Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8270

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
200.145.704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging (gezamenlijk) gezag, wijziging geslachtsnaam, omgangs- en contactregeling. Rechtsmacht Nederlandse rechter en Nederlands recht van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.145.704

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 343016)

beschikking van de familiekamer van 28 oktober 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.D. Bakker te Den Haag,

en

[verweerder 1] en [verweerder 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

verder te noemen: de vader, respectievelijk [verweerder 2],

advocaat: mr. J.W.C. Giebels te Nijmegen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de stichting.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 januari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 22 april 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 4 juni 2014;

- een brief van de stichting van 17 juni 2014 met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2014;

- een faxbericht van de stichting van 2 juli 2014, ingekomen op diezelfde dag.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 september 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is[...] verschenen. Namens de stichting zijn verschenen [...] (gezinsvoogd) en [...].

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de vader hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] is geboren [het kind] (hierna te noemen: [het kind]). De vader heeft [het kind] reeds voor haar geboorte erkend.

3.2

De moeder is de eerste jaren na de geboorte van [het kind] alleen belast geweest met het ouderlijk gezag over haar.

3.3

De vader en [verweerder 2] wonen vanaf 2007 samen en zijn op 16 februari 2010 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Uit de relatie van de vader en [verweerder 2] zijn drie kinderen geboren, die door de vader zijn erkend en waarover de vader en [verweerder 2] samen het gezag uitoefenen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 28 april 2008 zijn de vader en de moeder gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [het kind].

3.5

Bij beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 8 december 2009 is bepaald dat het ouderlijk gezag over [het kind] aan de vader alleen toekomt. Het hof heeft daarbij tevens geoordeeld dat het in het belang van [het kind] is dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader is. Sinds 25 februari 2010 woont [het kind] bij de vader en [verweerder 2].

3.6

Bij beschikking van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2011 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [het kind] waarbij omgang plaatsvindt één keer per zes weken gedurende anderhalf uur onder begeleiding van de stichting. Tevens is daarbij bepaald dat de vader ervoor zorgt dat de moeder één keer per twee maanden de nodige informatie over [het kind] krijgt en mede met behulp van recente foto’s en schoolrapporten op de hoogte wordt gehouden van haar gezondheid en ontwikkeling.

3.7

Op vierjarige leeftijd is [het kind] onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Eindhoven; thans staat zij onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. De termijn van de ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 oktober 2013, met ingang van 2 november 2013 tot 2 november 2014.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het (gezamenlijk) gezag over [het kind], haar geslachtsnaam, de omgangs- en contactregeling en als onderdeel daarvan de informatie- en consultatieverplichting.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat het gezag over [het kind] mede toekomt aan [verweerder 2], de geslachtsnaam van [het kind] gewijzigd van “[geslachtsnaam moeder]” in “[geslachtsnaam vader]”, en het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de moeder om haar tezamen met de vader met het gezag over [het kind] te belasten en een meer uitgebreide zorgregeling, een regeling over telefonisch contact en een meer uitgebreide informatie- en consultatieverplichting vast te stellen, zijn afgewezen.

4.2

De moeder is van de bestreden beschikking met vier grieven in hoger beroep gekomen.

Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

  • -

    de vader en [verweerder 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen;

  • -

    de moeder samen met de vader te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [het kind];

  • -

    een zorgregeling tussen de moeder en [het kind] vast te stellen van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.30 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de christelijke en nationale feestdagen en vrije schooldagen, waarbij de moeder [het kind] ophaalt uit school in [woonplaats] en de vader [het kind] ophaalt uit Eindhoven, dan wel een zodanige zorgregeling als het hof juist acht, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke keer dat de vader de zorgregeling niet of niet geheel nakomt;

  • -

    te bepalen dat [het kind] en de moeder iedere woensdag tussen 18.30 uur en 19.30 uur telefonisch contact met elkaar hebben op een locatie waar [het kind] dan bereikbaar is via Skype met webcamverbinding, dan wel op een andere dag en/of ander tijdstip in de week, niet zijnde het weekend, welk geschikter is voor [het kind];

  • -

    aan de vader op te leggen dat hij maandelijks inhoudelijk de moeder meer uitgebreid informeert over het opgroeien en de ontwikkeling van [het kind] in het kader van de reeds door het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, opgelegde informatie- en consultatieverplichting, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de vader zijn verplichting tot informeren of consulteren niet of niet volledig nakomt.

