Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8328

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
P14-374
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag is of de vreemdelingenrechtelijke aspecten in de weg staan aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Uit de uitspraak in de zaak Rangelov tegen Duitsland van 22 maart 2012, no. 5123/07 valt af te leiden dat onder omstandigheden het anders behandelen van een vreemdeling dan een eigen onderdaan omwille van zijn vreemdelingenrechtelijke status in strijd kan komen met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 5 van dat verdrag. Nu na de brief van de staatssecretaris van 28 januari 2014 aan de Tweede Kamer geen aanpassing van de Verlofregeling TBS heeft plaatsgehad en tevens binnen afzienbare termijn geen repatriëring met toepassing van artikel 38la van het Wetboek van Strafrecht valt te verwachten, waardoor de terbeschikkinggestelde in feite in een uitzichtloze situatie is komen te verkeren, is het hof van oordeel dat thans sprake is van een schending van het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 5 EVRM.

Het hof zal behoudens de bepaling “dat de vreemdelingenrechtelijke positie van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van de bewegingsvrijheden die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging” de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014 tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege bevestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P14/0374

Beslissing d.d. 30 oktober 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014, voor zover houdende de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege .

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 mei 2003, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

  • -

    het verlengingsadvies van [kliniek] van

8 april 2014 ;

  • -

    de wettelijke aantekeningen over de periode van 19 juni 2013 tot en met 18 december 2013;

  • -

    de zesjaars verlengingsrapportages van A.E. Haan, psycholoog en I. Maksimovic, psychiater van respectievelijk 20 maart 2014 en 4 april 2014;

  • -

    de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 25 april 2014;

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van de officier van justitie van 4 juni 2014 ;

de schriftuur hoger beroep van het openbaar ministerie van 17 juni 2014;

- het aanvullend advies van [kliniek] van 6 oktober 2014

- de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 8 oktober 2014;

- de door de raadsman ter zitting overgelegde pleitnota met bijlagen.

Het hof heeft ter zitting van 9 oktober 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Bosma, advocaat te Assen, en de advocaat-generaal mr. A.H.J.M. Damen.

Overwegingen:

Het advies van de kliniek van 8 april 2014

De terbeschikkinggestelde lijdt aan paranoïde schizofrenie. Zonder het gebruik van antipsychotische medicatie is er sprake van een toename van psychoses.

De risicofactoren die binnen de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de terbeschikkinggestelde liggen, kunnen mogelijk toenemen indien hij spanning en stress ervaart en de begeleiding en structuur afnemen. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag in de maatschappij wordt op grond van de huidige situatie op de korte termijn als matig geschat en op de lange termijn als matig tot groot geschat. Binnen een begeleide verlofsituatie wordt het risico op gewelddadig gedrag als gering geschat. Deze inschatting is sterk afhankelijk van de mate waarin de terbeschikkinggestelde medicatietrouw is, een evenwichtige draagstructuur heeft en adequate begeleiding krijgt. De kliniek is van mening dat een stapsgewijze resocialisatie in een omgeving met voldoende professionele en sociale begeleiding aangewezen is. Daarbij denkt de kliniek aan opname in een FPK. Bij een eventuele terugkeer naar Kroatië is het van belang dat er aandacht wordt besteed aan het opbouwen van een steunend sociaal en professioneel netwerk alsmede aan het vinden van een zinvolle dagbesteding en werk. Ook dient hij zijn medicatie te blijven gebruiken en abstinent van middelen te blijven. De kliniek schat in dat in Kroatië niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van minimale zorg en begeleiding waardoor het delictgevaar tot ongewenste hoogte zal stijgen.

