichtingen. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (onafhankelijke) deskundige [H] of de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De methode van onderzoek, de tijdens het onderzoek verkregen inlichtingen en de daaraan verbonden conclusies zijn in dit verband helder en niet onbegrijpelijk weergegeven in het rapport. De kritische kanttekeningen die door BJZ in het beroepschrift bij het rapport zijn geplaatst leiden niet tot een ander oordeel. Overigens is namens BJZ ter zitting opgemerkt dat het rapport van de deskundige "inderdaad een volledig en juist beeld" geeft.

4.7

Het hof stelt verder vast dat BJZ geen zorgen heeft over de cognitieve en sociale ontwikkeling van de kinderen bij de vader en dat, blijkens de toelichting van BJZ, evenmin zorgen bestaan over de basale zorg die de kinderen in de thuissituatie bij de vader krijgen. Het hof voegt hieraan toe dat uit de beschikbare gegevens evenmin kan worden afgeleid dat de pedagogische vaardigheden van de vader tekortschieten. Het hof begrijpt dat BJZ zich vooral zorgen maakt over de emotionele ontwikkeling van de kinderen door het ontbreken van contact met de moeder. Er kan volgens BJZ gesproken worden van een reflexmatige steun van de kinderen aan de thuiswonende ouder en oudervervreemding. Uit onderzoek blijkt volgens BJZ dat in het algemeen kinderen die vervreemd zijn van hun moeder een zeer sterk gevoel van eigenwaarde hebben en meer geneigd zijn tot narcisme in tegenstelling tot kinderen die vervreemd zijn van hun vader (Johnston et al. 2005).

4.8

Overwogen wordt door het hof dat volgens vaste jurisprudentie het enkele ontbreken van contact tussen een kind en zijn of haar ouder op zichzelf onvoldoende grond vormt voor ondertoezichtstelling. De enkele kans dat het ontbreken van contact met een van de ouders, in dit geval de moeder, voor de minderjarige nadelig of schadelijk zal kunnen zijn, biedt onvoldoende basis voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige. Hoewel het in het algemeen voor een goede ontwikkeling van een kind wenselijk is dat het omgang heeft met beide ouders en het ontbreken van die mogelijkheid kan meebrengen dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, wil dit niet zeggen dat steeds wanneer de mogelijkheid tot omgang ontbreekt, daarvan sprake is. Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee dat een dergelijke bedreiging eerst dient te worden aangenomen wanneer in de actuele situatie van de minderjarige concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden.

4.9

Dergelijke concrete aanwijzingen zijn in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof niet gebleken. Uit de beschikbare gegevens blijkt daarentegen dat de kinderen zich goed ontwikkelen bij de vader. Dat het ontbreken van contact tussen de kinderen en de moeder in de toekomst mogelijk tot problemen gaat leiden is, zoals gezegd, onvoldoende (concreet) om de maatregel van ondertoezichtstelling op te leggen c.q. te verlengen.

4.10

Het hof acht voorts van belang dat de ondertoezichtstelling niet het gewenste effect heeft gehad en er zelfs aanwijzingen zijn dat de inzet van BJZ de verhoudingen nog meer op scherp heeft gezet en dus een averechts effect heeft gehad.

4.11

Alle betrokkenen zijn het er in dit verband over eens dat het contactherstel tussen de kinderen en de moeder uiterst zorgvuldig dient te worden opgebouwd en dat de pogingen die in dit kader door BJZ zijn ondernomen, zijn mislukt. De moeder is niettemin nog steeds bereid overal aan mee te werken. Door het rapport van de deskundige heeft zij meer begrip gekregen voor de situatie van de kinderen en zij wil geen druk op hen leggen uit angst dat zij verkeerd begrepen wordt. Om die reden vindt de moeder het ook moeilijk om stappen te zetten, zoals het schrijven van een brief aan de kinderen. De moeder is bang verkeerd begrepen te worden en wil graag begeleiding hierbij voor zichzelf en de kinderen. Ook de vader heeft aangegeven dat hij openstaat voor hulp in het kader van het contactherstel tussen de kinderen en de moeder. Ter zitting van het hof is in dit verband gesproken over de mogelijkheid om [I] in te schakelen. De vader en de moeder staan daar open voor en BJZ heeft eveneens opgemerkt dat de inschakeling van [I] een goede stap zou zijn. De advocaten van de vader en de moeder hebben zich bereid verklaard de ouders hierin te begeleiden.

4.12

Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat de ouders een kans moet worden geboden om een en ander in een vrijwillig kader op te pakken. Voor zover BJZ geen vertrouwen heeft in een goede afloop daarvan overweegt het hof dat sinds het onderzoek van de deskundige sprake lijkt te zijn van een kentering. De ouders hebben door het onderzoek en de bevindingen van de deskundige meer begrip gekregen voor elkaar en de situatie van de kinderen en zij zien beiden het belang van het hier bedoelde contactherstel en de noodzaak van professionele begeleiding daarbij. Voorts hebben de advocaten van de ouders aangegeven over de nu ontstane situatie met elkaar in overleg te treden en is gebleken dat de bemoeienis van BJZ tot nu toe niet het gewenste effect heeft gesorteerd. Alles afwegende is het hof dan ook met de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van BJZ om verlenging van de ondertoezichtstelling van [F] en [G] moet worden afgewezen.

4.13

Aangezien ook overigens niets is aangevoerd dat tot een andere beslissing kan leiden, betekent het voorgaande dat het hoger beroep van BJZ faalt.

4.14

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 juni 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. I.A. Vermeulen en mr. H.J. de Ruijter en is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014 in bijzijn van de griffier.