Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:839

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
21-000151-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1651, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Straftoemeting (15 jaar).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000151-13

Uitspraak d.d.: 7 februari 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 december 2012 met parketnummer 16-711406-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 augustus 2013 en 24 januari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. M.J. van Weerden en mr. V.C. van der Velde, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het met name tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair


hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en/of gekneveld en/of de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of neus van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair


hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en/of gekneveld en/of de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of neus van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- met een ladder door een openstaand (slaapkamer)raam inklimmen in de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die (voorgenomen) diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


Meer subsidiair


hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en/of gekneveld en/of de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of neus van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden;

Meest subsidiair


hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- de handen van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgebonden met tie raps en/of duct tape en/of

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgebonden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of neus van voornoemde [slachtoffer] heeft dichtgeplakt met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden;

Meest meest subsidiair

hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een hoeveelheid geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die (voorgenomen) diefstal te doen voorafgegaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

-de handen van voornoemde [slachtoffer] vastgebonden met tie raps en/of duct tape en/of

-de voeten van voornoemde [slachtoffer] vastgebonden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of de neus van voornoemde [slachtoffer] dichtgeplakt met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren en verzoeken van de verdediging

Alternatief scenario en verzoek om reconstructie

Verdachte heeft verklaard dat hij niets te maken heeft met de dood van de heer [slachtoffer]. Hij was ten tijde van het tenlastegelegde niet in Zeist. In dit verband heeft de verdediging bij appelschriftuur van 18 januari 2013 verzocht om de autorit van verdachte aan de hand van zijn verklaring en de in het dossier bevindende paalgegevens te reconstrueren. Onderzocht diende te worden of verdachte in Zeist kon zijn geweest, hetgeen door de verdediging werd betwist.

Ter terechtzitting van 30 augustus 2013 heeft het hof het verzoek van de verdediging dat is gedaan bij appelschriftuur van 18 januari 2013, afgewezen. Een zinvolle reconstructie kon naar het oordeel van het hof op grond van de gegevens die verdachte daartoe had verstrekt niet worden gedaan. Ter terechtzitting van het hof van 24 januari 2014 heeft verdachte zijn verklaring aangevuld.

Het hof ziet, gelet op de aanvullende verklaring van verdachte, geen reden om de eerder genomen beslissing op het verzoek te herzien. Het alternatieve scenario is gebaseerd op de door verdachte geschetste, met de auto afgelegde route van Utrecht naar de parkeerplaats aan de A12 bij Bunnik en weer terug naar Utrecht. Die route is niet in strijd met de bewezenverklaring en de daartoe te bezigen bewijsmiddelen. Die route sluit immers niet uit dat vanaf de parkeerplaats naar Zeist is gereden en vandaar terug, al dan niet via die parkeerplaats, over de A12 naar Utrecht.

Daarmee ontbreekt de noodzaak voor het houden van de verzochte reconstructie van de autorit en zal het hof het verzoek daartoe wederom afwijzen.

Uitsluiting van het bewijs van de verklaring van getuige [getuige 1]

De verdediging heeft betoogd dat tijdens het laatste verhoor bij de rechter-commissaris de getuige [getuige 1] is geconfronteerd met stukken die voor de verdediging nieuw waren en waarover de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen. Bovendien heeft de veranderde proceshouding van de getuige vragen opgeroepen over de betrouwbaarheid van haar verklaringen zoals neergelegd in het proces-verbaal van 5 januari 2012 (hof: inhoudende haar op 21 december 2011 afgelegde verklaring) en 31 januari 2012. Het verzoek van de verdediging om de getuige ter terechtzitting te horen is echter zowel door de rechtbank als het hof afgewezen. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht aldus niet volledig kunnen benutten. De verdediging heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuige [getuige 1], afgelegd bij de politie en neergelegd in het proces-verbaal van 5 januari 2012 en 31 januari 2012 dienen te worden uitgesloten van het bewijs. In het licht van het de auditu-karakter van de verklaringen en het gegeven dat de bewijsconstructie op het meest essentiële punt (of verdachte in de woning van [slachtoffer] is geweest), althans in overwegende mate, steunt op de verklaring van de getuige is het gebruik van die verklaringen strijdig met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof overweegt en beslist dienaangaande als volgt.