Uit het aanvullend advies van 6 oktober 2014 komt naar voren dat er sprake is van een stabiel beeld en dat de terbeschikkinggestelde in afwachting is van hetgeen er verder zal gaan gebeuren. De terbeschikkinggestelde zit binnen Veldzicht aan zijn behandelplafond en is duidelijk toe aan een traject van resocialisatie. De kliniek geeft de voorkeur aan een voorwaardelijke beëindiging zodat de terbeschikkinggestelde kan oefenen met verandering van structuur en het aangaan van nieuwe ondersteunende contacten. In het kader van een verloftraject kan hij leren omgaan met prikkels en verleidingen. Vanuit deze situatie zou hij met steun van zijn familie kunnen toewerken naar uitplaatsing richting Kroatië. In verband met zijn verblijfsrechtelijke status wordt verlof binnen het kader van een voorwaardelijke beëindiging alleen toegekend als er sprake is van een reëel traject richting vorengenoemde uitplaatsing. Een directe uitplaatsing is gezien zijn ziektebeeld en hospitalisatie alleen verantwoord indien sprake is van samenwerking met de terbeschikkinggestelde en zijn familie zodat zorg en opvang op de langere termijn voldoende zijn gewaarborgd. Aan deze voorwaarde kan thans niet worden voldaan omdat de motivatie bij de terbeschikkinggestelde en zijn familie ontbreekt en daarnaast de professionele opvangmogelijkheden in Kroatië voor de langere termijn te beperkt zijn. De kliniek is van mening dat uitplaatsing naar Kroatië vooralsnog geen reële optie is.

Het advies van de externe deskundigen

De deskundigen hebben als diagnose gesteld schizofrenie van het paranoïde type. Volgens de psychiater is de terbeschikkinggestelde al een hele lange tijd stabiel. Hij heeft ziektebesef en het inzicht dat hij zijn hele leven lang in behandeling moet blijven. Alles bij elkaar schat de psychiater het recidiverisico in de huidige context, maar ook in de context van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging als laag in. Bij het wegvallen van de externe structuur en onder stresserende omstandigheden wordt het op den duur als matig ingeschat. De belangrijkste beschermende factor is het ziekte inzicht van de terbeschikkinggestelde. Verder is ondersteuning vanuit zijn netwerk van groot belang. De terbeschikkinggestelde zal zijn leven lang afhankelijk blijven van antipsychotische medicatie en hij zal onder controle moeten blijven van een psychiater. Het is nu zaak om de terbeschikkinggestelde stapsgewijs te resocialiseren om daarmee te bepalen wat het hoogst haalbare niveau van functioneren is. De psychiater heeft geadviseerd om de terbeschikkingstelling te verlengen met een jaar en de verpleging voorwaardelijk te beëindigen met plaatsing van de terbeschikkinggestelde in een FPK.

Volgens de psycholoog lijkt het recidiverisico op geweldsdelicten laag te zijn bij voortzetting van de nodige zorg (voornamelijk bestaand uit medicamenteuze behandeling), begeleiding en toezicht. Pas wanneer opnieuw sprake zou zijn van maatschappelijke teloorgang, ontrouw in medicatiegebruik, misbruik van middelen en psychotische decompensatie kan het recidiverisico weer oplopen tot een hoog niveau. De klinische behandeling zou zo snel mogelijk moeten worden beëindigd. De beveiliging van een tbs-kliniek is niet meer nodig. De terbeschikkinggestelde zou zo snel mogelijk moeten worden geresocialiseerd. Gezien het feit dat hij al jarenlang stabiel is en ook stabiel blijft, ondanks allerlei tegenslag en onzekerheid is voortzetting van de zorg via de reguliere ggz geïndiceerd. Dit kan binnen het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. De psycholoog ondersteunt de opvatting dat terugkeer naar Kroatië momenteel niet mogelijk is.

Brief Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 8 oktober 2014

De IND verwijst naar haar brief van 12 februari 2014 alsmede naar hetgeen op de zitting van het gerechtshof op 13 februari 2014 door de vertegenwoordiger van de IND in deze zaak naar voren is gebracht. Kort gezegd is aangegeven dat het aan de terbeschikkinggestelde opgelegde inreisverbod zal worden opgeheven. Daarnaast is per brief aan de terbeschikkinggestelde het voornemen bekendgemaakt om zijn verblijfsrecht te beëindigen en om hem ongewenst te verklaren. In het kader van dit voornemen is de terbeschikkinggestelde op 19 juni 2014 door een ambtelijke commissie gehoord. Als gevolg van het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie en gelet op de informatie die zich in het dossier bevindt, is besloten de beslissing inzake het voornemen tot verblijfsbeëindiging en ongewenst verklaring aan te houden totdat het hof uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep.

