Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8543

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
200.155.718-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.718/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/135022/ FJ RK 14-611)

beschikking van de familiekamer van 4 november 2014

inzake

[verzoekster],

verblijvende in behandelcentrum [A] te [B],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. A.A. Scholtmeijer, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2. [moeder],

wonende te [C],

hierna te noemen: de moeder,

3. [vader],

wonende te [C],

hierna te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 september 2014, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en te bepalen dat de bij die beschikking verleende machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met onmiddellijke ingang eindigt. Mr. Scholtmeijer heeft ter zitting van het hof namens [verzoekster] het verzoek gewijzigd, in die zin dat beëindiging van de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt verzocht met ingang van januari 2015.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 september 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 september 2014 een journaalbericht van 16 september 2014 van mr. Scholtmeijer met bijlagen;

- op 18 september 2014 een journaalbericht van 17 september 2014 van mr. Scholtmeijer met bijlage.

2.4

Op 23 september 2014 is [verzoekster] verschenen die, voorafgaand aan de zitting, buiten aanwezigheid van BJZ door het hof is gehoord. Mr. Scholtmeijer was hierbij aanwezig.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 23 september 2014 plaatsgevonden.

Verschenen zijn [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw [D], mevrouw [E] en mr. [F] namens BJZ. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is er namens de raad niemand verschenen en zijn ook de ouders van [verzoekster] niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder zijn tien kinderen geboren, waaronder [verzoekster] [in] 1998 te [G] (Zaïre). De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over [verzoekster].

3.2

[verzoekster] is op 10 juni 2011 voor het eerst onder toezicht gesteld, waarna de ondertoezichtstelling telkens is verlengd, laatstelijk tot 10 juni 2014.

Nadat de lopende ondertoezichtstelling niet tijdig is verlengd, is [verzoekster] bij mondelinge beslissing op 10 juni 2014, welke schriftelijk is bevestigd op 11 juni 2014, voorlopig onder toezicht van BJZ gesteld, waarna zij bij beschikking van 27 juni 2014 met ingang van diezelfde datum tot 10 juni 2015 (opnieuw) onder toezicht is gesteld van BJZ.

3.3

[verzoekster] verblijft, nadat zij - in eerste instantie op vrijwillige basis en later op grond
van een rechterlijke machtiging op een gesloten groep - vanaf 25 februari 2011 bij [H] verbleef, sinds 2 mei 2012 in een gesloten accommodatie van de [A].
De kinderrechter heeft met ingang van 10 juni 2013 tot 10 december 2013 een machtiging tot plaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend, welke machtiging bij beschikking van de kinderrechter van 4 december 2013 is verlengd tot 10 juni 2014. Nadat de lopende machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg niet tijdig is verlengd, heeft de kinderrechter bij mondelinge beslissing op 10 juni 2014, welke schriftelijk is bevestigd op 11 juni 2014, met ingang van 10 juni 2014 (opnieuw) een (voorlopige) machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken, onder aanhouding van verdere beslissingen.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift van 11 juni 2014 verzoekt de raad de rechtbank, voor zover hier van belang, BJZ te machtigen om [verzoekster] voor de duur van maximaal 4 weken in
een instelling voor gesloten jeugdzorg te plaatsen. Ter zitting bij de rechtbank op 20 juni 2014 heeft de raad zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat verzocht wordt een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg toe te wijzen voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 10 juni 2015.

3.5

Bij de bestreden beschikking van 27 juni 2014 heeft de kinderrechter (opnieuw) een machtiging verleend tot plaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg vanaf 27 juni 2014 tot 10 juni 2015.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 29a Wet op de jeugdzorg (hierna te noemen: WJZ) is [verzoekster] ontvankelijk in haar hoger beroep.

4.2

Ingevolge artikel 29b lid 1 WJZ kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k WJZ, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 WJZ kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.3

Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren
en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.4

Ingevolge artikel 29b lid 4 WJZ kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. In het onderhavige geval is aan deze voorwaarden voldaan, blijkens het tot de stukken behorende indicatiebesluit en instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper mevrouw [I], Gz-psycholoog en Orthopedagoog, van

6 mei 2014.