De getuige [getuige 1] is door de politie drie keer gehoord, en wel op 21 december 2011, op 31 januari 2012 en op 28 februari 2012. Ook is zij drie keer gehoord door de rechter-commissaris, telkens in aanwezigheid van de raadsvrouw van verdachte die ook telkens in de gelegenheid is geweest om vragen te stellen. Deze verhoren hebben plaatsgehad op 29 mei, 8 augustus en 2 oktober 2012. Blijkens het proces-verbaal van laatstgenoemd verhoor heeft de aanwezige officier van justitie een “Aanvullend proces-verbaal interceptie” overgelegd en aan de raadsvrouw van verdachte overhandigd. Inhoudelijk beslaat dit proces-verbaal zo’n zes bladzijden. De rechter-commissaris heeft de raadsvrouw van verdachte gedurende tien minuten de gelegenheid gegeven om er kennis van te nemen. Op de vragen die daarop aan de getuige zijn gesteld, is zij het antwoord schuldig gebleven. Zij heeft er het zwijgen toe gedaan. Gelet hierop is niet tekort gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.

Met betrekking tot de door de getuige [getuige 1] op 21 december 2011 en 31 januari 2012 afgelegde verklaringen overweegt en beslist het hof als volgt.

De getuige [getuige 1] is de moeder van de medeverdachte [medeverdachte 1] en zij heeft verklaard over hetgeen zij haar zoon heeft horen zeggen. Dat het gaat om de auditu-verklaringen staat aan het gebruik daarvan tot het bewijs niet in de weg. De betrouwbaarheid van die verklaringen zou daar, volgens de verdediging, wel aan in de weg staan. Dat de getuige later anders is gaan verklaren of er het zwijgen toe heeft gedaan, vindt wel een verklaring in het dossier. Op 31 januari 2012 heeft zij tegenover de politie verklaard dat de advocaat (hof: van medeverdachte [medeverdachte 1]) heeft gezegd dat zij eigenlijk niets had moeten zeggen. In de later, met name tegenover de rechter-commissaris, afgelegde verklaringen ziet het hof telkens een getuige die twijfelt omdat zij het belang van haar zoon niet wil schaden. De verklaringen van 21 december 2011 en 31 januari 2012 komen op hoofdlijnen met elkaar overeen. Daarbij komt dat de getuige dingen heeft verklaard die op daderkennis wijzen, zoals de tip die afkomstig zou zijn van een familielid van het slachtoffer. Ook worden haar verklaringen bevestigd door forensisch bewijs, zoals het dragen van handschoenen door de twee mannen die met behulp van de ladder door het raam naar binnen zijn gegaan. Opmerking verdient nog dat de getuige tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 29 mei 2012 heeft bevestigd dat hetgeen zij bij de politie heeft verklaard over hetgeen zij zelf allemaal heeft gehoord de waarheid is. Het hof wijst in dit verband ook nog op het afgeluisterde telefoongesprek dat de getuige op 21 december 2012, vlak na haar eerste verhoor bij de politie, met een derde heeft gevoerd en waarin zij bevestigt, dat zij tijdens het verhoor bij de politie naar waarheid heeft verklaard.

De twee meer bedoelde verklaringen worden dan ook betrouwbaar geacht.

Tenslotte is het, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet zo, dat het bewijs in overwegende mate steunt op de verklaringen van de getuige [getuige 1].