Het standpunt van het openbaar ministerie

In de appelschriftuur heeft de officier van justitie aangevoerd dat, hoewel de [kliniek] zich tot op heden niet positief heeft uitgelaten over de mogelijkheid van repatriëring naar een passende voorziening in Kroatië, deze repatriëring zonder nader uitsluitend onderzoek nog tot de mogelijkheden behoort. Van belang is daarbij dat de artikelen 38la en 38lb van het Wetboek van Strafrecht alleen deze mogelijkheid bieden wanneer sprake is van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Deze mogelijkheid wordt door de beslissing van de rechtbank doorkruist. De kliniek heeft echter aangegeven dat zij voor een volgende zitting, bij het gerechtshof, in een rapport nader zal adviseren over de mogelijkheid van repatriëring. Thans is de terbeschikkinggestelde dan ook meer gebaat bij een voortzetting van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het recidivegevaar nog aanwezig is en dat de terbeschikkinggestelde gebaat is bij structuur. Hij blijft afhankelijk van medicatie. Gelet op het gelijkheidsbeginsel zou nu een begin met het resocialisatietraject moeten worden gemaakt. Bij overplaatsing naar een FPK zal de terbeschikkinggestelde echter geen toestemming krijgen voor (onbegeleide) verloven. In het geval dat de terbeschikkinggestelde toch verloven zal gaan praktiseren, bestaat de kans dat de terbeschikkinggestelde in de vreemdelingenbewaring terecht komt, hetgeen niet in zijn belang is. De enige opties zijn thans een longstay plaatsing of terugkeer naar Kroatië. Een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is thans niet opportuun. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en afwijzing van het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging in de lijn van de vorige beslissing van het hof. Eventueel zou het hof de zaak nog kunnen aanhouden voor een nader onderzoek naar de mogelijkheid van toepassing van de artikelen 38la en 38lb van het Wetboek van Strafrecht. De verblijfsrechtelijke status van de terbeschikkinggestelde moet dan wel duidelijk zijn.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Zo lang als de terbeschikkinggestelde zich aan de voorwaarden houdt van een voorwaardelijke beëindiging is er volgens de raadsman geen sprake van een strafbaar verblijf als bedoeld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Dat is pas het geval als alle stappen volgens de Terugkeerrichtlijn zijn doorlopen, hetgeen hier (nog) niet is gebeurd.

De officier van justitie is in zijn appelschriftuur niet ingegaan op de bepaling van de rechtbank dat de vreemdelingenrechtelijke positie van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van bewegingsvrijheden die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Zowel [kliniek] als de externe deskundigen zien niets in een nader onderzoek naar een passende voorziening in Kroatië. Een dergelijke voorziening is er niet in Kroatië.

Er lijkt volgens de raadsman een gerede kans te bestaan dat een ongewenst verklaring achterwege wordt gelaten als het hof de beslissing waarvan beroep bevestigt. De raadsman verzoekt het hof dan ook dit te doen.

Het oordeel van het hof

Het hoger beroep van de officier van justitie is slechts gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling met verpleging. Het hoger beroep richt zich derhalve niet tegen de gelijktijdige beslissing tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar.

Het hof stelt vast dat er sprake is van een langdurige impasse. De terbeschikkinggestelde is intramuraal uitbehandeld en al enige jaren toe aan resocialisatie. Vanwege het aan de terbeschikkinggestelde opgelegde inreisverbod dat nog steeds van kracht is, komt de terbeschikkinggestelde op grond van het bepaalde in artikel 2, zesde lid onder a van de Verlofregeling TBS niet in aanmerking voor een machtiging tot verlof. In een eerdere beslissing heeft het hof geconstateerd dat deze bepaling op gespannen voet staat met een van de wettelijke doelstellingen van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, namelijk behandeling van de veroordeelde en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij. Verloven maken een essentieel onderdeel uit van de behandeling en resocialisatie (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4877). De sleutel tot doorbreking van deze patstelling, namelijk een bijstelling van de verlofregeling TBS, ligt in handen van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 28 januari 2014 (Kamerstukken II 2013-2014, 29452 nr. 167) heeft de staatssecretaris verwezen naar een eerdere toezegging om de Tweede Kamer te informeren over een eventuele aanpassing van de verlofregeling TBS en het beleidskader Long Stay Forensische Zorg zodat er meer aansluiting is met het vreemdelingenbeleid. In deze brief geeft de staatssecretaris een uiteenzetting van de huidige praktijk met betrekking tot de plaatsing en repatriëring van vreemdelingen met een tbs-maatregel maar verder dan een toezegging om (nog eens) te bezien of het zinvol en wenselijk is om de verlofregeling TBS te wijzigen gaat de staatssecretaris niet. Een geleidelijke resocialisatie met verlofmachtigingen is derhalve nog steeds niet mogelijk.

