Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8389

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
200.149.609-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen niet meewerken aan DNA-onderzoek. Vervangende toestemming tot erkenning en omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/17.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.609/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/149425 / FA RK 13-2730)

beschikking van de familiekamer van 23 oktober 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [land] op een voor het hof onbekend (geheim) adres,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. R. Wouters, kantoorhoudend te Middelburg,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder],

advocaat: mr. D.J.M. van de Voort, kantoorhoudend te Deurne.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. [bijzondere curator],

kantoorhoudend te [plaats],

hierna te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 19 januari 2012 en 11 juli 2012, verbeterd op 8 augustus 2012, en de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 8 mei 2013 en 21 februari 2014, uitgesproken laatstelijk onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2014, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 21 februari 2014. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende het oorspronkelijke verzoek, inclusief aanvullingen en/of vermeerderingen, van [verweerder] af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 juni 2014, heeft [verweerder] het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden.

2.3

Daarbij heeft [verweerder] tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. [verweerder] verzoekt het hof in het principaal hoger beroep [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het hoger beroep van [verzoekster] te verwerpen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt [verweerder] het hof de beschikking van 21 februari 2014 te vernietigen voor zover het de beslissing betreft dat aan de omgangsregeling geen dwangsom wordt verbonden en dat [Y] de proefcontacten moet begeleiden en, opnieuw recht doende, te bepalen dat tussen [verweerder] en de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum], proefcontacten onder begeleiding van een door Bureau Jeugdzorg aan te wijzen instantie zullen plaatsvinden en om [verzoekster] te veroordelen mee te werken aan de proefcontacten, op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan dat [verzoekster] niet meewerkt aan de proefcontacten.

2.4

Daarop heeft [verzoekster] in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 8 augustus 2014, waarin zij het hof verzoekt het incidenteel appel van [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.5

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 juli 2014, heeft de bijzondere curator het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden en het hof verzocht [verzoekster] in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep af te wijzen.

2.6

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 19 juni 2014 een brief van 18 juni 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) met bijlagen;

- op 2 juni 2014 een brief van 30 mei 2014 van de bijzondere curator met bijlagen (stelbrief);

- op 23 juni 2014 een journaalbericht van 20 juni 2014 van mr. Wouters met bijlagen (waaronder het proces-verbaal);

- op 25 juni 2014 een journaalbericht van 24 juni 2014 van mr. Wouters met bijlagen (waaronder klachtbeslissing raad);

- op 26 juni 2014 een journaalbericht van 25 juni 2014 van mr. Wouters met bijlage (geboorte uittreksel);

- op 11 september 2014 een brief van 5 september 2014 van de raad met bijlagen.

2.7

De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2014 plaatsgevonden. [verzoekster] is niet in persoon verschenen. Wel verschenen is haar advocaat. Voorts zijn verschenen [verweerder], bijgestaan door zijn advocaat, de bijzondere curator en, namens de raad in het kader van zijn adviserende taak, de heer [X].

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben kortstondig, in 2010, een affectieve relatie met elkaar gehad. Kort na de geboorte van [minderjarige] op [geboortedatum] is deze relatie beëindigd. [verzoekster] is met het gezag over [minderjarige] belast.

3.2

[verweerder] heeft op 13 december 2011 de rechtbank verzocht hem vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] te verlenen en hem (na effectuering van de erkenning) mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. [verzoekster] heeft hiertegen verweer gevoerd, daartoe - voor wat betreft het verzoek strekkend tot vervangende toestemming tot erkenning - onder meer aanvoerend dat zij niet zeker weet dat [verweerder] de verwekker van de minderjarige is omdat zij ook andere relaties heeft gehad.

3.3

Bij beschikking van 19 januari 2012 is de bijzondere curator benoemd om [minderjarige] in rechte te vertegenwoordigen en is de beslissing op de verzoeken van [verweerder] aangehouden.