Uitsluiting van het bewijs van de verklaring van getuige [getuige 2]

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [getuige 2], afgelegd bij de politie op 21 december 2012, uitgesloten dient te worden van het bewijs. De getuige is, voordat hij daadwerkelijk bij de rechter-commissaris gehoord heeft kunnen worden, overleden waardoor de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Dit klemt volgens de verdediging te meer nu de verklaring van getuige [getuige 2] alsook vorenbedoelde verklaringen van getuige [getuige 1] de enige bewijsmiddelen zijn die verdachte op de plaats delict plaatsen en de verklaring van de getuige [getuige 2] een de auditu - verklaring betreft, terwijl de oorspronkelijke bron van de verklaring, medeverdachte [medeverdachte 1], de inhoud daarvan ontkent. Het gebruik van de verklaring van de getuige is derhalve strijdig met artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt als volgt.

Getuige[getuige 2] is bij de politie gehoord op 21 december 2011. De getuige is vervolgens opgeroepen voor een verhoor bij de rechter-commissaris. Aan de eerste oproep voor dat verhoor heeft de getuige geen gehoor gegeven. Vlak voor het tweede geplande verhoor bij de rechter-commissaris is de getuige komen te overlijden. De verdediging heeft derhalve haar ondervragingsrecht niet kunnen uitoefenen. Het hof ziet echter geen grond om de verklaring van getuige [getuige 2], zoals afgelegd bij de politie op 21 december 2011, uit te sluiten van het bewijs wegens strijdigheid met artikel 6 EVRM. De betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde vindt immers ruimschoots steun in andere bewijsmiddelen, zoals die zullen worden opgenomen in de eventuele aanvulling op dit verkorte arrest. Dit steunbewijs heeft betrekking op die onderdelen van de belastende verklaring die verdachte heeft betwist.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat voormelde verklaring van de getuige niet voor het bewijs mag worden gebruikt aangezien die verklaring als onbetrouwbaar dient te worden beoordeeld.

Gezien de gebezigde bewijsmiddelen, oordeelt het hof dat het gedeelte van de verklaring van getuige [getuige 2] dat voor het bewijs is gebezigd, betrouwbaar is. Dat vindt namelijk steun in andere bewijsmiddelen.

Daarbij wijst het hof voorts nog op het gegeven dat de verklaring van[getuige 2] daderinformatie bevat (de betrokkenheid van een familielid van het slachtoffer, kort gezegd “de tipgever”) die tijdens diens verhoor op 21 december 2012 nog niet naar buiten was gebracht en dat medeverdachte [medeverdachte 1] in een gesprek met zijn moeder en broer heeft gezegd, dat hij niet had gedacht dat zijn vader zou gaan praten en dat hij had gedacht, dat zijn vader gewoon zijn mond zou dichthouden (OVC-gesprek van 10 januari 2012, pagina 1101). Ook hier geldt dat het hof het niet aannemelijk acht dat deze getuige zijn zoon, medeverdachte [medeverdachte 1], ten onrechte zou belasten door in strijd met de waarheid te verklaren.

Voorwaardelijk opzet

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de heer [slachtoffer].

Het hof overweegt daarover het volgende.

Verdachte heeft ontkend dat hij op 19 juni 2011 in Zeist is geweest en iets met de dood van de heer [slachtoffer] van doen heeft gehad. Dit wordt echter door de gebezigde bewijsmiddelen weersproken. Verdachte heeft, gezien zijn ontkenning betrokken te zijn geweest, geen antwoord gegeven op de vraag of hij ten aanzien van de dood van de heer [slachtoffer] willens en wetens heeft gehandeld. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen, dat verdachte en diens medeverdachte de heer [slachtoffer] hebben gekneveld, diens mond hebben dichtgeplakt en zijn neus hebben dichtgeknepen. De heer [slachtoffer] is door deze handelwijze – zoals blijkt uit hetgeen de deskundigen daarover hebben geschreven en verklaard – komen te overlijden. Daarmee is naar het oordeel van het hof het opzet op de dood van de heer [slachtoffer] bewezen. Omdat het hof ten deze opzet bewezen acht, kan de rechtsvraag ten aanzien van het al dan niet aanwezig zijn van de minder zware variant van opzet, het voorwaardelijk opzet, onbeantwoord blijven.

