Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8268

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
200.127.045-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. De te verdelen waarde van een lijfrentepolis en de over die waarde verschuldigde belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.045/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/114023 / HA ZA 11-559)

arrest van de tweede kamer van 28 oktober 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.S. Dunant Maurits, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. van der Pol, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

23 mei 2012 en 7 november 2012 van de rechtbank Leeuwarden en in het vonnis van

13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 mei 2013,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. het vonnis d.d. 13 maart 2013 (en voor zover nodig de voorliggende tussenvonnissen

(o.a. 23 mei 2012 en 7 november 2012)) door de Rechtbank Noord-Nederland,

Locatie Leeuwarden sector civiel recht gewezen onder nummer C/17/114023/ HA

ZA 11-559 tussen appellant ([appellant]) als eiser in conventie en gedaagde in reconventie

en geïntimeerde ([geïntimeerde])) als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, te

vernietigen;

en opnieuw rechtdoende:

b. [appellant] zijn eis in eerste aanleg (bij dagvaarding ingesteld) - met inachtneming van

[appellant] zijn nog te nemen grieven - alsnog toe te wijzen;

(en zo cfr. de eis in eerste aanleg voorzover van belang:

Primair

I Te bepalen dat aan de man wordt toegescheiden de bovenvermelde vermogensbestanddelen a,b, c, f, g, i en k (en de helft van m) en;

II Te bepalen dat aan de vrouw wordt toegescheiden de vermogensbestanddelen d, e, h, j, l en n (en de helft van m); en

III Te bepalen dat de vrouw een in goede justitie te bepalen bedrag (zijnde de helft van de overbedeling) aan de man dient te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

IV Zelf een verdeling vast te stellen ex art. 3:185 lid 1 BW rekening houdende naar billijkheid met de belangen van beide partijen en het algemeen belang;

Primair en subsidiair

V De vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

c. geïntimeerde - [geïntimeerde] voornoemd - te veroordelen in de kosten van beide instanties".

2.4

[appellant] heeft in de memorie van grieven geconcludeerd tot persistit.

2.5

[geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord, memorie van grieven in het incidenteel appel, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het door hem ingestelde hoger beroep en in zijn vorderingen, althans om dit beroep en deze vorderingen af te wijzen, met compensatie van de proceskosten. In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] geconcludeerd:

"(…) dat het uw Gerechtshof moge behagen, uitvoerbaar bij voorraad, om

I. te bepalen dat de man wegens overbedeling ter zake de verdeling van de inboedel

€ 3.150,- dient te betalen aan de vrouw, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening."

2.6

[appellant] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel geconcludeerd dat het hof, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] in haar incidenteel appel niet ontvankelijk zal verklaren, althans de incidentele grief zal afwijzen c.q. passeren. Kosten rechtens.

2.7

[appellant] heeft in het principaal hoger beroep twee grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep één grief opgeworpen.

3 De beoordeling

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

De vaststaande feiten

3.1

Het hof stelt de niet, dan wel onvoldoende weersproken feiten, als volgt vast:

a. a) Partijen zijn op 23 november 1995 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

b) Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 9 mei 2011 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

De beslissing in eerste aanleg

3.2

Uit overweging 2.4 van het tussenvonnis van 7 november 2012 blijkt dat naast voornoemde polissen tot de te verdelen goederen nog een kapitaalverzekering (lijfrentepolis) behoort met het nummer [nummer]. De rechtbank heeft overwogen dat deze polis aan [geïntimeerde] zal worden toebedeeld. De rechtbank heeft de waarde van die polis gesteld op een bedrag van € 38.000,-. Deze polis is in het dictum van het vonnis van 13 maart 2013 niet vermeld, maar uit overweging 2.10 van dat vonnis blijkt dat de rechtbank daarmee bij de berekening van het bedrag dat [appellant] wegens overbedeling aan [geïntimeerde] moet voldoen wel rekening heeft gehouden. Het hof gaat er daarom vanuit dat ook laatstgenoemde polis [geïntimeerde] toevalt.

Algemeen

3.3

De rechtbank heeft in het vonnis van 23 mei 2012, onbestreden in hoger beroep, de peildatum voor de bepaling van de samenstelling van de huwelijksgemeenschap bepaald op

9 mei 2011, zodat het hof daar ook van zal uitgaan.

De waarde van de aan [geïntimeerde] toebedeelde lijfrentepolis nummer [nummer].