3.4

Bij beschikking van 11 juli 2012, verbeterd op 8 augustus 2012, heeft de rechtbank

dr. [deskundige], dan wel zijn plaatsvervanger, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., als deskundige benoemd en bevolen dat door die deskundige een onderzoek naar de samenstelling van het DNA van [verweerder] en [minderjarige] zal worden verricht en dat die deskundige op grond van het onderzoek een oordeel zal geven over de vraag of [verweerder] de vader kan zijn van [minderjarige], alsmede de mate van waarschijnlijkheid dat hij de vader is. Voorafgaand aan de benoeming heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van [verzoekster] geen bezwaren ten aanzien van DNA-onderzoek naar voren zijn gebracht.

De beslissing op de verzoeken van [verweerder] is aangehouden.

3.5

Omdat [verzoekster] geen uitvoering c.q. medewerking gaf aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek, is [verweerder] een kort geding-procedure gestart waarvan de behandeling plaatshad op 19 september 2012. De kort geding-rechter heeft daarop bij vonnis van 24 september 2012 de beslissing aangehouden in afwachting van onderzoek door de raad naar - onder meer en voor zover hier van belang - de vraag: Wat zijn de ‘blokkades’ van [verzoekster] tegen een DNA-onderzoek?

De raad heeft de beantwoording van deze vraag bij schriftelijk rapport van 12 november 2012 opgeschort in afwachting van het door [verzoekster] op 11 oktober 2012 ingestelde hoger beroep tegen de verbeterde beschikking van 11 juli 2012. Nadat [verzoekster] haar hoger beroep op 7 januari 2013 heeft ingetrokken, heeft het hof bij beschikking haar verzoek strekkend tot vernietiging van de beschikking van 11 juli 2012, verbeterd bij beschikking van 8 augustus 2012 afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de aan de zijde van [verweerder] gevallen kosten.

De raad heeft daarop zijn onderzoek hervat, [verweerder] heeft het kort geding ingetrokken.

3.6

Op 12 maart 2013 heeft de (voortgezette) behandeling van de bodemprocedure ten overstaan van de kinderrechter plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal heeft de raad ter zitting geadviseerd dat [verzoekster] meewerkt aan een DNA-onderzoek dan wel de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning gelast. Naar voren is - onder meer - gebracht dat niet duidelijk is geworden wat de blokkades van [verzoekster] zijn, anders dan de spanningen die er zijn tussen haar/haar familie en [verweerder], dat de raad de standvastigheid en de angst van [verzoekster] voor DNA-onderzoek alleen maar groter ziet worden, dat er geen mogelijkheden naar voren zijn gekomen om de blokkades bij [verzoekster] op te heffen. De raad heeft aangegeven het in het belang van [minderjarige] te achten dat hij weet wie zijn vader is en acht erkenning door [verweerder] van [minderjarige] in het belang van [minderjarige]. De raad heeft daarbij aangegeven geen aanleiding te zien voor een ander onderzoek omdat dergelijk onderzoek niet meer zal opleveren dan de raad inmiddels al weet op basis van de gesprekken die met [verweerder], [verzoekster] en de informanten zijn gevoerd. De bijzondere curator heeft de rechtbank geadviseerd het bevel tot medewerking aan een DNA-onderzoek te handhaven.

In haar beschikking van 8 mei 2013 heeft de rechtbank overwogen dat, nu [verzoekster] haar medewerking aan DNA-onderzoek heeft geweigerd, nog steeds weigert en zij niet de indruk heeft gewekt binnen afzienbare tijd alsnog te zullen meewerken, [verweerder] - mede gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen - wordt aangemerkt als verwekker van [minderjarige]. Vervolgens heeft de rechtbank de raad verzocht om nader onderzoek te verrichten omdat zij zich - onder meer - onvoldoende voorgelicht achtte inzake de door haar te maken belangenafweging welke de wet met het oog op het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning vereist. De raad is daarbij verzocht, mocht tot het advies gekomen worden dat tot erkenning kan worden overgegaan, ook onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling.

3.7

Dit aanvullend onderzoek door de raad is uitgemond in een rapport van 10 oktober 2013 inhoudende - onder meer - het advies om het verzoek van [verweerder] om vervangende toestemming tot erkenning te verlenen, toe te wijzen. Daarnaast adviseert de raad om het verzoek van [verweerder] om hem mede met het gezag te belasten af te wijzen, om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen tussen [verweerder] en [minderjarige] onder begeleiding van Omgangsbegeleiding van [Y] en om de behandeling van de zaak aan te houden voor de duur van acht maanden.