Causaliteit en verzoek om het horen van een deskundige

De verdediging heeft betoogd dat het causale verband tussen het handelen van verdachte en de dood van de heer [slachtoffer] ontbreekt. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de medische toestand van de heer [slachtoffer] en het gegeven dat diens neus niet was afgeplakt en dus was vrijgehouden.

Voorts heeft de verdediging gepersisteerd bij haar verzoek om een deskundige te horen ter terechtzitting die nader kan verklaren over de medische factoren die het overlijden van de heer [slachtoffer] kunnen verklaren. Het hof heeft dit verzoek reeds op de terechtzitting van 30 augustus 2013 afgewezen. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman aangegeven dat de verdediging de deskundige met name wenst te horen over de voor het voorwaardelijk opzet noodzakelijke aanmerkelijke kans dat een persoon door de verdachte verweten gedragingen komt te overlijden.

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is een pathologisch en toxicologisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van het overlijden van de heer [slachtoffer]. Gemotiveerd wordt geconcludeerd dat het overlijden goed verklaard kan worden door algehele weefselschade door zuurstofgebrek, opgelopen door belemmering van de luchtwegen door geweld op/belemmeren van de mond al dan niet gecombineerd met invloeden van positionele asfyxie. Bij de sectie door het NFI is geen andere oorzaak voor het overlijden van de heer [slachtoffer] gevonden. Het niet belemmerd geweest zijn van de neusgaten door tape sluit de genoemde verklaring voor overlijden niet uit, omdat de neusgaten ook anderszins belemmerd zouden kunnen zijn geweest. Als voorbeeld wordt het afdrukken van de neusgaten met vingers genoemd. Het onderzoek sluit aan bij de overige bewijsmiddelen waaruit volgt dat de heer [slachtoffer] is gekneveld, diens mond met duct tape is dichtgeplakt en zijn neus niet is vrijgehouden, maar juist is dichtgeknepen.

Het hof stelt vast dat het hiervoor omschreven handelen van verdachte en zijn medeverdachte een onmisbare schakel heeft gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg, de dood van de heer [slachtoffer], hebben geleid en dat die handelingen naar hun aard en de omstandigheden waaronder zij werden verricht, geschikt zijn om de dood teweeg te brengen en naar algemene ervaringsregels van dien aard zijn dat zij de conclusie wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van de dood.

Met inachtneming van de conclusies van de deskundigen van het NFI kan de dood van de heer [slachtoffer] worden toegeschreven aan het handelen van verdachte en zijn medeverdachte. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de deskundigen van het NFI.

Het hof is van oordeel dat een omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte die tot de dood van de heer [slachtoffer] hebben geleid hoogst onwaarschijnlijk is. De verstikkingsdood van de heer [slachtoffer] kan worden toegerekend aan verdachte en zijn medeverdachte.

Het hof heeft ter terechtzitting van 30 augustus 2013 het verzoek van de verdediging tot het horen van een deskundige afgewezen. Het hof ziet in hetgeen de verdediging daarover aanvullend naar voren heeft gebracht geen aanleiding om die beslissing te herzien. Het verzoek zal derhalve op dezelfde gronden worden afgewezen. Het hof overweegt daarbij dat het hof, zoals hiervoor is overwogen, opzet op de dood van [slachtoffer] bewezen acht, aangezien het hof uit de bewijsmiddelen afleidt dat de neus van [slachtoffer] niet is vrijgehouden, maar zelfs is dichtgeknepen, zodat nader onderzoek naar de voor voorwaardelijk opzet noodzakelijk aanmerkelijk kans van overlijden, niet zinvol en dus niet noodzakelijk is.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daarbij dat, voor zover is gebleken, uit de woning van de heer [slachtoffer] geen geld en/of goederen zijn meegenomen, zodat niet is bewezen dat sprake is van een voltooide diefstal.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog het volgende.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het volgende af.