3.4

[appellant] heeft grief I in het principaal appel gericht tegen overweging 2.4. van het tussenvonnis van 7 november 2012 waarin is overwogen dat de lijfrentepolis met het nummer [nummer] tegen een waarde van € 38.000,- aan [geïntimeerde] zal worden toegedeeld. Hij voert daartoe aan dat bij de berekening van die waarde ten onrechte rekening is gehouden met een belastingclaim van 52% over de (bruto) waarde van de polis. [appellant] stelt primair dat rekening moet worden gehouden met een belastinglatentie van 6,25%, waartoe hij verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof te 's Gravenhage van 27 april 2011 (ECLI:NL:GHSHR:2011:BR4935), subsidiair op 24,1% en meer subsidiair op 37%. [appellant] voert daartoe aan dat een latentie van 52% te hoog is, mede omdat een uitbetaling ineens niet voor de hand ligt. [appellant] meent dat [geïntimeerde] zich normaliter de polis via een gespreide betaling over een periode van minimaal vijf jaar zou hebben laten uitbetalen. [appellant] betoogt verder dat de initiële waarde van de polis per maart 2011 ongeveer € 88.613,- bedroeg.

[appellant] stelt verder dat de rechtbank de waarde die de polis op 9 mei 2011 bezat in de verdeling heeft betrokken, terwijl als peildatum voor de waardering de datum van verdeling, in casu 13 maart 2013, moet gelden.

3.5

[geïntimeerde] bestrijdt het door [appellant] gestelde. Zij stelt dat de polis op de peildatum

9 mei 2011 een contante waarde had van € 78.896,- en dat de polis afloopt op 10 maart 2024. Zij is dan 55 jaar oud en dus nog geen 65 jaar. Verder stelt zij voornemens te zijn om de polis af te kopen. [geïntimeerde] betoogt dat als peildatum voor waardering moet worden genomen 9 mei 2011 omdat [appellant] in eerste aanleg de datum van 9 mei 2011 niet heeft bestreden en de overige drie polissen, waarvan twee aan [appellant] zijn toebedeeld, zijn gewaardeerd tegen die datum. [geïntimeerde] is van mening dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om voor de waarde van de onderhavige polis uit te gaan van een andere datum dan de datum waartegen de andere boedelbestanddelen, waaronder polissen, zijn gewaardeerd.

3.6

Het hof is van oordeel dat, nu partijen een financiële afwikkeling van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te rekenen activa en passiva wensen, de waarde van de activa dient te worden gesteld op de waarde die een goed op de peildatum voor waardering in het economisch verkeer heeft. De waarde van de polis zal dan behoren te worden gesteld op het bedrag van de uitkering die bij afkoop van de polis op de peildatum kan worden verkregen. Voor zover [appellant], met zijn verwijzing naar de initiële waarde van de polis, meent dat in dit geval niet van die afkoopwaarde behoort te worden uitgegaan heeft hij dat onvoldoende onderbouwd.

Peildatum waardering

3.7

Het hof overweegt met betrekking tot de peildatum voor waardering van de polis als volgt.

Nu partijen in hoger beroep niet de toedeling van de polis aan [geïntimeerde] aan de orde hebben gesteld, heeft de datum van het vonnis van de rechtbank, 13 maart 2013, te gelden als datum van de verdeling van de polis (Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176).

In de regel geldt de datum van de verdeling als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. (vgl. Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279)

3.8

Uit de overgelegde bescheiden blijkt dat partijen medio 2012 overeenstemming hebben bereikt over de aan de voormalig echtelijke woning toe te kennen waarde van

€ 200.000,-. Deze waarde stemt overeen met de in opdracht van [appellant] door [makelaardij] per 18 november 2011 getaxeerde waarde. De woning is aan [appellant] toebedeeld. Verder zijn partijen blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal, ter zitting van 5 december 2011 overeengekomen om een spaarpolis nummer [nummer] tegen een waarde van

€ 10.129,- en een lijfrentepolis [nummer] tegen een waarde van € 6.771,79 aan [appellant] toe te delen en om een lijfrentepolis nummer [nummer] tegen een waarde van € 4.203,21 aan [geïntimeerde] toe te delen. Aan voornoemde vermogensbestanddelen is derhalve de in 2011 bekende waarde toegekend. Op het moment dat deze afspraken zijn gemaakt was tussen partijen nog in geschil of de onderhavige polis tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorde dan wel aan [geïntimeerde] in privé toekwam. De rechtbank heeft in het vonnis van 7 november 2012 geoordeeld dat de polis tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort.