4.3

De vader en [verweerder 2] voeren verweer en zij verzoeken het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de moeder af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Met de moeder, en anders dan de vader en [verweerder 2] stellen, zal het hof ervan uitgaan dat de moeder in Groot-Brittannië woont, zodat de onderhavige zaak een internationaal element heeft en het hof eerst zal moeten beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Voor zover het gaat om de tussen partijen bestaande geschilpunten die betrekking hebben op het gezag over [het kind], de omgangs- en contactregeling tussen [het kind] en de moeder en de informatie- en consultatieplicht van de vader jegens de moeder, overweegt het hof dat ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis) bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend (artikel 8 lid 1 jo artikel 16 lid 1, aanhef en sub a, Brussel II-bis). Het inleidend stuk is op 24 april 2013 ter griffie van de rechtbank ingekomen. De gewone verblijfplaats van [het kind] op die datum was gelegen in Nederland. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Voor zover tussen partijen de (wijziging van de) geslachtsnaam van [het kind] in geschil is, volgt uit artikel 2 van de Overeenkomst inzake de verandering van geslachtsnamen en voornamen van 4 september 1958, Trb. 1960, 48, waarbij Nederland partij is, dat bepalend is of [het kind] Nederlands onderdaan is. Nu [het kind] is geboren uit de relatie van een Nederlandse vader en een Nederlandse moeder, de moeder pas na haar geboorte in Groot-Brittannië is gaan wonen en niet is gesteld of gebleken dat [het kind] naast de Nederlandse nationaliteit een andere nationaliteit heeft, komt aan de Nederlandse rechter ook in zoverre rechtsmacht toe.

Voorts dient te worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de onderscheiden geschilpunten tussen partijen. Ingevolge de artikelen 3 en 4 in verbinding met artikel 15 lid 1 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen van 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) is op de geschilpunten van partijen die betrekking hebben op het gezag over [het kind], de omgangs- en contactregeling tussen haar en de moeder en de jegens de moeder in acht te nemen informatie- en consultatieverplichting het Nederlands recht van toepassing. Voor zover tussen partijen in geschil is of de geslachtsnaam van [het kind] dient te worden gewijzigd, behoort deze beoordeling, ingevolge artikel 10:20 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in geval van een persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft te geschieden aan de hand van het Nederlands recht, ongeacht de vraag of hij ook nog een andere nationaliteit heeft. Nu [het kind] is geboren uit de relatie van een Nederlandse vader en een Nederlandse moeder, de moeder pas na haar geboorte in Groot-Brittannië is gaan wonen en niet is gesteld of gebleken dat [het kind] niet de Nederlandse nationaliteit heeft, is ook in zoverre Nederlands recht op het geschil van toepassing.

5.2

De moeder kan zich om de volgende redenen niet verenigen met de door de rechtbank gegeven beschikking.

Haar eerste grief richt de moeder tegen het oordeel van de rechtbank dat het passend en in het belang van [het kind] is dat de juridische situatie aansluit bij de werkelijke situatie waarin [verweerder 2] de praktische en dagelijkse zeggenschap heeft over [het kind]. Dit enkele feit is volgens de moeder onvoldoende reden om [verweerder 2] als stiefouder mede met het gezag over [het kind] te belasten. Ook de verklaringen van de raad bevatten geen enkele grond voor het toekennen van het gezag aan [verweerder 2]. De band tussen de moeder en [het kind] is door de vader, [verweerder 2] en de stichting ernstig bemoeilijkt en wordt daardoor tot een minimum gereduceerd. Dit acht de moeder niet in het belang van [het kind]. Daarnaast plaatst de moeder grote vraagtekens bij de stabiliteit binnen het gezin van de vader. De moeder stelt ten slotte dat het ouderlijk gezag haar ten onrechte is ontnomen. In ieder geval is volgens haar een nader onderzoek door de raad geïndiceerd.