3.8

Ter zitting van 7 januari 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, [minderjarige] op verzoek van de raad voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, met benoeming van Bureau Jeugdzorg Overijssel (hierna: BJZ) tot gezinsvoogdes.

3.9

[verzoekster] is op of omstreeks 4 februari 2014 zonder toestemming van de gezinsvoogd met [minderjarige] verhuisd naar [land].

3.10

Bij aanvullend verzoekschrift van 14 februari 2014 heeft [verweerder] verzocht hem primair met het eenhoofdig gezag (en subsidiair mede met het gezag) te belasten en het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen.

3.11

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank [verweerder] vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Voorts heeft rechtbank bepaald dat

- uitvoerbaar bij voorraad - tussen [verweerder] en [minderjarige] proefcontacten onder begeleiding van [Y] zullen plaatsvinden, dat de raad na beëindiging van de proefcontacten, tot de nadere beslissing, de frequentie, omvang en vorm van de omgang tussen [verweerder] en [minderjarige] vaststelt. De rechtbank heeft de raad verzocht om rapport uit te brengen over het verloop van de proefcontacten onder begeleiding van [Y] alsook om advies uit te brengen over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de uiteindelijke omgangsregeling tussen [verweerder] en [minderjarige]. In afwachting van het rapport en het advies van de raad heeft de rechtbank de beslissing over het gezag en de omgangsregeling aangehouden. De rechtbank heeft [verzoekster] en de bijzondere curator tot 21 maart 2014 de tijd gegeven op het aanvullend verzoekschrift van [verweerder] van 14 februari 2014 te reageren.

3.12

Bij brief van 3 maart 2014 heeft de raad aan de rechtbank bericht het onderzoek in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling niet te hebben kunnen afronden, omdat de moeder naar [land] is geëmigreerd. De raad deelt mede dat de raad en BJZ de kinderbescherming in [land] wel hebben verzocht om een onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] uit te voeren. De raad heeft de Belgische kinderbescherming gevraagd te laten weten wanneer dat onderzoek is afgerond en wat de uitkomsten daarvan zijn. Aansluitend zal de raad onderzoek doen naar een mogelijke omgangsregeling tussen [verweerder] en [minderjarige].

3.13

Bij brief van 22 juli 2014 heeft de raad de rechtbank bericht dat begeleide omgang tussen [verweerder] en [minderjarige] niet haalbaar is gebleken, omdat [verzoekster] niet te bereiken is en haar huidige verblijfadres onbekend is. De aangetekende brief op het laatst bekende adres bij BJZ en de raad, te weten Bedevaartstraat 623 te Tielt in [land] is retour ontvangen met de mededeling dat zij daar niet meer verblijft. Het is voor de raad dan ook niet mogelijk om advies uit te brengen over de uitvoering van de uiteindelijke omgangsregeling tussen [verweerder] en [minderjarige].

4 De motivering van de beslissing

De vervangende toestemming tot erkenning

4.1

[verzoekster] kan zich met de vervangende toestemming tot erkenning niet verenigen. Zij bestrijdt dat [verweerder] de verwekker is van [minderjarige]. Als al zou blijken dat [verweerder] de verwekker van [minderjarige] zou zijn, acht [verzoekster] erkenning door [verweerder] niet in [minderjarige]'s belang. [verzoekster] is bang dat [verweerder] [minderjarige] van haar wil afpakken en de spanningen die dat bij haar veroorzaakt hebben volgens haar een negatieve weerslag op [minderjarige].

4.2

[verweerder] is van mening dat hij terecht is aangemerkt als de verwekker van [minderjarige]. Hij vraagt zich af hoe serieus grief I van [verzoekster] is gelet op het hele verloop van de procedure. De proceshouding en tactiek van [verzoekster] zijn louter gericht op vertraging en frustratie van de procedure, aldus [verweerder]. Indien nodig, is [verweerder] wel nog steeds bereid mee te werken aan een DNA-onderzoek. In dat geval verzoekt hij wel de termijnen kort te houden en een dwangsom van € 1.000,- per dag te bepalen. De emotionele weerstand van [verzoekster] is volgens [verweerder] geen reden om de erkenning, die door de raad in het belang van [minderjarige] wordt geacht, te weigeren.

