Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8394

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
200.152.473-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag van de moeder. Vader niet als belanghebbende aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.152.473/01

(zaaknummer rechtbank C/16/356509/FL RK 13-2604)

beschikking van de familiekamer van 28 oktober 2014

inzake

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Guman, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Lelystad,

kantoorhoudend te Lelystad,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudend te Lelystad,

hierna te noemen: BJZ,

2. familie [X],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de raad alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het oorspronkelijke verzoek ongegrond te verklaren of af te wijzen, kosten rechtens.

2.2

De raad, de vader ([de vader]), BJZ en de pleegouders hebben binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

Ter griffie van het hof is binnengekomen:

- op 25 augustus 2014 een brief van 22 augustus 2014 van de raad met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op vrijdag 10 oktober 2014 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door mr. A.E. Martinez Linnemann, advocaat te Amsterdam, kantoorgenoot van mr. Guman. Namens de raad is de heer [Y] verschenen. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw [Z]. De vader is uitgenodigd, maar niet ter zitting verschenen.

Mr. Martinez Linnemann heeft pleitnotities in het geding gebracht.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is geboren [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]) op [geboortedatum]. De vader heeft hem op 18 augustus 2011 erkend. De moeder is met het gezag over [minderjarige 1] belast.

3.2

Bij beschikking van 7 juni 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Lelystad [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld. Op 6 september 2011 is de definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken. Een dag na zijn geboorte, 16 augustus 2011, is [minderjarige 1] op basis van een rechterlijke machtiging uit huis geplaatst bij de pleegouders. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn telkens verlengd, laatstelijk tot 6 juni 2014.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Midden-Nederland op 8 november 2013, heeft de raad verzocht de moeder te ontheffen van het gezag over [minderjarige 1].

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige 1] en de pleegouders tot voogd benoemd. De moeder heeft tegen voornoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

3.5

De moeder is op 31 december 2013 bevallen van zoon [minderjarige 2]. [minderjarige 2] heeft dezelfde vader als [minderjarige 1].

4 De positie van de vader

4.1

Op grond van art. 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt in het familierecht onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

4.2

De vader is door de rechtbank weliswaar aangemerkt als belanghebbende, maar het hof merkt hem niet als zodanig aan, omdat hij geen gezag over [minderjarige 1] heeft en de ontheffing van de moeder uit het gezag niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder is van mening dat zij niet uit het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] moet worden ontheven. Ter zitting van het hof heeft de moeder te kennen gegeven dat haar hoger beroep zich niet (meer) richt tegen de benoeming van de pleegouders tot voogd. Die benoeming blijft dan ook verder onbesproken. Aan de orde is daarom enkel de vraag of de moeder uit het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] dient te worden ontheven.

5.2

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

5.3

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder - in dit geval de moeder - zich daartegen verzet. Ondanks het verzet van de moeder zal het hof ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW toch een ontheffing uitspreken, omdat er na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden. Dit betreft het zodanig opgroeien van de minderjarige [minderjarige 1], dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.4

Het hof stelt de belangen van het kind, in dit geval [minderjarige 1], voorop en acht ze zwaarwegend bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag.

5.5

[minderjarige 1] is verslaafd ter wereld gekomen, omdat de moeder drugs heeft gebruikt gedurende haar zwangerschap. [minderjarige 1] heeft daardoor een (zeer) moeilijke start gehad. Hij huilde veel, sliep moeilijk en hij was een moeilijke eter. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige 1] ook thans extra zorg nodig heeft omdat hij kampt met een zwakke gezondheid. Ook tijdens de zwangerschap van broertje [minderjarige 2] heeft de moeder drugs en alcohol gebruikt terwijl ze wist dat ze zwanger was. In haar hoger beroepschrift is namens de moeder gesteld dat de moeder geen drugs meer gebruikt. De moeder heeft ter zitting echter erkend dat ze af en toe nog softdrugs gebruikt.

5.6

De moeder heeft een belast verleden. Ze is op vijfjarige leeftijd uit huis geplaatst en heeft in verschillende pleeggezinnen en internaten verbleven. De moeder heeft sinds 2010 meer dan een jaar in de prostitutie gewerkt. De vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] was haar pooier.

