Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8469

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.158.347
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:6796, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBGEL:2014:6796;

bekrachtiging zesmaands publicatieverbod en terughaalgebod van het boek “De Ros-tapes”, waarin vrijwel alle getuigenverklaringen van kroongetuige Ros in de Passage-strafzaak zijn opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.158.347

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 272427)

Uitgewerkt arrest van de eerste kamer van 31 oktober 2014

in het kort geding (spoedappel) van

1 Hendrik-Jan Korterink,

wonende te Wezep, gemeente Oldebroek,

2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Just Publishers B.V.,

gevestigd te Meppel, en

3 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Veltman Distributie B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk: Korterink c.s.,

advocaat: mr. Y. Moszkowicz,

tegen:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Staat der Nederlanden (Het Openbaar Ministerie),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis,

2 [Dino S.],

thans verblijvende te [verblijfplaats], en

3 [Ali A.],

zonder bekende woon of verblijfplaats binnen Nederland,

wonende in [land],

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.W. Flokstra.

hierna gezamenlijk: de Staat c.s.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het proces-verbaal met daarin het mondeling vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2014, zoals nadien schriftelijk gemotiveerd in een uitgewerkt vonnis, gewezen tussen de Staat als eiser en de aan diens zijde gevoegde partijen [Dino S.] en [Ali A.] enerzijds en Korterink c.s. als gedaagden anderzijds. Het vonnis is gepubliceerd onder: ECLI:NL:RBGEL:2014:6796.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beide dagvaardingen in spoedappel d.d. 24 oktober 2014 met één grief,

- de memorie van eis,

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Staat met producties,

- een akte van depot door de Staat met een productie (het boek waar het om gaat),

- de memorie van antwoord van [Dino S.] en [Ali A.],

- de pleidooien op 30 oktober 2014 overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken (producties 2 tot en met 9) die mr. Moszkowicz bij twee e-mails van 29 oktober 2014 namens Korterink c.s. heeft ingebracht en waartegen de Staat c.s. desgevraagd geen bezwaar hebben gemaakt.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op het dossier van Korterink c.s.).

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij het hof Amsterdam is het hoger beroep in de Passage-strafzaak aanhangig. Deze strafzaak heeft betrekking op zeven moorden (liquidaties) en vijf pogingen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe. Als verdachten staan onder meer terecht: [Dino S.], [Ali A.] en Fred Ros (verder: Ros).

3.2

Nadat meer dan 200 getuigen in de Passage-strafzaak waren gehoord, heeft de rechtbank [Dino S.] en [Ali A.] vrijgesproken van betrokkenheid bij opdracht tot levensdelicten, maar Ros wegens opdrachten tot moord, onder meer op Thomas van der Bijl, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 jaar.

3.3

Tijdens het hoger beroep heeft Ros omvangrijke en gedetailleerde getuigenverklaringen afgelegd (zogenaamde kluisverklaringen) met een voor [Dino S.] en [Ali A.] belastende inhoud. De processen-verbaal daarvan beslaan enkele honderden pagina’s. Ten behoeve van Ros’ getuigenverklaring is een afspraak (overeenkomst) tot strafvermindering gemaakt als bedoeld in artikel 226g lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 10 september 2014 deze afspraak getoetst en rechtmatig gevonden. Deze processen-verbaal met alle kluisverklaringen heeft het Openbaar Ministerie, na de goedkeuring van de gemaakte afspraken door de rechter-commissaris, op de strafzitting van 12 september 2014 ter beschikking van het hof en de verdediging van alle verdachten gesteld met het, later herhaalde, verzoek aan procespartijen vertrouwelijk met die stukken om te gaan, ook in het belang van de waarheidsvinding.

3.4

Naar aanleiding hiervan heeft het hof Amsterdam in de Passage-strafzaak bij uitspraak van 30 september 2014 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2014:4008) onder meer overwogen:

”Met betrekking tot de aard van de stukken heeft als uitgangspunt – gelet op de door de advocaten-generaal gegeven toelichting – te gelden dát er een afspraak met <tweede kroongetuige> tot stand is gekomen en dát hij in dit verband (kluis)verklaringen heeft afgelegd. Deze verklaringen gaan – zo volgt eveneens uit de toelichting door de advocaten-generaal – over onderwerpen die verband houden met de tenlastelegging in alle zaken. In enkele gevallen is dit verband direct, in alle andere gevallen indirect, bijvoorbeeld waar, zoals door zowel raadslieden als de advocaat-generaal met meer of minder nadruk gesteld, de waardering van de verklaringen van de getuige <eerste kroongetuige> aan de orde is.