Ter zitting heeft [verweerder] desgevraagd en onweersproken erop gewezen dat [minderjarige] na overleg en met instemming van [verzoekster] en [verweerder] is vernoemd naar de grootvader van [verweerder] ([A]) en naar de vader van [verzoekster] ([B]).

4.3

De bijzondere curator is van mening dat de rechtbank de vervangende toestemming tot erkenning terecht heeft verleend.

4.5

Het hof overweegt als volgt. In het dossier zijn voldoende aanwijzingen aanwezig op grond waarvan kan worden vermoed dat [verweerder] de verwekker is van [minderjarige]. Zo is vast komen te staan dat [verzoekster] en [verweerder] elkaar hebben leren kennen op 28 november 2009 en vanaf kort nadien tot vlak na de geboorte van [minderjarige] op [geboortedatum] een relatie met elkaar hebben gehad. Voorts blijkt uit de stukken dat [verzoekster] geen andere potentiële verwekker noemt en [verzoekster] ten tijde van het raadsonderzoek niet langer ontkent dat [verweerder] de biologische vader is [minderjarige]. Een en ander is ook in lijn met hetgeen [verzoekster] - blijkens het rapport van 27 december 2013 - bij haar psycholoog verklaart. Ten slotte is gebleken dat [minderjarige] is vernoemd naar beide (over)grootouders en bevindt zich in de stukken ook een mail van [verzoekster] aan [verweerder] waarin zij spreekt van 'ons kindje'.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [verzoekster] naar voren gebracht dat [verzoekster] alsnog ‘bereid’ is mee te werken aan DNA-onderzoek. De advocaat van [verzoekster] heeft desgevraagd evenwel ook naar voren gebracht:

- dat [verzoekster] niet bereid is met [minderjarige] naar Nederland te reizen;

- dat DNA-onderzoek dan in [land] zal moeten plaatsvinden;

- dat [verzoekster] zich nog steeds niet kan verzoenen met de gedachte dat [verweerder] enige zeggenschap krijgt over de opvoeding en verzorging van [minderjarige];

- dat [verzoekster] er alles aan zal doen om dit te voorkomen;

- dat [verzoekster] de erkenning door [verweerder] ziet als de eerste stap tot zodanige zeggenschap.

4.6

Het hof stelt vast dat het inleidend verzoek tot vervangende toestemming inmiddels bijna drie jaar geleden door [verweerder] is ingediend, dat [verzoekster] nimmer feitelijk uitvoering heeft gegeven aan bij haar al dan niet bestaande bereidheid tot het meewerken aan DNA-onderzoek, dat haar medewerking ook niet is gevolgd toen zodanig onderzoek door de rechter was bevolen, dat niet gebleken is dat de bij haar destijds bestaande ‘blokkade’ inmiddels geheel of gedeeltelijk opgeheven is en dat haar onverzettelijke houding en weerstand tegen bedoeld onderzoek feitelijk ook thans nog ten volle aanwezig zijn. Onder die omstandigheden gaat het hof aan de geclausuleerde bereidheid van [verzoekster] om alsnog mee te werken aan DNA-onderzoek voorbij en zal het, in het voetspoor van de rechtbank, [verweerder] aanmerken als de verwekker van [minderjarige]. Immers op [verzoekster] rustte in deze - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - het tegenbewijs van het vermoeden dat [verweerder] de verwekker is. Dat bewijs is door [verzoekster] niet geleverd, terwijl haar geclausuleerde bereidheid om alsnog mee te werken aan een DNA-onderzoek onder de huidige omstandigheden als een onvoldoende aanbod moet worden gezien. Evenzeer met de rechtbank is het hof van oordeel dat de belangenafweging als bedoeld in het derde lid van artikel 1:204 BW geenszins in de weg staat aan de door [verweerder] verzochte vervangende toestemming. Het hof onderschrijft de gronden die de rechtbank ter onderbouwing van dit oordeel heeft bijgebracht, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen van de zijde van [verzoekster] hiertegen is ingebracht brengt het hof niet tot een ander oordeel.