4.5

[verzoekster] kan zich met de beschikking van de rechtbank niet verenigen. Zij voert - kort gezegd - aan dat haar opgroei- en opvoedingsproblemen inmiddels niet meer zo ernstig zijn dat deze op dit moment een verdere gesloten plaatsing rechtvaardigen. Volgens [verzoekster] heeft zij zich de afgelopen periode goed gedragen. Daarnaast vindt [verzoekster] dat de zorg die zij nodig heeft haar niet wordt geboden bij [A], waardoor haar problemen niet worden verholpen, maar eerder erger worden. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij beter ambulant behandeld kan worden voor haar (psychiatrische) problematiek. Ten slotte stelt [verzoekster] dat zij thuis bij haar ouders terecht kan en dat haar vader dit standpunt met haar deelt.

4.6

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan [verzoekster] aanvoert, de gronden voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg nog steeds aanwezig zijn.
Bij beschikking van 27 juni 2014 heeft de kinderrechter geoordeeld dat bij [verzoekster] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoekster] zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Het hof volgt [verzoekster] niet voor zover zij stelt dat haar opgroei- en opvoedingsproblemen inmiddels niet meer zo ernstig zijn en dat zij zich in de afgelopen periode beter heeft gedragen. Bij herhaling is sprake van risicovolle contacten en drugsgebruik zodra sprake is van uitbreiding van verloven. [verzoekster] laat geenszins zien dat zij om kan gaan met die vrijheden. Met de raad en BJZ is het hof van oordeel dat door de vele incidenten, die zich ook recent op onder meer 14 juli, 13 september en 16 september jongstleden hebben voorgedaan, onbegeleide verloven te risicovol zijn. [verzoekster] is te kwetsbaar op het gebied van haar stemming, middelengebruik en seksuele weerbaarheid.
Ook thuisplaatsing is om die reden niet aan de orde. Het hof maakt zich er grote zorgen over dat [verzoekster] bij herhaling onbeschermde contacten met verschillende mannen heeft en gebleken is dat zij (bewust) geen anticonceptiemiddelen gebruikt. Nu [verzoekster] zichzelf op persoonlijk en seksueel vlak bij herhaling in gevaar brengt, is het naar het oordeel van het hof van groot belang dat zij tegen zichzelf in bescherming wordt genomen. Er zou in verband met het psychotische toestandsbeeld van [verzoekster] en het vermoeden van schizofrenie (tevens) een psychiatrische behandeling bij een GGZ-instelling moeten plaatsvinden.
Echter, door het gedrag van [verzoekster] kan zij op dit moment niet worden opgenomen in een GGZ-instelling, zo heeft BJZ ter zitting van het hof naar voren gebracht, omdat de primaire problematiek van [verzoekster] gedragsproblematiek betreft. Het hof is, met BJZ, van oordeel dat hulpverlening in een gesloten setting noodzakelijk is om (in eerste instantie) het gedrag van [verzoekster] te stabiliseren, zodat daarna kan worden toegewerkt naar een opname dan wel behandeling in een GGZ-instelling in verband met haar psychiatrische problematiek. Mogelijk zij het zo dat er wat betreft het gedrag van [verzoekster], zoals zij zelf aanvoert, geen verbetering zal plaatsvinden zolang zij op de [A] verblijft. Echter, vanwege de ernstige en voortdurende gedragsproblematiek van [verzoekster] is er - om haar eigen veiligheid zo goed mogelijk te kunnen bewaken - geen ander alternatief. Aan [verzoekster] zijn keer op keer kansen geboden om positief gedrag te laten zien, alle tevergeefs. Het ligt op de weg van [verzoekster] om eerst haar gedrag te verbeteren. Het hof acht het in dit kader van belang dat [verzoekster] de traumabehandeling die zij recentelijk op de [A] is gestart, afmaakt.

4.7

Het hof is, alles overwegende, van oordeel dat bij [verzoekster] nog immer sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid
ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om
te voorkomen dat [verzoekster] zich aan de zorg die zij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen en het verzoek om een beperking in de duur van de gesloten plaatsing afwijzen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 juni 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. P.J. Landman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 november 2014 in bijzijn van de griffier.