Relevantie voor de waarheidsvinding kan deze nieuwe stukken derhalve bezwaarlijk worden ontzegd. Zo bezien dient zelfs een gehoudenheid van het openbaar ministerie te worden aangenomen om de bedoelde stukken aan de zittingsrechter te overleggen. Anders gezegd: gegeven het rechtstreekse belang dat partijen aan de betreffende stukken toekennen zou niet overleggen van die nieuwe bescheiden door de advocaat-generaal in strijd komen met beginselen van een behoorlijke procesorde.”

3.5

De verklaringen van Ros zijn van belang voor de waarheidsvinding in de Passage-strafzaak alsook in opsporingsonderzoek in de zaken Viool (liquidaties van Cor van Hout en Robert ter Haak) en Warande (liquidatie van Nedim Imaç) en naar betrokkenheid van [Willem H.] en anderen bij verschillende (pogingen tot) moorden en deelname aan een criminele organisatie met (onder meer) dat oogmerk.

3.6

Op de strafzitting van 10 oktober 2014 heeft het Openbaar Ministerie een schriftelijke toelichting (productie 2 bij inleidende dagvaarding) gegeven en, na constatering dat er verschillen bestaan tussen de verklaringen van kroongetuige Ros en anderen, onder wie kroongetuige [Peter La S.], aangekondigd dat in de komende maanden veel tijd en energie gestoken zal worden in diverse onderzoeken, namelijk verificatie/falsificatie-onderzoek naar aanleiding van de getuigenverklaringen van Ros en opsporingsonderzoeken als bedoeld in artikel 132a Sv in de zaken Viool, Warande en naar strafbare gedragingen door [Willem H.].

Aan het eind van deze toelichting heeft het Openbaar Ministerie een planning van het Passage hoger beroep voorgelegd:

“27 en 28 oktober 2014 regieverzoeken

4 en 6 november 2014 reacties verdediging en OM

1 december 2014 streefdatum afronding verificatieonderzoek (vzv het gaat om opdrachten die nu zijn uitgezet)

november/december 2014 verhoren van Ros (wat het OM betreft ttz)

1e helft 2015 verhoren getuigen ttz en/of bij (gedelegeerd) R(H)C

2e helft 2015 behandeling feiten, verhoor verdachten als getuigen in elkaars zaak en als verdachte in eigen zaak

november/december 2015 requisitoir

januari 2016 pleidooien

februari 2016 repliek, dupliek, laatste woord”.

3.7

Inmiddels heeft het gerechtshof Amsterdam bepaald dat op 4 en 6 november 2014 ter zitting inleidende verhoren zullen plaatsvinden van getuige Ros, waarna op 15, 16, 18 en 19 december 2014 een regiezitting zal plaatsvinden en dat pas in een later stadium getuigenverhoren van Ros door het Openbaar Ministerie en de verdediging zullen kunnen plaatsvinden.

3.8

Misdaadjournalist Korterink is auteur van het boek “De Ros-tapes” met als ondertitel “De verklaringen van moordmakelaar Fred Ros” (verder: het boek). Dit wordt gepubliceerd door Just Publishers en gedistribueerd door Veltman Distributie. Hun bedoeling was dat het op 22 oktober 2014 voor het publiek beschikbaar zou komen (voor € 18,95). Het boek geeft, naast 16 pagina’s aan foto’s, in 272 pagina’s tekst vrijwel alle processen-verbaal van de getuigenverklaringen van kroongetuige Ros letterlijk en volledig weer, tot in elk detail, gevolgd door de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en Ros als bedoeld in rov. 3.3. Voor ongeveer 5% bevat het op verspreide plaatsen in cursief een eigen korte uitleg van Korterink over personen, plaatsen en samenhang. Het boek is aangekondigd op de websites van onder meer Korterink en Just Publishers in diverse nieuwsmedia.

