Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8467

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
200.155.329-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onbetaalde advocatendeclaraties. Incassovordering in kort geding. In eerste aanleg is de vordering afgewezen, onder meer vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter is spoedappel aangetekend. In hoger beroep oordeelt het hof dat de cliënt van de advocaat, wiens nota's hij gedeeltelijk niet heeft betaald, een opschortingsrecht toekomt. De vordering van de advocaat is hierdoor onvoldoende aannemelijk geworden. Bovendien heeft de advocaat ook in hoger beroep het spoedeisende belang onvoldoende onderbouwd. De stellingen dat Nederland zich in een economische crisis bevindt en dat het onredelijk zou zijn dat de advocaat een bodemprocedure zou moeten afwachten, oordeelt het hof daarvoor onvoldoende. Volgens het hof is evenmin prudent gebruik gemaakt van het instrument spoedappel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.329/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/149610 / KG-ZA 14-197)

arrest van de eerste kamer van 4 november 2014 in de zaak van:

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. N.G. van Breukelen, kantoorhoudend te Roden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.M. Tiddens, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 1 augustus 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 28 augustus 2014 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 1 augustus 2014. De conclusie van de appeldagvaarding (met producties), waarin de grieven zijn opgenomen, luidt:

"(...) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis in kort geding van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord- Nederland van 1 augustus 2014 (...) te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden:

I. [geïntimeerde] te veroordelen tot volledige medewerking, in de ruimste zin van het woord en op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dagdeel dat [geïntimeerde] niet aan deze veroordeling voldoet, om binnen 24 uur na het wijzen van het arrest in spoedappèl aan appellante [appellante] te betalen de openstaande facturen van 1 april, 1 mei, 21 mei, 2 juni en 1 juli 2014 tot een kostenmaximum van € 50.000,- volgens de rechtsbijstandverzekering van [geïntimeerde] bij DAS, te weten het bedrag van € 27.517,65 (kostenmaximum van € 50.000,— minus de door DAS betaalde facturen van € 22.482,35), en [geïntimeerde], al dan niet via haar rechtbijstandsverzekeraar DAS, tot deze betaling te veroordelen, te vermeerderen met de contractuele rente volgens artikel 6.1 van de algemene voorwaarden van [appellante] of wettelijke rente, of een bedrag U E.A. in goede justitie bepaalt;

II. [geïntimeerde] te veroordelen in de betaling van de facturen van [appellante], waaronder gedeeltelijk de factuur van 21 mei en de gehele factuur van 2 juni en 1 juli 2014, die het kostenmaximum van € 50.000,- overschrijden, te weten € 6.444,22, te vermeerderen met de contractuele rente of de wettelijke rente vanaf het moment van het in verzuim zijn volgens artikel 6.1 van de algemene voorwaarden van [appellante] tot en met het moment van gehele betaling, of een bedrag U E.A. in goede justitie bepaalt;

III. [geïntimeerde] te veroordelen in de door [appellante] geleden schade, te weten € 3.603,15 ( productie 24 van productie 25) en na dit overzicht ( productie 24 van productie 25) verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de contractuele rente, danwel wettelijke rente respectievelijk wettelijke handelsrente, of een bedrag U.E.A. in goede justitie bepaalt;

IV. [geïntimeerde] in de kosten van het griffierecht en van deze procedure en van de procedure in eerste aanleg te veroordelen, waaronder de werkelijk gemaakte proceskosten, te weten € 3.603,15 (productie 24 van productie 25) of een bedrag U.E.A. in goede justitie bepaalt."

2.2

[appellante] heeft van eis geconcludeerd conform de appeldagvaarding.

2.3

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"(...) het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 1 augustus 2014 (...) te bekrachtigen, met veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van appellante in de proceskosten."

2.4

Partijen hebben arrest gevraagd en daartoe de stukken overgelegd. Het hof zal de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het geding gebrachte producties buiten beschouwing laten, aangezien [appellante] hierop niet meer heeft kunnen reageren.

Uit hetgeen hierna volgt, zal blijken dat [geïntimeerde] hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De voorzieningenrechter heeft in onderdeel 2 van het vonnis van 1 augustus 2014 feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven aangevoerd en ook anderszins is niet van bezwaren gebleken. Deze feiten luiden, voor zover thans relevant, als volgt.

