Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8273

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
200.140.607-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging van grondslag in hoger beroep. De wederpartij maakt hiertegen bezwaar, omdat nu maar in één feitelijke instantie over de nieuwe grondslag kan worden gedebateerd. Het hof passeert dit verweer, omdat de wet een eis- of grondslagwijziging nu eenmaal mogelijk maakt en er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.607/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 2133053 CV EXPL 13-2920)

rolbeschikking van de eerste enkelvoudige kamer van 28 oktober 2014 in de zaak van:

N.V. Univé Schade,

gevestigd te Zwolle,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Univé,

advocaat: mr. G. Loman, kantoorhoudend te Assen,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. A.C.M. Prasing-Remmé, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van 5 november 2013 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter), en beschikking van de kantonrechter van 17 december 2013 waarbij tussentijds appel is opengesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 15 januari 2014;

- de memorie van grieven van Univé;

- de memorie van antwoord (met producties), tevens akte houdende wijziging van eis van de Staat;

- de akte uitlating wijziging van eis van Univé;

- de antwoordakte uitlating wijziging van eis van de Staat.

2.2

De vordering van Univé luidt:

"(...) te vernietigen het vonnis van 5 november 2013 van de Rechtbank Overijssel (...) en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, primair geïntimeerde alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn in eerste aanleg ingestelde vorderingen althans hem deze vorderingen te ontzeggen, subsidiair geïntimeerde in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat de schade van 28 april 2010 is ontstaan door een roerende zaak welke niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mocht stellen, dat bekend was dat deze zaak daardoor een bijzonder gevaar voor personen of zaken opleverde, en dat dit gevaar zich verwezenlijkt heeft, althans als gevolg van een gebrekkige zaak in de zin van art. 6:173 BW, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de (na)kosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en -voor het geval de voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening."

3 De beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende. De auto van [X] is op 28 april 2010 op een afrit van rijksweg A7 ter hoogte van de afrit Slochteren in brand geraakt. Als gevolg van de brand is schade ontstaan aan het wegdek ter plaatse. [X] was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Univé.

3.2

In eerste aanleg heeft de Staat gevorderd dat Univé wordt veroordeeld tot betaling van de door haar geleden schade, te weten € 14.247,86 (incl. btw) voor herstelwerkzaamheden door een derde en € 340,34 administratiekosten. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de Staat in eerste aanleg aangevoerd dat [X] aansprakelijk is als de bezitter van een gebrekkige zaak (de auto) op de voet van art. 6:173 lid 1 BW. Ingevolge art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) is Univé aansprakelijk, aldus de Staat.

3.3

In het vonnis van 5 november 2013 heeft de kantonrechter overwogen dat op Univé de bewijslast rust van het bevrijdend verweer dat [X] de auto - voor zover de verkeerssituatie dat toeliet - dadelijk nadat het rode waarschuwingslampje in de auto ging branden, tot stilstand heeft gebracht. De kantonrechter heeft Univé dienovereenkomstig tot bewijslevering toegelaten.

3.4

In hoger beroep heeft de Staat de grondslag van haar vordering uitgebreid. De Staat stelt dat Univé tevens aansprakelijk is op de voet van art. 6:162 BW in samenhang met art. 6 lid 1 WAM. Ter toelichting van haar eiswijziging heeft de Staat - samengevat - aangevoerd dat [X] niet conform het instructieboekje van de auto heeft gehandeld en de auto, toen het rode waarschuwingslampje ging branden, niet direct heeft gestopt. Dusdoende heeft [X] gehandeld in strijd met datgene dat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die handeling kan hem worden toegerekend op grond van schuld, zodat Univé als de verzekeraar van [X] aansprakelijk is, aldus tot zover de Staat.

3.5

Univé verzet zich tegen de eiswijziging. In dit stadium van de procedure is een dergelijke eiswijziging volgens Univé in strijd met de goede procesorde omdat Univé de mogelijkheid wordt ontnomen om in twee instanties te debatteren over de grondslag van de vermeende vordering van de Staat. Voorts stelt Univé dat de nieuwe grondslag de vordering van de Staat niet kan dragen.

3.6

De Staat stelt zich in haar antwoordakte op het standpunt dat de bezwaren van Univé dienen te worden verworpen.

3.7

Het hof overweegt dat op grond van art. 130 lid 1 Rv juncto art. 353 lid 1 Rv aan de Staat de bevoegdheid toekomt haar eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden, indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

3.8

De bevoegdheid om de eis of de gronden daarvan te wijzigen is in hoger beroep in die zin beperkt, dat de eiswijziging niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de verandering of vermeerdering van eis plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).

3.9

Het hof stelt vast dat de eiswijziging voldoet aan de in 3.8 vermelde "in beginsel strakke regel", nu de Staat haar eiswijziging in de memorie van antwoord heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging.

3.10

Ten aanzien van de stelling van Univé dat haar door de grondslagwijziging een feitelijke instantie wordt onthouden, oordeelt het hof dat aan het wettelijk stelsel inherent is dat op de gewijzigde eis slechts door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet doorslaggevend. Het hof ziet in de aard van de overhavige procedure, te weten een appel tegen een tussenvonnis waarbij de nadruk ligt op de vraag op welke partij de bewijslast rust, geen bijzondere omstandigheden om hier in dit geval anders over te oordelen.

3.11

Voor zover in de bezwaren van Univé inhoudelijke argumenten besloten liggen die erop neerkomen dat de vordering van de Staat (ook) op de nieuwe grondslag niet voor toewijzing in aanmerking komt, gaat dit de grenzen van de thans te plegen beoordeling te buiten. Het hof zal deze stellingen van Univé betrekken bij de beoordeling van de hoofdzaak.

3.12

In de bezwaren van Univé ziet het hof dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zij door de grondslagwijziging van de Staat onredelijk in haar verdediging worden bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Ook ambtshalve ziet het hof geen grond voor een dergelijk oordeel.

3.13

De conclusie luidt dat de bezwaren van Univé tegen de eiswijziging zullen worden verworpen. Het hof zal in hoger beroep derhalve recht doen op de gewijzigde eis dan wel grondslag van de Staat. De (hoofd)zaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt de bezwaren van Univé tegen de eiswijziging van de Staat;

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 11 november 2014 voor uitlating partijen (akte/pleidooi/arrest/doorhaling).

Deze rolbeschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, rolraadsheer, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 oktober 2014 in bijzijn van de griffer.