De achterkaft van het boek vermeldt:

“September 2014. Het bericht dat Fred Ros de nieuwe kroongetuige wordt in het Passageproces doet een siddering door de Nederlandse onderwereld gaan. Want als er iemand is die weet hoe de hazen lopen, is het Fred Ros.

Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink volgde de criminele carrière van Ros op de voet. Zag hoe iemand die niet ‘van nature’ in het milieu thuishoorde, zich hierin een weg baande. Zag wie zijn vrienden en vijanden waren. Sprak met hem in de gevangenis. En las zijn verbijsterende verklaringen over het hoe en waarom van tal van liquidaties in de Nederlandse onderwereld.

Fred Ros toonde zijn ware gezicht toen hij als ‘moordmakelaar’ werd ontmaskerd. Een groot deel van zijn verklaringen gaat over de liquidatie van Heinekenontvoerder Cor van Hout. Ros geeft antwoord op (bijna) alle vragen die er nog waren. Het hoe en waarom, alle schokkende details.

De verdachten en advocaten in het Passageproces lazen de verklaringen van Ros. Zijn woorden zullen in tal van zittingen worden aangehaald, misbruikt, aangevallen en verworpen. In dit boek kan de lezer zelf constateren wat Ros heeft verklaard en zijn eigen oordeel vormen.”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Naar aanleiding van de, vermeerderde, vorderingen van de Staat tot een publicatieverbod en terughaalgebod van het boek voor de duur van het strafproces in hoger beroep, waarbij [Dino S.] en [Ali A.] zich aan de zijde van de Staat hebben gevoegd, heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 21 oktober 2014, uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren:

-Korterink c.s. bevolen de beoogde publicatie van het boek “Moordmakelaar. De biecht van

Fred R.” gedurende zes maanden na de datum van het vonnis achterwege te laten, geheel of gedeeltelijk en in welke vorm dan ook, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000 door elk van de veroordeelden,

- Korterink c.s. veroordeeld alle aan de boekhandel uitgeleverde en door de boekhandel op 22 oktober 2014 te 09:00 uur niet aan klanten geleverde exemplaren terug te halen en bewijs daarvan aan de Staat aan te leveren, dat laatste binnen één maand na de datum van het vonnis, waarbij onder boekhandel ook worden begrepen het Centraal Boekhuis alsmede internetboekhandels als Bol.Com en Amazone.com, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 per exemplaar, met een maximum van € 50.000,

- en tenslotte Korterink c.s. veroordeeld in de proceskosten, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.2

Korterink c.s. keren zich met hun enige grief in het principaal appel tegen de veroordelingen. De Staat richt zijn enige grief in het incidenteel appel tegen de beperking van de duur van het publicatieverbod tot zes maanden.

4.3

Naar aanleiding hiervan oordeelt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 6 in verband met artikel 1 van het EVRM dient naast de rechter, ook de Staat, waaronder het Openbaar Ministerie, de rechten van verdachten, zoals onder meer [Dino S.] en [Ali A.] in het Passage-strafproces, op een eerlijke behandeling van hun zaak te verzekeren. Zo heeft een verdachte onder meer het recht de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. Verdachten hebben het recht om de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen te toetsen. Op de Staat rust de verplichting effectieve maatregelen te nemen om die rechten te realiseren, dus ook om de verdachten, zo goed als redelijkerwijs mogelijk, in de gelegenheid te stellen de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te onderzoeken. Op grond van het beginsel van equality of arms was het Openbaar Ministerie, zoals de strafrechter heeft geoordeeld (zie rov. 3.4), verplicht om de pas gedurende het hoger beroep opgemaakte processen-verbaal met getuigenverklaringen van Ros aan de zittingsrechter en de verdediging over te leggen. Dit heeft het Openbaar Ministerie gedaan. Zowel het Openbaar Ministerie als diverse verdachten, onder wie [Dino S.] en [Ali A.], waren en zijn van mening dat nader (verificatie- en/of falsificatie-)onderzoek noodzakelijk is ter beoordeling van de betrouwbaarheid van deze pas tijdens het hoger beroep door Ros afgelegde getuigenverklaringen. Daartoe zal onder leiding van de advocaten-generaal politieonderzoek plaatsvinden en zullen getuigen, eventueel nader, moeten worden gehoord.