Het hof stelt voorts vast dat het traject van repatriëring met toepassing van artikel 38la van het Wetboek van Strafrecht tot nu toe niet tot resultaat heeft geleid en naar verwachting ook niet binnen afzienbare termijn tot resultaat zal leiden. Op grond van de op dit moment voorhanden zijnde informatie schat de kliniek in dat aan de voorwaarden van minimale zorg en begeleiding in Kroatië, met name op de langere termijn niet kan worden voldaan. Daarnaast zal bij het uitzetten van de terbeschikkinggestelde naar Kroatië zijn sociale netwerk, een belangrijke beschermende factor, grotendeels wegvallen.

Voorwaardelijke beëindiging?

De terbeschikkinggestelde lijdt aan paranoïde schizofrenie maar functioneert al geruime tijd stabiel. Op grond van de uitgebrachte adviezen van zowel de kliniek als de externe deskundigen stelt het hof vast dat het recidiverisico in zodanige mate is verminderd dat een resocialisatietraject vanuit veiligheidsoogpunt verantwoord is en bovendien gewenst ter voorkoming van (verdere) hospitalisatie en een verslechtering van de psychische gesteldheid van de terbeschikkinggestelde. De vraag is echter of vreemdelingenrechtelijke aspecten in de weg staan aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

In zijn vorige verlengingsbeslissing van 27 februari 2014 kwam het hof tot de slotsom dat een voorwaardelijke beëindiging met als noodzakelijk geachte voorwaarde plaatsing van de terbeschikkinggestelde in een Forensisch Psychiatrische Kliniek vanwege het nog steeds geldende inreisverbod zowel feitelijk als juridisch niet haalbaar was. Met de rechtbank komt het hof echter thans tot een ander oordeel.

In de hiervoor aangehaalde uitspraak van het hof van 4 juli 2013 heeft het hof overwogen dat een bijstelling van de Verlofregeling TBS in het licht van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Rangelov tegen Duitsland van 22 maart 2012, no. 5123/07 noodzakelijk lijkt. Uit die uitspraak valt af te leiden dat onder omstandigheden het anders behandelen van een vreemdeling dan een eigen onderdaan omwille van zijn vreemdelingenrechtelijke status in strijd kan komen met het discriminatieverbod van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 5 van dat verdrag. Nu, zoals hiervoor overwogen, ook na genoemde brief van de staatssecretaris van 28 januari 2014 aan de Tweede Kamer geen aanpassing van de Verlofregeling TBS heeft plaatsgehad en tevens binnen afzienbare termijn geen repatriëring met toepassing van artikel 38la van het Wetboek van Strafrecht valt te verwachten, waardoor de terbeschikkinggestelde in feite in een uitzichtloze situatie is komen te verkeren, is het hof van oordeel dat thans sprake is van een schending van het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 5 EVRM.

Ter voorkoming van een verdere schending van deze verdragsbepalingen is een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging aangewezen en ook verantwoord onder de door de rechtbank daaraan verbonden voorwaarden. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat artikel 14 in samenhang met artikel 5 EVRM in dit geval er toe dwingt dat de terbeschikkinggestelde een zoveel mogelijk gelijkwaardige behandeling en resocialisatie dient te worden aangeboden als aan een terbeschikkinggestelde eigen onderdaan of een terbeschikkinggestelde vreemdeling met een verblijfsstatus, hetgeen betekent dat de vreemdelingenrechtelijke status van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van de bewegingsvrijheden die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met de voorwaarden zoals opgesteld door de reclassering. Het laatste verstaat het hof als een dringend advies aan het adres van de administratie, nu de verlengingsrechter niet de wettelijke bevoegdheid heeft om dit formeel te bepalen.

Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank op goede gronden met verwijzing naar artikel 11, eerste lid Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden de [kliniek] heeft aangewezen als instelling waar de terbeschikkinggestelde verder (klinisch) zal worden behandeld.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist tot de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden en aanvulling als hierboven vermeld worden bevestigd, behoudens de bepaling “dat de vreemdelingenrechtelijke positie van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van de bewegingsvrijheden die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging”.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2014, voor zover houdende de beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege behoudens de bepaling als hiervoor in de laatste overweging weergegeven.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr M. Keppels als raadsheren,

en I.M. van Woudenberg en drs. R. Vecht-van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,

en op 30 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

Mr R. Prakke-Nieuwenhuizen en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.