In haar tweede grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist de geslachtsnaam van [het kind] te wijzigen in “[geslachtsnaam vader]”. De keuze voor de achternaam “[geslachtsnaam moeder]” is destijds weloverwogen door de moeder en de vader tezamen genomen. De gevolgen van een wijziging van de geslachtsnaam zijn volgens de moeder verstrekkend. Gelet op de leeftijd van [het kind], die inmiddels acht jaar oud is, is zij zich zeer bewust van haar eigen achternaam die een belangrijk element van haar identiteit is geworden. De geslachtsnaamwijziging is volgens de moeder niet gerechtvaardigd en is gebaseerd op een eenzijdige – louter praktische – en onvolledige belangenafweging, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de effecten van de naamswijziging op [het kind] zelf.

In haar derde grief stelt de moeder dat de rechtbank de omgangs- en contactregeling, zoals vastgesteld in de beschikking van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van

12 juli 2011, ten onrechte heeft gehandhaafd en dat de rechtbank de verzoeken van de moeder die juist strekten tot uitbreiding van die regeling, onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. De moeder stelt dat de stichting en de vader de contacten tussen de moeder en [het kind] vrijwel geheel onmogelijk maken. Van de door de stichting en de vader gestelde reactieve hechtingsstoornis bij [het kind], op basis waarvan de thans geldende omgangsregeling is vastgesteld, is de moeder nooit iets gebleken. Noch de stichting noch de vader heeft dit gedocumenteerd. De moeder stelt dat een uitbreiding van de omgangsregeling zoals door haar voorgestaan in het belang van [het kind] is. De moeder kan daardoor een betere aansluiting zoeken op de belevingswereld van [het kind]. De moeder betwist uitdrukkelijk dat onvoorbereid (bedoeld zal zijn: onbegeleid) contact niet mogelijk zou zijn omdat gecheckt moet worden of zij alcohol heeft gebruikt. Dit is volgens de moeder volstrekt uit de lucht gegrepen en nergens op gebaseerd. De moeder lijkt voortdurend afgerekend te worden op de negatieve rapportage van de raad van 25 juni 2009, waarin gebeurtenissen zijn beschreven uit een periode waarin de moeder, mede door toedoen van de vader, onder zware druk leefde. Alles lijkt volgens de moeder terug te voeren op een streven (van de stichting) om de rol van de moeder tot een volstrekt minimum terug te brengen. Er dient volgens de moeder een meer uitgebreide en meer gangbare omgangsregeling te worden vastgesteld die [het kind] in staat stelt een redelijke band met haar moeder en de familie [de moeder] te onderhouden.

Tot slot stelt de moeder in haar vierde grief dat de inhoudelijke berichten die de vader aan de moeder doet toekomen aangaande [het kind] in het kader van de opgelegde informatie- en consultatieverplichting, te summier zijn en dat deze berichten de moeder niet in staat stellen zich een behoorlijk beeld van de ontwikkeling van [het kind] te vormen. Zo verzuimt de vader haar op de hoogte te stellen van de emotionele toestand en ontwikkeling van [het kind], van medische zaken en van de professionele hulpverlening die [het kind] heeft (gehad). Evenals de stichting schiet de vader volgens haar stelselmatig tekort in de nakoming van de verplichting tot het verstrekken van informatie.

5.3

De vader en [verweerder 2] voeren het volgende als verweer aan.

In reactie op de eerste grief stellen zij dat gezamenlijk gezag van de vader en de moeder in strijd is met de belangen van [het kind]. Volgens hen staat vast dat de moeder en de vader op geen enkele wijze met elkaar kunnen communiceren en derhalve niet in staat zijn te overleggen over [het kind] en ten aanzien van haar samen beslissingen te nemen. Het contact tussen de vader en de moeder is in de loop der tijd – mede op advies van de stichting – tot een minimum gereduceerd, teneinde de rust in het gezin van de vader te bewaren. Voorkomen dient te worden dat [het kind] klem en verloren komt te zitten tussen de vader en de moeder. Er blijkt volgens de vader uit niets dat bij de moeder een verandering is opgetreden waardoor binnen afzienbare termijn in de huidige situatie een verandering kan worden verwacht. Het gezamenlijk gezag van de vader en [verweerder 2] is in het belang van [het kind] en doet volgens hen recht aan de huidige situatie, waarin [verweerder 2] al meer dan vier jaar voor [het kind] zorgt als voor haar eigen kinderen. Voor [het kind] is duidelijk wie haar moeder is en dat zal altijd zo blijven; ouderlijk gezag is hiervoor niet nodig.