4.4

Door deze gang van zaken waren Ros’ getuigenverklaringen nog niet openbaar in de zin van beschikbaar voor het publiek. Vermoedelijk via een lek heeft Korterink de beschikking over deze processen-verbaal verkregen. Hij wil deze in zijn boek integraal publiceren, waartoe hij zich beroept op de vrijheid van meningsuiting.

4.5

Hierover oordeelt het hof als volgt en oriënteert zich daarbij onder meer op EHRM 7 juni 2007 Dupuis c.s./Frankrijk (Application no. 1914/02), EHRM 23 oktober 2008 Godlevskiy/Rusland (Application no. 14888/03) en EHRM 1 juli 2014 A.B./Zwitserland (Application no. 56925/08).

4.6

De in de artikelen 7 van de Grondwet en 10 lid 1 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting vormt een van de essentiële grondslagen van een democratische samenleving. De waarborgen die daarvoor aan de pers moeten worden gegeven zijn daarom van bijzonder belang. De pers speelt immers een essentiële rol in een democratische samenleving. Het is namelijk haar taak om informatie, meningen, inlichtingen en denkbeelden etc. over allerlei zaken van openbaar belang uit te dragen. Het publiek heeft het recht daarvan kennis te nemen. Het publiek heeft zeker ook het recht om door de media te worden geïnformeerd over de wijze waarop de strafrechtspleging functioneert.

4.7

De uitoefening van deze vrijheden brengt plichten en verantwoordelijkheden met zich, aldus artikel 10 lid 2 EVRM. Zo moeten journalisten wel de waarborgen van artikel 6 van het EVRM voor verdachten in een strafproces in gedachte houden bij hun commentaar op aanhangige strafprocessen en mogen de grenzen van hun toelaatbare commentaar zich niet uitbreiden tot verklaringen die, bedoeld of onbedoeld, geschikt zijn om de kansen van een verdachte op een eerlijk proces te schaden.

4.8

Daarom kan de vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM worden onderworpen aan onder meer beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van het leven en de gezondheid, de bescherming van de rechten van anderen en om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen.

4.9

Anders dan Korterink c.s. aanvoeren, is wel voldaan aan het hiervoor vermelde vereiste dat de beperking is voorzien bij de wet. Onder verwijzing naar HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416 en, van latere datum, EHRM 29 maart 2011 RTBF/België (Application no. 50084/06) wordt daartoe het volgende overwogen.

Het gevorderde vindt zijn grondslag in artikel 6:162 BW in verband met de artikelen 6 EVRM en 3:296 BW. Het is immers onrechtmatig om de door artikel 6 EVRM gewaarborgde kansen van een verdachte op een eerlijk proces te schaden. Zodanig handelen wordt door artikel 6:162 BW als onrechtmatig aangemerkt. Volgens de rechtspraak van het EHRM is voldoende dat het recht waarop de beperking berust voor de burger voldoende kenbaar is en dat de desbetreffende norm zodanig precies is geformuleerd dat de burger zijn gedrag erop kan afstemmen (vergelijk onder meer EHRM 20 november 1989, CEDH, Serie A, vol. 165, NJ 1991, 738 en EHRM 11 januari 2000, nr. 31457/96, NJ 2001, 74). Aan die eis is bij de toepassing van art. 6:162 BW, gezien de rechtspraak over die bepaling, in verband met artikel 6 EVRM voldaan. Korterink, misdaadjournalist, had, desnoods met bijstand van een advocaat, redelijkerwijs behoren te voorzien en begrijpen dat hij met zijn publicatie van weliswaar ter strafzitting overgelegd maar nog vertrouwelijk en niet openbaar bewijsmateriaal de hierna getrokken grenzen zou overschrijden. In zijn kielzog geldt hetzelfde voor Just Publishers en Veltman Distributie, die in hoger beroep geen afzonderlijke argumenten hebben aangevoerd waarom voor hen anders zou gelden.

Het voorgaande is niet anders indien het gaat om een verbod in kort geding. Bovendien kan in gevallen als het onderhavige van een effectieve rechtsbescherming veelal slechts sprake zijn indien de voorgenomen onrechtmatige gedraging in kort geding wordt verboden.