De proefcontacten

4.7

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat tussen [verweerder] en [minderjarige] proefcontacten onder begeleiding van [Y] zullen plaatsvinden en dat de raad, na beëindiging van de proefcontacten, tot de nadere door de rechtbank te nemen beslissing, de frequentie, omvang en vorm van de omgang tussen [verweerder] en [minderjarige] vaststelt.

4.8

De tweede grief van [verzoekster] en, in het incidenteel appel, de grieven van [verweerder] keren zich tegen deze beslissing. Eén en ander in voege als hierna te bespreken.

4.9

In haar verweerschrift in het incidenteel appel heeft [verzoekster] de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [verweerder] bestreden. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041, erop gewezen dat hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking gelijk hiervoor onder 4.7 is overwogen heeft bepaald, niet heeft te gelden als een appellabele eindbeschikking.

4.10

Het hof gaat aan dit ontvankelijkheidsverweer voorbij en overweegt daartoe als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een appellabele eindbeschikking in de hiervoor bedoelde zin, komt het erop aan of zodanige beslissing, indien eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kan worden. In dat geval moet het proceseconomisch belang van het appelverbod tegen tussenbeschikkingen wijken voor het belang om een rechtsmiddel te kunnen instellen tegen de onomkeerbare en mogelijk ingrijpende voorlopige beslissing. Waar de proefcontacten wellicht nog, als ressorterend onder het onderzoek door de raad, aan te merken zijn als niet c.q. minder onomkeerbaar en ingrijpend, geldt dit zeker niet voor de eveneens door de rechtbank gelaste, door de raad te bepalen omgang na de proefcontacten tot de nadere, in het kader van de omgang door de rechtbank te nemen beslissing. Nu de rechtbank de beide onderdelen van haar beslissing op dit punt onlosmakelijk met elkaar heeft verweven - omgang in het kader van en na afloop van die proefcontacten - acht het hof de beslissing als onder 4.7 weergegeven integraal aan het hoger beroep onderworpen.

4.11

De tweede grief van [verzoekster] komt op tegen het proefcontact en de door de raad te bepalen omgang als zodanig. [verweerder] komt in zijn eerste (incidentele) grief ertegen op dat de proefcontacten dienen plaats te vinden onder begeleiding door [Y] nu is gebleken dat die instelling op financieel-administratieve gronden daartoe feitelijk niet in staat is. In zijn tweede (incidentele) grief betwist [verweerder] de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek om aan de naleving door [verzoekster] van de door de rechtbank bepaalde regeling inzake de proefcontacten en de voorlopige omgang, een dwangsom te verbinden.

4.12

Het hof overweegt als volgt. Het is van oordeel dat de door de rechtbank ingeslagen weg, te weten het onder meer aan de hand van proefcontacten door de raad laten beoordelen of en, zo ja, hoe omgang tussen [verweerder] en [minderjarige] gerealiseerd zou moeten worden, rechtens juist en, in aanmerking genomen alle betrokken belangen, aangewezen was. Grief 2 van [verzoekster] faalt derhalve. Van gronden die op voorhand duidelijk maken dat er aanleiding bestaat om [verweerder] de omgang met [minderjarige] dan wel [minderjarige] de omgang met [verweerder] te ontzeggen, is het hof niet gebleken. Al hetgeen van de zijde van [verzoekster] in dit verband in bezwarende zin jegens [verweerder] naar voren is gebracht overtuigt niet, althans niet op voorhand, zonder dat haar bezwaren in het kader van het onderzoek door de raad bevestiging kunnen vinden. Aan dit onderzoek heeft [verzoekster] zich evenwel onttrokken door ten tijde van een voorlopige ondertoezichtstelling zonder toestemming van de gezinsvoogd met [minderjarige] te emigreren naar [land] waar zij tot op heden met [minderjarige] op een voor de raad, en overigens ook voor het hof, onbekend adres verblijft.