In reactie op de tweede grief van de moeder stellen de vader en [verweerder 2] dat [het kind] al vier jaar deel uitmaakt van het gezin van de vader, met de drie andere kinderen, die allen zijn geslachtsnaam dragen. De identiteit van [het kind] wordt niet alleen gevormd door de afstamming van haar moeder, maar ook door die van de vader. Zij wijzen verder erop dat de geslachtsnaam van [het kind] is gewijzigd in die van haar vader en niet in die van een derde. Dat [het kind] psychische schade zou oplopen als gevolg van de naamswijziging, zoals de moeder stelt, is niet gebleken of onderbouwd. [het kind] is volgens de vader inmiddels gewend aan haar nieuwe naam en zij draagt deze met trots.

In reactie op de derde grief voeren de vader en [verweerder 2] aan dat de bestaande omgangs- en contactregeling weliswaar minimaal is, maar dat deze nog steeds de meest haalbare is. De moeder is in het verleden, en ook recent nog, onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van in het belang van [het kind] gemaakte afspraken. Vanaf december 2012 heeft de moeder tot driemaal toe geen uitvoering gegeven aan de omgangsregeling met als gevolg dat [het kind] de moeder over een periode van drie maanden niet heeft gezien. Ook is de moeder wel eens onder invloed van alcohol bij de stichting verschenen voor een omgangsmoment. Tijdens de omgangsmomenten zorgde de moeder voor verwarring bij [het kind] met bepaalde uitspraken, waarop de moeder door de gezinsvoogd is aangesproken. Anders dan de moeder stelt, heeft de vader haar wel degelijk geïnformeerd over de reactieve hechtingsstoornis bij [het kind].

In reactie op de vierde grief van de moeder, stelt de vader dat hij de moeder voorziet van voldoende inhoudelijke informatie over [het kind]. Deze informatie is steeds voorzien van een groot aantal foto’s. Ook de schoolrapporten worden aan de moeder gezonden. De vader stelt dat de moeder over ruim voldoende informatie beschikt. De moeder heeft tot aan het indienen van de zelfstandige verzoeken nooit aangegeven dat zij de informatie onvoldoende vond en zij heeft ook nooit op de inhoud van de informatie gereageerd.

De vader en [verweerder 2] achten ten slotte een nieuw (raads)onderzoek, zoals de moeder voorstaat, niet in het belang van [het kind]. Het gaat goed met [het kind] en een onderzoek zou eerder een belasting voor haar zijn dan dat dit iets zal opleveren.

5.4

De stichting heeft in haar brief van 17 juni 2014 haar standpunten kenbaar gemaakt. Gezamenlijk gezag van de moeder en de vader doet volgens de stichting geen recht aan de situatie waarin [het kind] opgroeit en zal de huidige communicatie en omgang niet verbeteren. De ouders zouden dan gezamenlijk allerlei beslissingen dienen te nemen over de verzorging en opvoeding van [het kind] en de stichting acht de moeder hiertoe niet in staat.

[het kind] heeft moeten wennen aan haar nieuwe achternaam. Soms vond ze het gek of lastig en soms was ze ook weer verbaasd als haar nieuwe naam ergens nog niet op stond.

Tijdens de omgangsmomenten stelt de moeder veel vragen, waarmee zij op zoek lijkt te zijn naar verwaarlozing, mishandeling of isolatie van [het kind] in haar huidige opvoedsituatie. [het kind] ervaart al deze vragen niet als prettig.

De vader informeert de moeder iedere twee maanden, zoals bepaald door het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Meestal informeert hij haar vaker.