3.2

[geïntimeerde] heeft zich in augustus 2013 tot [appellante] gewend voor juridische bijstand. [geïntimeerde] heeft - via zijn vennootschap[B.V. A] - een rechtsbijstandverzekering bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam (hierna: DAS).

3.3

[appellante] heeft de opdracht van [geïntimeerde] schriftelijk bevestigd bij brieven van

7 en 8 augustus 2013. Bij brief van 3 september 2013 heeft DAS aan [appellante] bevestigd dat de verdere behandeling van de zaak van [geïntimeerde] aan [appellante] wordt uitbesteed en erop gewezen dat op dit dossier een kostenmaximum van € 50.000,- van toepassing is.

3.4

Bij brief van 9 mei 2014 heeft [appellante] een overzicht van facturen en betalingen doen toekomen aan [geïntimeerde], waarbij [appellante] onder meer het volgende meedeelt:

"(...) Jullie kunnen zien dat ten aanzien van het kostenmaximum nog € 1.187,97 resteert. In dit bedrag zijn de facturen van 1 april en 1 mei jl. meegenomen. Dit betekent dat het kostenmaximum bijna "op" is. Mede daarom ook ons uitdrukkelijk verzoek om zoveel mogelijk gebundeld per e-mail jullie opmerkingen door te geven en ons zo snel zoveel mogelijk stukken voor de akte van 21 mei a.s. aan te leveren.

(...)

In deze zaak lopen wij tegen een aantal onvoorziene omstandigheden aan: (...)

Door deze onvoorziene omstandigheden zorgt de redelijkheid en de billijkheid ervoor dat van ons kantoor niet gevergd kan worden dat wij zonder verdere betaling deze zaak voortzetten. Dit geldt ook voor de akte die op 21 mei a.s. genomen moet worden. Dit betekent concreet dat zodra DAS onze werkzaamheden niet betaalt, wij de facturen u zullen sturen. (...)"

3.5

[appellante] heeft zich op 2 juli 2014 aan de zaak van [geïntimeerde] onttrokken. Voor de juridische bijstand die [appellante] in het tijdvak van augustus 2013 tot 2 juli 2014 heeft verleend aan [geïntimeerde], heeft [appellante] in totaal € 56.444,22 gefactureerd. DAS heeft hiervan een bedrag van € 22.482,35 voldaan. Het resterende bedrag van € 33.961,87 is onbetaald gebleven.

3.6

In eerste aanleg heeft [appellante] [geïntimeerde] en DAS in rechte betrokken en gevorderd (samengevat) een (hoofdelijke) veroordeling van [geïntimeerde] en DAS tot betaling van de facturen tot het kostenmaximum van € 50.000,-, met nevenvorderingen.

3.7

In het bestreden vonnis van 1 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] verwezen in de proceskosten van [geïntimeerde] en DAS.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellante] heeft elf grieven ontwikkeld.

4.2

De grieven I, II, IV en X lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In deze grieven komt [appellante] op tegen de oordelen van de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van [appellante] ontbreekt, aan [geïntimeerde] een opschortingsrecht toekomt en de vorderingen van [appellante] niet in hoge mate aannemelijk zijn geworden.

4.3

De voorzieningenrechter heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat volgens vaste jurisprudentie bij de beoordeling van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is en de rechter niet alleen heeft te onderzoeken of de geldvordering voldoende aannemelijk is en of daarvoor ook een spoedeisend belang bestaat, maar ook bij de afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico heeft te betrekken, welk risico kan bijdragen tot weigering van de gevraagde voorziening. Aldus onder meer HR 29 maart 1985 (ECLI:NL:HR:1985:AG4992), HR 8 juli 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0665), HR 14 april 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA5519) en HR 28 mei 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP0263).

4.4

De voorzieningenrechter heeft de overeenkomst van opdracht tussen partijen aldus uitgelegd dat [appellante] zich jegens [geïntimeerde] heeft verbonden om hem voor een bedrag van maximaal € 50.000,- rechtsbijstand te verlenen in de gerechtelijke procedure tegen zijn broer, zowel in eerste aanleg als in een eventuele hoger beroeps- en cassatieprocedure. Tegen deze uitleg is niet opgekomen, zodat ook het hof van deze uitleg heeft uit te gaan. Bij brief van 9 mei 2014 heeft [appellante] [geïntimeerde] laten weten dat het maximum van € 50.000,- nagenoeg was bereikt en dat [appellante] aanspraak maakt op betaling van haar honorarium boven dat bedrag. [geïntimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat uit deze brief blijkt dat [appellante] de prijsafspraak niet wil nakomen, zodat [appellante] in haar verplichtingen uit de overeenkomst tekortschiet ten gevolge waarvan [geïntimeerde] zijn betalingsverplichting heeft opgeschort.