In zijn brief van 22 juli 2014 heeft de raad hieromtrent onder meer gerapporteerd dat [verzoekster] niet reageert op verzoeken om contact te krijgen, dat zij niet meer verblijft op het laatst bekende adres, dat [verzoekster] voor de raad niet meer te bereiken is, dat begeleide omgang tussen [verweerder] en [minderjarige] niet haalbaar is gebleken en dat het voor de raad niet mogelijk is om advies uit te brengen over de uitvoering van de uiteindelijke omgangsregeling tussen [verweerder] en [minderjarige]. Ter zitting van het hof heeft de vertegenwoordiger van de raad medegedeeld dat deze brief ook de huidige stand van zaken weergeeft.

4.13

Nu de raad in de feitelijke onmogelijkheid verkeert om uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank, ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de daartoe strekkende beslissing van de rechtbank, al dan niet in de door [verweerder] verzochte aangepaste vorm, niettemin in stand moet blijven. Die vraag beantwoordt het hof in bevestigende zin. Immers, zoals hiervoor onder 4.12 overwogen, is het hof overtuigd van nut en noodzaak van de door de rechtbank ingeslagen weg en daarop moet, zodra praktische beletselen uit de weg zijn c.q. kunnen worden geruimd, dan ook worden voortgegaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het beletsel van het verblijf van de moeder met [minderjarige] in [land] bij wijze van spreken ‘morgen’ weggenomen kan zijn. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre bevestigen, met dien verstande dat het hof, grief 1 van [verweerder] honorerend, zal bepalen dat de proefcontacten zullen plaatsvinden onder begeleiding van een door Bureau Jeugdzorg Overijssel aan te wijzen instantie.

4.14

Tot slot resteert de bespreking van grief 2 van [verweerder], de vraag of de medewerking van [verzoekster] aan de proefcontacten moet worden afgedwongen door de oplegging van een dwangsom. Vooropgesteld moet worden dat een belangrijke grond voor de rechtbank om deze vraag ontkennend te beantwoorden, het bestaan van een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige], inmiddels zijn gelding heeft verloren. Aan het tweede argument van de rechtbank om af te zien van de dwangsom, de kans dat oplegging van een dwangsom averechts zal werken, kent het hof op dit moment relatief gering gewicht toe. Het standpunt van [verzoekster] is immers evident; zoals verwoord in haar verweer ten aanzien van grief 2: “De vrouw zal inderdaad niet meewerken aan proefcontacten of omgangsregelingen. Een dwangsom wijzigt dit niet.” [verzoekster] heeft de achterliggende jaren laten zien dat zij dit ferme statement in elk geval wat de eerste zin betreft, ook in daden weet om te zetten. Gegeven deze stand van zaken bestaat er naar het oordeel van het hof voldoende grond om [verweerder] thans het door hem verzochte instrument van de dwangsom te vergunnen. Voor zover het verweer ter zake ziet op de hoogte van de op te leggen dwangsom zal het worden gehonoreerd, met dien verstande dat het hof de te verbeuren dwangsom zal mitigeren en maximeren, één en ander als in het dictum nader aan te geven.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 21 februari 2014, voor zover daarin is bepaald dat de proefcontacten tussen [verweerder] (de man) en [minderjarige] (de minderjarige) zullen plaatsvinden onder begeleiding van [Y];

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

in het incidenteel appel:

bepaalt dat de proefcontacten tussen [verweerder] (de man) en [minderjarige] (de minderjarige) zullen plaatsvinden onder begeleiding van een door Bureau Jeugdzorg Overijssel aan te wijzen instantie;

veroordeelt [verzoekster] om mee te werken aan de proefcontacten op verbeurte van een dwangsom van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) per dag of gedeelte daarvan dat zij niet meewerkt aan de proefcontacten en bepaalt dat deze dwangsommen het totaalbedrag van

€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) niet te boven zullen gaan;

verklaart deze beschikking in het principaal en incidenteel appel uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door W. Foppen, G.M. van der Meer en M.P. den Hollander, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 oktober 2014 in het bijzijn van de griffier.