Nu de aan [appellant] toebedeelde woning, spaarpolis en lijfrentepolis, samen met de onderhavige polis, de meest waardevolle vermogensbestanddelen van partijen betreffen, is het hof van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om voor de waarde van de aan [geïntimeerde] toe te delen polis een andere peildatum voor waardering te hanteren dan de datum waartegen de woning en de overige polissen in de verdeling zijn betrokken.

De afkoopwaarde die de polis in 2011 had komt dan voor verdeling in aanmerking.

[geïntimeerde] heeft een brief van 9 januari 2012 van de Onderlinge 's-Gravenhage overgelegd waarin staat dat de waarde van de polis op 10 mei 2011 € 78.896,- bedroeg. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd dat deze door de verzekeringsmaatschappij berekende waarde onjuist is.

De verschuldigde belasting

3.9

De afkoopwaarde van de polis per 2011wordt, gezien het voorgaande, gesteld op een bedrag van € 78.896,-. Dat brengt mee dat rekening dient te worden gehouden met de belasting die in 2011 over dat afkoopbedrag verschuldigd zou zijn (vgl.: Hoge Raad

24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6095).

Het voorgaande kan anders zijn wanneer sprake is van omstandigheden die het redelijk en billijk doen zijn om de verschuldigde belasting anders te berekenen. In de uitspraak van het gerechtshof te 's Gravenhage van 27 april 2011, waarnaar [appellant] verwijst, is in dat kader betekenis toegekend aan de omstandigheden dat de lijfrentepolis niet zou worden afgekocht, maar zou doorlopen tot de rechthebbende de 65-jarige leeftijd zou hebben bereikt. In dit geval is [geïntimeerde] echter voornemens om de polis (ruim) voor zij 65 jaar wordt in één keer te laten uitkeren, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat om de belastinglatentie te berekenen op basis van hetgeen zij wellicht na het bereiken van de 65-jarige leeftijd verschuldigd zal zijn, zoals in voornoemde uitspraak is gedaan door die latentie op basis van de regeling in de Successiewet 1956 te begroten op 6.25%.

Het hof is verder van oordeel dat [geïntimeerde] onredelijk wordt beperkt in haar recht om naar eigen inzicht over de aan haar toegedeelde polis te beschikken, wanneer zij de waarde daarvan alleen via gespreide uitbetaling en niet op de door haar gewenste wijze zou mogen opeisen. Het hof zal daarom uitgaan van de belasting die verschuldigd zal zijn bij uitbetaling in één keer van de afkoopwaarde. Dat [geïntimeerde] wellicht die belasting niet feitelijk zal behoeven te betalen leidt niet tot een ander oordeel.

3.10

[geïntimeerde] heeft met een e-mail van de "Onderlinge 's Gravenhage Support' van

9 januari 2012 onderbouwd dat zij bij afkoop van de onderhavige polis in één keer over de afkoopsom 52% belasting verschuldigd zal zijn (productie 2 bij haar akte van

11 januari 2012). [appellant] heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weerlegd.

3.11

Het hof ziet dan ook geen reden om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.

3.12

Grief I in het principaal hoger beroep faalt.

Het door [geïntimeerde] opgenomen bedrag van € 6.000,-

3.13

[appellant] stelt in grief II in essentie dat de rechtbank ten onrechte een door [geïntimeerde] tijdens huwelijk opgenomen bedrag van € 6.000,- niet in de verdeling heeft betrokken. [appellant] voert daartoe aan dat [geïntimeerde] ter zitting van 5 december 2011 heeft verklaard dat zij eind juni 2010 een bedrag van € 6.000,- van de lopende rekening heeft opgenomen en dat dat bedrag ten tijde van de ontbinding van het huwelijk nog op haar rekening stond.

3.14

[geïntimeerde] bestrijdt niet dat zij heeft verklaard wat [appellant] stelt, maar volgens haar heeft zij nadien haar rekeningafschriften geraadpleegd en is haar toen gebleken dat het bedrag van € 6.000,- ten tijde van de ontbinding van het huwelijk vrijwel volledig was opgesoupeerd. [geïntimeerde] stelt verder dat zij toen slechts twee bankrekeningen had en dat de saldi daarvan,

€ 197,42 en € 25,93, in de verdeling zijn betrokken.