4.5

Op juli 2014 heeft [appellante] zich als advocaat van [geïntimeerde] onttrokken, sindsdien heeft [geïntimeerde] bijstand van een andere advocaat in de procedure met zijn broer die zich nog in de stand van eerste aanleg bevindt. Voorzover [geïntimeerde] nog enig bedrag aan [appellante] verschuldigd is, wenst [geïntimeerde] dat bedrag kennelijk te verrekenen met de schade die hij door de door hem gestelde tekortkoming van [appellante] lijdt.

4.6

De voorzieningenrechter heeft naar het hof voorshands voorkomt terecht overwogen dat onder deze omstandigheden [geïntimeerde] gerechtigd is zijn betalingsverplichting tegenover [appellante] op te schorten, waardoor in het kader van het kort geding de vordering van [appellante] niet voldoende aannemelijk is geworden.

4.7

Voorts heeft [appellante] ook in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat zij bij haar vordering (thans) een spoedeisend belang heeft in de hiervoor bedoelde zin. Volgens [appellante] is het een feit van algemene bekendheid dat Nederland verkeert in een economische crisis. Dit betekent dat [appellante] er voor haar continuïteit belang bij heeft dat de betalingen op korte termijn worden verricht, onverschillig of haar financiële situatie rooskleurig is of niet, aldus [appellante]. Sinds haar oprichting in 1977 is zij voor haar praktijk- en loonkosten geheel afhankelijk van de betaling van haar declaraties, zo stelt [appellante]. Aangezien een bodemprocedure een jaar of langer duurt is het onredelijk dat [appellante] zo lang op betaling van haar facturen zou moeten wachten, aldus tot zover [appellante].

4.8

Het hof overweegt dat zonder nadere toelichting niet valt te begrijpen waarom het volgens [appellante] voor de continuïteit van haar onderneming van belang is dat [geïntimeerde] het gevorderde bedrag spoedig betaalt. Een dergelijke toelichting ontbreekt. [appellante] heeft in het midden gelaten of haar financiële situatie rooskleurig is of niet. Ook overigens heeft [appellante] alleen gesteld, maar niet onderbouwd waarom zij de uitkomst van een bodemprocedure niet zou kunnen afwachten. Voor zover het al een feit van algemene bekendheid zou zijn dat Nederland in een economische crisis verkeert, betekent dat immers nog niet dat elke crediteur daarmee een zodanig spoedeisend belang bij voldoening van zijn vorderingen heeft dat een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.9

De grieven I, II, IV en X falen. Gelet hierop kunnen de overige grieven bij gebrek aan belang buiten bespreking blijven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.10

Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. Na afwijzing van haar vordering door de voorzieningenrechter heeft [appellante] spoedappel aangetekend bij het hof. Van een zaak die bij het hof wordt aangebracht als spoedappel, wordt in beginsel het spoedeisende karakter aangenomen. Uit de bepalingen van paragraaf 9.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) blijkt verder dat in een spoedappel korte termijnen worden gehandhaafd en dat het hof op de kortst mogelijke termijn uitspraak doet, gelijk ook in deze zaak is geschied. Een spoedappel krijgt derhalve voorrang op andere zaken die bij het hof aanhangig zijn en waarvoor een (veel) langere uitspraaktermijn geldt. Deze inrichting van het spoedappel is alleen houdbaar als de advocatuur dit uitsluitend in zaken met een daadwerkelijk spoedkarakter aanwendt. Naar 's hofs oordeel getuigt de onderhavige zaak niet van een zodanig prudent gebruik.

4.11

[appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De proceskosten zullen worden vastgesteld op € 308,- aan verschotten en op € 1.158,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (1 punt in tarief III).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2014;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op € 308,- aan verschotten en op € 1.158,- aan geliquideerd salaris van de advocaat en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 november 2014.