De stichting stelt zich ten slotte op het standpunt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

ten aanzien van het gezag

5.5

Ingevolge artikel 1:253o BW kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.6

De moeder verzoekt het hof om haar samen met de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [het kind]. Voor toewijzing van dit verzoek bestaat naar het oordeel van het hof geen grond, nu de moeder niet heeft gesteld dat - en welke - omstandigheden zouden zijn gewijzigd na het geven van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 8 december 2009, waarin dat hof heeft bepaald dat het ouderlijk gezag over [het kind] alleen aan de vader toekomt. Evenmin is voldoende gesteld of gebleken dat destijds van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Dit betekent dat bij gezamenlijk gezag van de vader én de moeder nog steeds ervan moet worden uitgegaan dat in dat geval een onaanvaardbaar risico bestaat dat [het kind] bij toewijzing van het verzoek klem of verloren zal raken tussen de vader en de moeder en dat het niet valt te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

5.7

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat het gezag over [het kind] mede aan [verweerder 2] toekomt.

Ingevolge artikel 1:253t lid 1 BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen indien:

  1. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

  2. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt het verzoek afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

5.8

Het hof stelt - evenals de rechtbank - vast dat aan de formele eisen van het tweede lid van artikel 1:253t BW is voldaan. In hoger beroep is dit door de moeder ook niet weersproken. De moeder stelt echter wel dat toekenning van het gezag aan [verweerder 2] niet in het belang van [het kind] is en dat er ook overigens geen enkele grond is voor het toekennen van het gezag aan [verweerder 2].

Het overweegt dienaangaande als volgt.

Nu niet is betwist dat [verweerder 2] in een nauwe persoonlijke betrekking tot [het kind] staat en ook is voldaan aan de vereisten als bedoeld in artikel 1:253t lid 2 BW, dient nog slechts te worden beoordeeld of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat, mede in het licht van de belangen van [de moeder], gegronde vrees bestaat dat de belangen van [het kind] worden verwaarloosd bij inwilliging van het verzoek.

De moeder heeft in dit verband aangevoerd dat de band tussen haar en [het kind] door de vader, [verweerder 2] en de stichting ernstig wordt bemoeilijkt en tot een minimum wordt gereduceerd, dat zij dit niet in het belang van [het kind] acht en dat zij verder vraagtekens plaatst bij de stabiliteit binnen het gezin van de vader. Nu de moeder deze laatste stelling niet heeft onderbouwd, anders dan door te verwijzen naar een - in dit verband niet relevant - incident dat zich tussen de moeder en de vader in augustus 2009 zou hebben voorgedaan, gaat het hof aan die stelling voorbij. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken van enige instabiliteit binnen het gezin van de vader. Wel is ter zitting gebleken dat de vader en [verweerder 2] de kwetsbaarheden van [het kind] zien, deze goed kunnen benoemen en daar aandacht voor hebben. Mede daardoor gaat het nu goed met [het kind], doet zij het goed op school en wordt zij steeds weerbaarder. Dit wordt door de stichting bevestigd. Zowel de stichting als de raad acht inwilliging van het verzoek in het belang van [het kind].

Het hof deelt de vrees van de moeder niet dat bij inwilliging van het verzoek van de vader en [verweerder 2] de gegronde vrees bestaat dat de belangen van [het kind] zouden worden verwaarloosd. Met de stichting en de raad acht het hof het in het belang van [het kind] dat zij zich in positieve zin kan blijven ontwikkelen binnen het gezin van de vader en [verweerder 2], van welk gezin zij reeds vele jaren deel uitmaakt. Binnen dat gezin ervaart [het kind] de voor haar noodzakelijke rust en stabiliteit. Nu, behalve de vader, ook [verweerder 2] is belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding is het van belang dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft aansluit bij deze feitelijke situatie. Dit geldt niet anders voor het rechtsgevolg dat [verweerder 2] het gezag heeft, mocht de andere gezagsdrager, de vader, iets overkomen.

Dit betekent dat grief 1 tevergeefs is voorgesteld.