[medeverdachte 2] heeft van de neef van de tachtigjarige heer [slachtoffer], [mededader], vernomen dat zijn oom over geld zou beschikken. [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] hebben vervolgens samen het plan bedacht om geld van de heer [slachtoffer] weg te nemen, aangezien zij verlegen zaten om geld. Ter voorbereiding daarvan heeft [medeverdachte 2] bij de slagerij van de heer [slachtoffer] gepost. [medeverdachte 2] heeft hem meerdere keren vanuit de slagerij gevolgd. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben ook in de directe nabijheid van de woning van de heer [slachtoffer] gepost, waarbij zij een raam van de woning open hebben zien staan. [verdachte] heeft vervolgens een ladder geregeld en zijn neef, medeverdachte [medeverdachte 1], benaderd voor het vervoer daarvan. [medeverdachte 1] heeft ook daadwerkelijk geholpen met het vervoer van de ladder naar Zeist. In de nacht van 18 op 19 juni 2011 zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] via de ladder door het openstaande raam van de slaapkamer van de heer [slachtoffer] op de eerste verdieping van het huis aan de [adres] te Zeist binnengegaan. [medeverdachte 1] is het huis niet binnen geweest, maar heeft de ladder vastgehouden terwijl [medeverdachte 2] en [verdachte] naar boven klommen. [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden maskers op en handschoenen aan. Ook hadden zij tie raps en duct tape bij zich. Het hof leidt hieruit af dat de verdachten een gewelddadige confrontatie met de bewoner verwachtten welke confrontatie ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De heer [slachtoffer] is immers overmeesterd in zijn slaapkamer waarbij zijn handen voor zijn lichaam zijn gebonden met de meegebrachte tie raps en zijn voeten zijn vastgebonden met de duct tape. Ook zijn mond is dichtgeplakt met de duct tape. Op enig moment heeft [medeverdachte 2] de neus van de geknevelde [slachtoffer] dichtgeknepen. Dat leidt het hof af uit het deskundige verslag van het NFI van 10 november 2011 in combinatie met het op het doekje aangetroffen DNA-mengprofiel van [medeverdachte 2] en van de heer [slachtoffer] dat met duct tape was bevestigd op de ladder om het geluid van die ladder - indien het tegen de muur van de woning zou worden gezet - te dempen. Het hof merkt daarbij op dat [medeverdachte 2] op een gegeven ogenblik zijn handschoenen of een handschoen moet hebben uitgetrokken. Voorts wijst het hof in dit verband op tapgesprek 678. Tijdens dat gesprek op 13 september 2011 in de auto van [verdachte] zegt [verdachte] op enig moment tegen [medeverdachte 2]:

“(…) Nee, je hebt gewoon die man letterlijk bij zijn neus gepakt en gewoon euuhhhh”

Waarna [medeverdachte 2] [verdachte] aanvult:

“(zucht) en afgemaakt”.

Dat hier slechts over een hypothetische situatie zou zijn gesproken, zoals door [verdachte] is beweerd, acht het hof in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk. Daarbij merkt het hof op dat [verdachte] en [medeverdachte 2] dit gesprek hebben gevoerd in de beslotenheid van de auto van [verdachte] en zich derhalve onbespied waanden en vrijelijk over het gebeurde in de woning van de heer [slachtoffer] konden spreken. Het hof leidt uit de voor het bewijs gebezigde ovc-gesprekken die zijn gevoerd in de beslotenheid van het voertuig van [verdachte] in combinatie met de overige gebezigde bewijsmiddelen af, dat [verdachte] en [medeverdachte 2] uit eigen wetenschap met elkaar hebben gesproken over hetgeen zich in de woning van de heer [slachtoffer] die nacht heeft afgespeeld.

De heer [slachtoffer] is door het handelen van de verdachten: het knevelen, het dichtplakken van diens mond en het dichtknijpen van zijn neus, door verstikking om het leven gekomen. Het opzet op de dood van de heer [slachtoffer], is gelet op deze handelingen gegeven. Het hof merkt hierbij nog op dat de handen van de heer [slachtoffer] vóór diens lichaam vastgebonden waren zodat hij in staat moet zijn geweest zelf de duct tape van zijn mond te verwijderen, indien de verdachten hem bij het verlaten van de woning levend en wel in zijn woning hadden achtergelaten.