4.10

Het onderzoek omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van Ros zal niet alleen betrekking hebben op de grote lijn, maar vooral op de details (bij de vragen wie, wat, waar en wanneer?), waarbij minutieus dient te worden onderzocht of deze getuigenverklaringen al dan niet steun vinden in of afwijken van getuigenverklaringen van anderen of ander bewijsmateriaal. Deze strafrechtelijke waarheidsvinding zal, naar aannemelijk is, ernstig in gevaar komen wanneer de potentiële getuigen in de gelegenheid zouden zijn om vóór hun verhoor en de daarin noodzakelijkerwijs te verwachten confrontaties, kennis te nemen van de integrale tekst van de getuigenverklaringen van Ros. De enkele lezing daarvan kan reeds tot gevolg hebben dat oude herinneringen worden overschreven door Ros’ getuigenverklaringen, waardoor het risico ontstaat dat de getuigen nadien niet goed meer weten hoe de precieze toedracht is geweest en hoe de details waren, zodat zij hun onbevangenheid en redenen van wetenschap dreigen te verliezen. Maar het is ook mogelijk dat bepaalde getuigen Ros’ getuigenverklaringen, meer of minder welbewust, zullen inlezen of instuderen om daarop voort te bouwen dan wel zich daartegen af te zetten. Dit betreft allemaal effecten waardoor de betrouwbaarheid van hun getuigenverklaringen zal afnemen. Normaal kunnen in de loop van een strafrechtelijk onderzoek maatregelen worden genomen om de diverse vormen van beïnvloeding tot collusie toe, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, zoveel mogelijk te voorkomen. Naarmate het strafrechtelijk onderzoek echter voortschrijdt (van politieonderzoek via gerechtelijk vooronderzoek tot onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en vervolgens in hoger beroep) nemen deze mogelijkheden zienderogen af. Doordat Ros zijn getuigenverklaringen pas tijdens het hoger beroep heeft afgelegd en het Openbaar Ministerie de processen-verbaal daarvan, na de inachtneming van de formaliteiten, vlot in het geding moest brengen, ontbreekt het hier aan onderzoek beschermende maatregelen. Door publicatie van het boek met de integrale getuigenverklaringen van Ros dreigt naar het voorlopig oordeel van het hof een ernstige bemoeilijking en verstoring van de waarheidsvinding.

4.11

Deze bemoeilijking en verstoring van de waarheidsvinding in juist dit strafproces, dat betrekking heeft op een aanzienlijk aantal moorden en pogingen dan wel voorbereidingshandelingen daartoe, moet worden voorkomen. Het gaat immers om de bescherming van de rechten van de verdachten zoals [Dino S.] en [Ali A.], die recht hebben op een eerlijk proces en voldoende mogelijkheden moeten hebben om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van Ros te toetsen. Het is verder van belang dat de tenlastegelegde moorden, die de rechtsorde ernstig hebben geschokt, door waarheidsvinding worden opgelost en dat degenen die daarvoor verantwoordelijk blijken, worden gestraft. Daarvan gaat tevens een algemene preventie uit, hetgeen strekt tot bescherming van het leven en de gezondheid van de burgers. Ten slotte moet worden bedacht dat de processen-verbaal met de getuigenverklaringen van Ros thans vertrouwelijke documenten zijn en dat verspreiding ervan moet worden voorkomen.

4.12

Korterink c.s. hebben aangevoerd dat zij de maatschappelijke misstand aan de kaak willen stellen dat het Openbaar Ministerie een overeenkomst heeft gesloten met Ros, een persoon die door het Openbaar Ministerie is vervolgd wegens opdracht tot moorden, die daarvoor 30 jaar celstraf heeft gekregen en die in zijn zogenaamde kluisverklaringen getuigenverklaringen heeft afgelegd die haaks staan op hetgeen hij in eerste instantie heeft verklaard.

4.13

Naar het voorlopig oordeel van het hof blijkt echter niet dat het boek een maatschappelijke misstand aan de kaak stelt. Het bevat slechts, zonder inhoudelijk commentaar, de getuigenverklaringen van en de overeenkomst met Ros, meer niet. Het signaleert niets, althans nauwelijks iets, en bespreekt ook niet of en zo ja in welk opzicht politie en/of het Openbaar Ministerie (al was het maar) minder correct zou(den) hebben gehandeld.