Al het voorgaande doet niet af aan de (biologische en emotionele) band die tussen de moeder en [het kind] bestaat en zal blijven bestaan. De moeder blijft de moeder van [het kind] en zal altijd een belangrijke rol in haar leven (moeten) blijven spelen. Het is aan de moeder om de weinige omgangsmomenten die zij thans met [het kind] heeft, zodanig in te vullen en vorm te geven dat deze band in stand blijft en waar mogelijk wordt verstevigd.

ten aanzien van de geslachtsnaam

5.9

Ingevolge artikel 1:253t lid 5 BW kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid van dat artikel vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien:

  1. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;

  2. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

5.10

Het hof stelt voorop dat met een geslachtsnaamwijziging van een kind, zeker wanneer het kind zich al bewust is van zijn achternaam, behoedzaam dient te worden omgegaan, nu het daaraan deels zijn identiteit ontleent.

Naar de gezinsvoogd ter zitting heeft verklaard, heeft [het kind] aanvankelijk enige moeite gehad met de naamswijziging, maar is zij gaandeweg gewend geraakt aan haar nieuwe geslachtsnaam. Voor de moeder is de wijziging van de geslachtsnaam wel een ingrijpende gebeurtenis, omdat zij dit - naar zij stelt - ervaart als het (verder) doorsnijden van de banden tussen haar en [het kind]. De vader en [verweerder 2] hebben hiertegenover aangevoerd dat zij zich de gevoelens van de moeder kunnen indenken, maar dat het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam in het belang van [het kind] is gedaan om haar positie binnen het gezin te verstevigen.

Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat de vader het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [het kind] heeft gedaan met het enkele doel om de moeder te kwetsen, zoals de moeder in haar beroepschrift stelt. Er valt aan te twijfelen of voldoende is komen vast te staan dat het wijzigen van de geslachtsnaam van [het kind] in de bestreden beschikking op dat moment in haar belang is geweest, nu de vader ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat [het kind] nooit heeft aangegeven haar geslachtsnaam “[geslachtsnaam moeder]” als een bezwaar te zien. Dit neemt evenwel niet weg dat de geslachtsnaam van [het kind] inmiddels is gewijzigd en dat zij, na een periode van gewenning de geslachtsnaam “[geslachtsnaam vader]” heeft geaccepteerd. Zo heeft [het kind] bij het laatste bezoek van de moeder desgevraagd verteld dat haar logo RFK ([het kind] [geslachtsnaam vader]) is. Het nu weer terugdraaien van die naamswijziging, acht het hof in ieder geval te verwarrend en onduidelijk voor [het kind] en daardoor niet in haar belang. Daarbij komt dat haar achternaam is gewijzigd in die van haar andere ouder, te weten haar vader. Gelet op al het voorgaande treft grief 2 geen doel.

ten aanzien van de omgangs- en contactregeling

5.11

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.12

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van het IVRK (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

5.13

Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).

5.14

Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.

5.15

Het hof overweegt ten aanzien van de omgangs- en contactregeling als volgt.

De huidige regeling is vastgesteld bij de beschikking van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2011 en op grond daarvan heeft de moeder recht op eenmaal in de zes weken begeleide omgang gedurende anderhalf uur onder begeleiding van de stichting.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de moeder de indruk heeft dat de stichting en de vader ernaar lijken te streven de rol van de moeder tot een volstrekt minimum terug te brengen (hetgeen door de stichting en de vader overigens gemotiveerd wordt betwist).