3.15

[appellant] heeft niet onderbouwd gesteld dat [geïntimeerde] ten tijde van de ontbinding van het huwelijk, op 9 mei 2011, nog over andere bankrekeningen beschikte dan de door haar genoemde. Hij heeft evenmin feiten en omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] het onderhavige bedrag, dat zij gezien productie 4 bij de inleidende dagvaarding al op

30 juni 2010 heeft opgenomen, op 9 mei 2011 nog onder zich had. [appellant] heeft derhalve niet aangetoond dat [geïntimeerde] gehouden is om aan hem een deel van het bedrag van € 6.000,- te vergoeden.

3.16

Het hof passeert het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van [appellant], nu dat niet voldoende is gespecificeerd.

3.17

Grief II in het principaal hoger beroep faalt eveneens.

De inboedel

3.18

[geïntimeerde] stelt in haar grief in het incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft verstaan dat partijen in onderling overleg zullen overgaan tot verdeling van de inboedel.

Zij voert daartoe aan dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over die verdeling.

Volgens haar blijkt uit de mail van [appellant] van 8 juli 2013 dat [appellant] in het kader van een minnelijke oplossing € 3.150,- aan haar moet betalen ter zake van de verdeling van de inboedel, maar weigert hij om dit bedrag aan haar te betalen wanneer het door haar opgenomen bedrag van € 6.000,- (genoemd in voorgaande overwegingen) niet in de verdeling wordt meegenomen. [geïntimeerde] wenst dat [appellant] wordt veroordeeld om aan haar het bedrag van € 3.150,- te betalen.

3.19

[appellant] kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank. Hij betoogt verder dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inboedel in zijn geheel is verrekend wanneer het bedrag van € 6.000,- in de verrekening wordt betrokken.

3.20

Het hof heeft hiervoor overwogen dat [geïntimeerde] ter zake van het bedrag van € 6.000,- geen bedrag aan [appellant] verschuldigd is. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde mailwisseling blijkt dat [geïntimeerde] aan [appellant] heeft voorgesteld om de door [appellant] aan de inboedel toegekende waarde van € 900,- te middelen met de door haar genoemde waarde van € 7.495,- waardoor [appellant], zo schrijft [geïntimeerde] in haar mail, nog € 4.197,- aan haar moet voldoen.

[appellant] heeft daarop als volgt gereageerd:

" Heeft even geduurd, had dit voorgelegd aan m’n advocaat en die was er even niet.

Maar wanneer je wil middelen, moet de bedragen niet bij elkaar optellen, maar van elkaar aftrekken.

Dit zou dus dan inhouden:

Door jou gesteld in je laatste mail van 22/04/2012 € 7.200,-

Door mij gesteld - € 900,-

Verschil totale inboedel € 6.300,-: 2 = € 3.150,- door mij te betalen.

Maar gezien er niet meer gesproken wordt over ons “verdwenen” spaarpotje, acht ik bij deze de inboedel als verrekend en volgens mij heb je op 22 mei 2013 via m’n notaris al ‘n aanzienlijk bedrag van mij ontvangen en meer heb ik ook niet."

3.21

Uit deze mailwisseling blijkt, zoals [geïntimeerde] ook zelf stelt, dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedel. Verder kan uit de mail van [appellant] niet worden afgeleid dat hij onvoorwaardelijk heeft ingestemd met een aan de inboedel toe te kennen waardeverschil van € 6.300,- en dus ook voor het geval daarmee 'het spaarpotje' van € 6.000,- niet kan worden verrekend. [appellant] heeft alleen de berekening van [geïntimeerde] gecorrigeerd. Dat partijen in der minne de waarde van de inboedel hebben vastgesteld, zoals [geïntimeerde] stelt, blijkt dan ook niet uit de mailwisseling tussen partijen. [geïntimeerde] heeft geen andere gegevens verstrekt waaruit blijkt wat de (economische) waarde van de inboedel is. Zij heeft dan ook niet voldoende onderbouwd dat [appellant] wegens overbedeling ter zake van de verdeling van de inboedel aan haar een bedrag van € 3.150,- verschuldigd is.

3.22

De grief in het incidenteel hoger beroep faalt.

4 De slotsom

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

4.1

Het hof zal de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen met dien verstande dat het hof de in overweging 3.2 bedoelde fout in het dictum van het vonnis van 13 maart 2013 zal herstellen.

4.2

Partijen zijn gewezen echtelieden. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden en de tussenvonnissen van 23 mei 2012 en 7 november 2012 van de rechtbank Leeuwarden, met dien verstande dat aan het bepaalde onder 3.1. van het dictum van het vonnis van 13 maart 2013 onder II na onderdeel c. wordt toegevoegd: "d. de kapitaalverzekering polis nr. [nummer]";

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. G.M. van der Meer en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.