4.14

Aan Korterink c.s. moet worden toegegeven dat de zaak nadat de getuigenverklaringen van Ros in het Passage-proces waren ingebracht, zeker (opnieuw) actueel is geworden en dat het ook van belang kan zijn om te publiceren dat deze verklaringen van Ros op belangrijke onderdelen haaks staan op hetgeen hij in eerste aanleg heeft verklaard.

4.15

Ondanks deze nieuwswaarde moet naar het oordeel van het hof een tijdelijke bescherming van het onderzoek rond deze vertrouwelijke stukken thans nog zwaarder wegen.

Het gevorderde is voorshands dringend noodzakelijk in een democratische samenleving, de beperking is op relevante en voldoende gronden gebaseerd en is ten slotte proportioneel ten opzichte van het nagestreefde wettige doel. Het gaat immers om de bescherming van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces wegens verdenking van betrokkenheid bij moorden. De beperking is in omvang passend. Een en ander staat er niet aan in de weg dat Korterink, evenals andere journalisten, in eigen woorden verslag doet van de ontwikkelingen in de strafzaak, zij het zonder integrale publicatie van de kluisverklaringen voor zover die niet ter openbare terechtzitting voor het publiek kenbaar zijn gemaakt.

4.16

Korterink c.s. hebben aangevoerd dat een tiental exemplaren digitaal verspreid is onder journalisten voor het schrijven van recensies en zij hebben gesteld dat de gedetailleerde inhoud van de getuigenverklaringen van Ros door eerdere publicaties (van Panorama, NRC, De Telegraaf en Vrij Nederland) al op straat ligt, zodat een publicatieverbod niet op zijn plaats is.

4.17

Er bestaan naar het oordeel van het hof echter thans geen aanwijzingen dat anderen dan Korterink reeds tot volledige publicatie inclusief alle details zijn overgegaan of zullen overgaan. Aan Korterink c.s. moet worden toegegeven dat in diverse tijdschriften al fragmenten uit Ros’ getuigenverklaringen inclusief details zijn gepubliceerd, maar dit is iets anders dan dat potentiële of opgeroepen getuigen tot de door Korterink op zijn website www.misdaadjournalist.nl aanbevolen complete lezing zouden overgaan. Het maakt immers nogal een verschil of een potentiële getuige gemakkelijk een boek met daarin de integrale en gedetailleerde getuigenverklaringen van Ros kan lezen dan wel zich met moeite zou moeten voorzien van een weergave van een deel van die verklaringen in een verzameling uit diverse bronnen van commentaren en fragmenten. Dit laatste zal zich wel niet snel voordoen en zal dan in ieder geval geen volledig beeld geven.

4.18

Wat betreft de duur van de voorziening heeft de voorzieningenrechter het publicatieverbod gebonden aan een termijn van zes maanden. Korterink c.s. hebben deze duur op zichzelf niet aangevochten, maar de Staat in incidenteel appel wel.

4.19

Voorshands oordeelt het hof de duur van zes maanden passend. Gaandeweg zullen meer details uit de getuigenverklaringen van Ros bekend worden door verslagen van de getuigenverhoren van Ros en van anderen op de terechtzittingen van de Passage-strafzaak en door de artikelen die daaromheen zullen worden gepubliceerd. Naarmate de tijd verstrijkt, zal daardoor het onderzoeksbelang afnemen en dit op enig moment niet langer voldoende zijn om integrale publicatie tegen te gaan. Met de voorzieningenrechter gaat het hof voorlopig uit van zes maanden. Anders dan Korterink c.s. menen, valt van het inleidende getuigenverhoor van Ros door het hof Amsterdam op de openbare strafzitting van 4 en 6 november 2014 niet te verwachten dat dit dieper zal graven dan op hoofdlijnen. Het is onaannemelijk dat dan reeds zijn gehele getuigenverklaring inclusief alle details aan de orde zal kunnen komen. Hierbij moet worden bedacht dat de andere kroongetuige [Peter La S.] eerder al tientallen dagen als getuige op de zitting is ondervraagd.

Naar aanleiding van rov. 4.28 van het bestreden vonnis merkt het hof in dit verband nog op dat het de Staat c.s. inderdaad vrijstaat om, zo nodig, een verlenging van het publicatieverbod te vorderen, evenals het Korterink c.s. vrijstaat, indien nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, een verkorting van de duur van het verbod te vragen.