Naar het oordeel van het hof miskent de moeder hiermee echter haar eigen rol in het geheel en legt zij de oorzaak van de verminderde omgang geheel buiten zichzelf. De huidige omgangsregeling is ingegeven door het feit dat de moeder in het verleden onbetrouwbaar is gebleken in het nakomen van de afspraken rond de omgangs- en contactregeling en dat [het kind] de contacten door de vele (suggestieve) vragen van de moeder als belastend heeft ervaren. Ook nu blijkt de moeder de regeling niet altijd na te komen. Zo is door de vader en [verweerder 2] onweersproken gesteld dat de moeder sinds december 2012 tot driemaal toe geen uitvoering heeft gegeven aan de regeling, waardoor [het kind] haar moeder gedurende drie maanden niet heeft gezien. De gezinsvoogd heeft voorts ter zitting verklaard dat de moeder voorafgaand aan de omgangsmomenten een paar keer alcohol heeft gedronken dan wel die indruk te hebben gewekt. De moeder betwist dat dit het geval is geweest en heeft voorts ter zitting verklaard dat zij niet meer naar de omgangsmomenten bij de stichting gaat, mede omdat zij niet verder met de stichting wil. Uit de overgelegde rapportage en de verklaring van de stichting ter zitting is verder gebleken dat de moeder tijdens de omgangsmomenten met haar vraagstelling aan [het kind] op zoek gaat naar verwaarlozing, mishandeling of isolatie van [het kind] in haar huidige opvoedsituatie. Hoewel [het kind] ook zelf steeds mondiger wordt en beter leert aangeven wat ze niet prettig vindt, moet de gezinsvoogd vaak ingrijpen. De begeleiding is zelfs dusdanig intensief, dat de gezinsvoogd [het kind] tijdens een toiletbezoek begeleidt om te voorkomen dat de moeder met [het kind] meegaat en haar daar belast met informatie die ongeschikt voor haar is. Indien de moeder echter haar weerstand en wrok jegens de stichting kan “parkeren”, zijn de omgangsmomenten heel plezierig en gezellig, aldus de stichting.

Dat destijds is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens acht het hof, gelet op de gegeven omstandigheden, niet aannemelijk. Het gegeven dat [het kind] inmiddels ouder is geworden en zelf beter kan aangeven wat zij wel en niet prettig vindt tijdens de omgangsmomenten, is op zichzelf een omstandigheid die afwijkt van de omstandigheden die tijdens het nemen van de beslissing van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, op 12 juli 2011 aan de orde waren. Het hof is evenwel van oordeel dat de huidige omgangs- en contactregeling, als in de gegeven omstandigheden de best haalbare, dient worden gehandhaafd. Uitbreiding van de huidige omgangs- en contactregeling acht het hof, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden niet in het belang van [het kind]. Wel in het belang van [het kind] acht het hof dat de moeder de huidige regeling vanaf nu stipt nakomt en ook stipt blijft nakomen. De regeling wordt door de stichting en de vader en [verweerder 2] in voldoende mate gefaciliteerd. Het is dan ook aan de moeder om daaraan, in het belang van [het kind], een plezierige en ontspannen invulling te geven. De omstandigheid dat de moeder het gevoel heeft dat alles wat zij doet en zegt tijdens de omgangsmomenten op een goudschaaltje wordt gewogen, is misschien niet onterecht, maar, indien de moeder zich enkel zou richten op [het kind] en haar behoeftes en wensen en aansluit bij haar belevingswereld, waardoor de omgang prettig en plezierig verloopt, zal er voor de stichting geen reden zijn de moeder te corrigeren. Uit het voorgaande blijkt dat de moeder daartoe op momenten wel degelijk in staat is.

Ook grief 3 treft dus geen doel.

ten aanzien van de informatie- en consultatieregeling

5.16

Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de rechter, indien het belang van het kind zulks vereist, zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

5.17

Ingevolge artikel 1:377c lid 1 BW wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1:377b BW, de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de rechter, indien de informatie is geweigerd, op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

5.18

Het hof is van oordeel dat de vader in voldoende mate voldoet aan zijn verplichting tot het verschaffen van informatie, zoals die voortvloeit uit de wet en de beschikking van hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 juli 2011. Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van zes recente door de vader overgelegde e-mailberichten aan de moeder, gedateerd 31 januari 2013, 16 mei 2013, 24 september 2013, 25 november 2013,

28 februari 2014 en 22 mei 2014, waaruit blijkt dat de vader de moeder voldoende gedetailleerd informeert over de gezondheid en ontwikkeling van [het kind], haar school(rapporten) en de door haar beoefende sport en hobby’s. Deze berichten zij alle voorzien van een aantal foto’s van [het kind].

Omdat de moeder geen gezag heeft, acht het hof een consultatieverplichting voor de vader niet op zijn plaats.

Grief 4 faalt dus eveneens.

conclusie

5.19

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen, zodat het hof – evenals de raad – geen noodzaak ziet om een nader onderzoek te gelasten, zoals de moeder voorstaat.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

22 januari 2014:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees en K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. K.J. Haarhuis en is op 28 oktober 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.