Er is bij de moeder sprake van een cognitieve beperking en van een reactieve hechtingsstoornis. De situatie van de moeder is al langere tijd niet stabiel. Dagbesteding of studie zijn niet van de grond gekomen. De moeder heeft geen eigen woning maar verblijft thans met [minderjarige 2] in het [instantie] in [plaats]. Dat verblijf verloopt niet probleemloos. BJZ heeft aangegeven dat moeder erg haar best doet maar het voor haar moeilijk is om zich begeleidbaar op te stellen. De regels die gelden voor verlof worden door de moeder met voeten getreden en zij is dan ook niet bereikbaar. Het is voor [minderjarige 2] geen veilige situatie en daar vinden met de begeleiding van het [instantie] en de moeder gesprekken over plaats. Ter zitting van het hof heeft de moeder erkend dat ze afspraken nog steeds niet altijd nakomt. Het hof stelt dan ook vast dat het de moeder nog niet is gelukt om voldoende orde en stabiliteit aan te brengen in haar leven. De moeder heeft moeite richting te geven aan haar eigen leven, nog daargelaten dat van haar kind. Er zijn meerdere woon- en hulpverleningstrajecten met de moeder geprobeerd, maar ondanks haar goede bedoelingen (vooralsnog) zonder positief eindresultaat. Het is daarbij zorgelijk dat de moeder ook een lange periode de omgangsregeling met [minderjarige 1] niet is nagekomen.

5.7

De moeder heeft aangegeven dat de vader een belangrijke rol kan spelen in de opvoeding van [minderjarige 1] - en naar het hof begrijpt - haar kan helpen, omdat hij bekwaam is in het opvoeden van kinderen. Die stelling vindt evenwel geen steun in de stukken van het dossier of het verhandelde ter zitting. Voor zover bekend wonen de (andere) kinderen van de vader niet bij hem. Niet bestreden is dat de vader moeilijk bereikbaar is. Bovendien heeft hij nog recent de moeder twee dagen haar vrijheid ontnomen en is zij door de politie bevrijd. Dat wijst niet op een veilige situatie bij de vader. In tegendeel.

5.8

De moeder heeft aangegeven dat ze wil dat [minderjarige 1] bij haar komt wonen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dienen inderdaad gericht te zijn op (het werken aan) opheffing van de bedreiging zoals genoemd in artikel 1:254 BW en de terugkeer van het kind naar de ouder(s).

5.9

Daar staat tegenover dat deze maatregelen in beginsel tijdelijk van aard zijn en de voor [minderjarige 1] gewenste duidelijkheid en zekerheid niet bieden. [minderjarige 1] die niet bij zijn moeder verblijft, heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in zijn alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. [minderjarige 1] woont al vanaf zijn geboorte bij de pleegouders, waar hij gehecht en geworteld is. Hij maakt daar een positieve ontwikkeling door en groeit op in een veilige en gestructureerde omgeving. Een veilige hechting creëert een belangrijke voorwaarde voor een gezonde sociale-, emotionele- en persoonlijkheidsontwikkeling. Het is voor een verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] naar het oordeel van het hof dan ook van belang dat het hechtingsproces bij de pleegouders niet wordt verstoord.

In de gegeven omstandigheden dient aan het belang van [minderjarige 1] bij continuering van de huidige opvoedingssituatie een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het recht van de moeder op hereniging met hem. De moeder is dan ook ongeschikt of onmachtig om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te vervullen.

5.10

De moeder vraagt nog waarom er recent geen onderzoek naar haar opvoedcapaciteiten is gedaan. Zij wil een kans om te laten zien dat het goed blijft gaan en stelt dat indien zij [minderjarige 2] kan verzorgen ook in staat kan worden geacht [minderjarige 1] de nodige zorg en opvoeding te geven. Het hof stelt vast dat aan de moeder op dit moment met intensieve begeleiding een kans wordt geboden om te laten zien dat zij in staat is zelf zorg te dragen voor [minderjarige 2]. Vooralsnog zijn daar ernstige zorgen over en het hof volgt de moeder dan ook niet in haar stelling dat zij [minderjarige 2] kan verzorgen.

5.11

Nog los van het feit dat de positieve ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren aan de zijde van de moeder hebben voorgedaan gering en pril zijn en ook kwetsbaar zijn gebleken, is - zoals hiervoor reeds is overwogen - [minderjarige 1] zich aan het hechten aan zijn pleegouders en acht het hof het in zijn belang dat de huidige opvoedingssituatie wordt gecontinueerd en dat het hechtingsproces ongestoord doorgang kan blijven vinden. Om die reden zou een (positieve) beantwoording van de vraag of de moeder over de capaciteiten en mogelijkheden beschikt om [minderjarige 1] op te voeden niet tot een andere beslissing leiden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een nader onderzoek in deze zaak.

5.12

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof het meest in het belang van [minderjarige 1] om de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen met een gedwongen ontheffing van het gezag van de moeder.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 maart 2014;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. van der Meer, mr. M.P. den Hollander en mr. W. Foppen, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 oktober 2014.