4.20

Volgens Korterink c.s. is het feitelijk niet meer mogelijk om aan het vonnis te voldoen nu exemplaren van het boek (in circa 50.000 dozen) reeds zijn uitgeleverd aan diverse verspreidingspunten c.q. winkels. Het zou onmogelijk zijn te controleren waar deze boeken zijn heen gegaan. Daartegenover heeft de Staat echter aangevoerd dat het boek niet in de boekhandel verkrijgbaar is en dat ook onder meer Bol.com het boek uit zijn digitale schappen heeft verwijderd, zodat Korterink c.s. wel in staat gebleken zijn de verkoop van het boek tegen te houden.

Het hof deelt deze laatste opvatting.

4.21

Terecht heeft de Staat verder aangevoerd dat de digitale verspreiding van een tiental exemplaren van het boek onder journalisten voor het schrijven van recensies heeft plaatsgevonden vóór het vonnis van de voorzieningenrechter, zodat die distributie op zichzelf niet tot het verbeuren van dwangsommen kan hebben geleid. Daarnaast kunnen Korterink c.s. contact opnemen met de personen aan wie zij het boek hebben geleverd en hen verbieden daaruit te publiceren. Indien en voor zover andere media al uit de kroongetuigenverklaringen van Ros hebben gepubliceerd, heeft Korterink geen dwangsommen verbeurd indien hij daarmee niets te maken had en publicatie niet heeft kunnen voorkomen. Naar overigens onweersproken vaststaat, heeft Panorama aan het Openbaar Ministerie toegezegd geen exemplaren van het boek te verdelen onder belangstellenden.

4.22

De belangenafweging wordt niet anders doordat Korterink voor het boek ruim € 20.000 zou hebben geïnvesteerd en het publicatieverbod voor Korterink c.s. als kleine zelfstandige ondernemers een aanzienlijke schadepost oplevert. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft Korterink verklaard dat hij niet verwachtte met het boek winst te maken. Deze belangen wegen niet op tegen een in tijdsduur beperkte opschorting van de publicatie omwille van de waarheidsvinding in het Passage-strafproces.

4.23

Korterink c.s. achten de opgelegde dwangsommen te hoog en apert onredelijk nu er sprake zou zijn van een resultaatsverplichting waaraan zij niet kunnen voldoen.

4.24

Hierover oordeelt het hof als volgt.

De voorzieningenrechter heeft Korterink c.s. bevolen alle aan de boekhandel uitgeleverde en door de boekhandel niet aan klanten geleverde exemplaren terug te halen.

Anders dan Korterink c.s. menen, betreft het hier geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting van Korterink c.s. Evenals de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat de bedragen van zowel de dwangsom met de daardoor beoogde prikkelende preventieve werking als het maximum in een redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de bedreigde belangen. Korterink c.s. hebben in het licht van de verkoopprijs van het boek van € 18,95 niet feitelijk onderbouwd waarom de dwangsommen te hoog zouden zijn. Anders dan Korterink c.s. aanvoeren, verbeuren zij niet zonder meer dwangsommen door publicaties door andere media van behoorlijk beperkte passages uit de verklaringen.

5 Slotsom

5.1

De grief in het principaal appel en die in het incidenteel appel falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zullen Korterink c.s. in de kosten van het principaal appel en zal de Staat in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld.

5.3

De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van de Staat zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704

- salaris advocaat € 2.682 (3 punten x appeltarief II)

totaal € 3.386.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5.4

De kosten voor de procedure in het principaal appel aan de zijde van [Dino S.] en [Ali A.] tezamen zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 308

- salaris advocaat € 2.682 (3 punten x appeltarief II)

totaal € 2.990.

5.5

De kosten voor de procedure in het incidenteel appel aan de zijde van Korterink c.s. zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 894 (1 punt x appeltarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding (spoedappel):

in het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 21 oktober 2014;

veroordeelt Korterink c.s. hoofdelijk in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 704 voor verschotten en op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Korterink c.s. hoofdelijk in de nakosten van de Staat, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval Korterink c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt Korterink c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Dino S.] en [Ali A.] tezamen vastgesteld op € 308 voor verschotten en op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de Staat in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Korterink c.s. vastgesteld op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en F.J.P. Lock, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2014.