Een aantal kamers op de bovenverdieping van de woning van de heer [slachtoffer] is doorzocht. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2011 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en/of gekneveld en/of de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tie raps en/of duct tape en/of

- de mond en/of neus van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en (dientengevolge) is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

- met een ladder door een openstaand (slaapkamer)raam inklimmen in de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die (voorgenomen) diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij de straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Hij is in de nacht samen met een ander, gemaskerd, de woning van de hoog bejaarde doch zeer vitale heer [slachtoffer] binnengedrongen op zoek naar geld. Zij hebben de heer [slachtoffer] in zijn slaapkamer overmeesterd en gekneveld. De mond van de heer [slachtoffer] is door de verdachten dichtgeplakt met duct tape en zijn neus is dichtgeknepen. Het slachtoffer is door verstikking om het leven gekomen. Dit is een vreselijke dood vanwege de daaraan vooraf gaande doodsstrijd.

Een dergelijke roofoverval met dodelijke afloop brengt angst en gevoelens van onveiligheid met zich en schokt de rechtsorde in ernstige mate – in dit geval in het bijzonder – aangezien de heer [slachtoffer] en zijn slagerij bij de Utrechtse bevolking bekendheid genoten.

[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben gehandeld uit hebzucht en hebben daarbij het leven van een bejaarde man niet ontzien en hem aldus het meest fundamentele recht dat een mens toekomt, het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht. Extra wrang is dat een van de zonen van de heer [slachtoffer] zijn vader aan het eind van de middag van 19 juni 2011, nota bene op vaderdag, dood en gekneveld heeft aangetroffen.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren geëist. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren opgelegd. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren zal worden opgelegd.

De straf, zoals door de rechtbank is opgelegd, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Het hof zal daarom een hogere straf opleggen dan in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de volgende, strafverzwarende, factoren.

  • -

    De neus van het geknevelde slachtoffer is dichtgeknepen, terwijl zijn mond was dichtgeplakt met duct tape;

  • -

    De verdachten hebben geen opening van zaken gegeven waardoor de nabestaanden met vragen zullen blijven zitten over de dood(soorzaak) en het tijdstip van overlijden van hun geliefde. Bij dat laatste speelt ook de vraag hoe lang het slachtoffer nog heeft geleefd en heeft geleden onder de situatie;

  • -

    [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn – ondanks de dood van het slachtoffer – na 19 juni 2011 doorgegaan met het beramen van overvallen;

  • -

    Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 7 januari 2014 blijkt dat hij vaker ter zake vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld tot straf, waarbij hij ook in het verleden geweld niet heeft geschuwd.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan de totstandkoming van een reclasseringsrapportage zodat het hof slechts summier is geïnformeerd over de persoon van verdachte. In de persoonlijke omstandigheden die wel zijn gebleken, ziet het hof geen aanleiding de aan verdachte op te leggen straf te matigen.

Het hof heeft mede in ogenschouw genomen wat in strafzaken bij dit soort levensdelicten aan straf pleegt te worden opgelegd en ziet daarin aanleiding de eis van de advocaat-generaal niet te volgen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor lange duur, te weten vijftien jaren, aangewezen. Deze straf is passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.489,05. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken en ook niet betwist dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het door haar gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Beslag

Teruggave

Het hof zal gelasten dat de overige hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggeven goederen worden teruggeven aan verdachte nu deze goederen hem toebehoren. De advocaat-generaal heeft ook gevorderd dat deze goederen worden teruggeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het doen van een reconstructie.

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van een deskundige.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Black Berry telefoon (478946);

- Black Berry telefoon (478948).

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, de familie [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.489,05 (achtduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve de nabestaanden van het slachtoffer, de familie [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 8.489,05 (achtduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr B.J.J. Melssen en mr A.W.M. Elders, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen, griffier,

en op 7 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.