Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:821

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
ks 21-001082-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen met seksueel binnendringen. Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan de helft (9 maanden voorwaardelijk) met een proeftijd van 5 jaar. Bijzondere voorwaarden. Reclasseringstoezicht. Voortzetting behandeling en contactverbod. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001082-13

Uitspraak d.d.: 6 februari 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 september 2012 met parketnummer 07-650470-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 januari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van vijf jaren. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 5031,72, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. H.J. Voors, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 juli 2010 in de gemeente(n) [gemeente1] en/of [gemeente2] althans in Nederland, (telkens) met [benadeelde] (geboren 12 juli 1994), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, vinger gebracht/geduwd in de vagina (tussen de schaamlippen) van die [benadeelde] en/of

- zijn, verdachtes, tong gebracht/geduwd in de mond van die [benadeelde];

- meermalen, althans éénmaal, de borsten van die [benadeelde] gemasseerd en/of

- meermalen, althans éénmaal, de borsten en/of schaamlippen en/of de clitoris van die [benadeelde] aangeraakt/betast en/of

- die [benadeelde] op de mond gekust/gezoend en/of

- zijn penis door die [benadeelde] laten betasten en/of

- naakt op die [benadeelde] heeft gelegen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 28 november 2011 in de gemeente [gemeente1] en/of [gemeente2], althans in Nederland (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [benadeelde], geboren op 12 juli 1994, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte,

- meermalen, althans éénmaal, de borsten van die [benadeelde] heeft gemasseerd en/of

- meermalen, althans éénmaal, de borsten en/of de schaamlippen en/of de clitoris van die [benadeelde] heeft aangeraakt/betast en/of

- die [benadeelde] op de mond heeft gekust/gezoend en/of

- zijn penis door die [benadeelde] heeft laten betasten en/of

- naakt op die [benadeelde] heeft gelegen;

2:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 juli 2010 in de gemeente [gemeente2] zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in een slaapkamer, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [benadeelde] haars ondanks tegenwoordig was.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter zitting bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kan niet bewezen worden dat verdachte met zijn vingers tussen de schaamlippen van het aangeefster is geweest noch dat hij de clitoris van aangeefster heeft aangeraakt. Er zou derhalve geen sprake zijn van seksueel binnendringen van het lichaam.

Tevens heeft de raadsman gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangeefster een of meerdere tongzoenen heeft gegeven en evenmin dat aangeefster het geslachtsdeel van verdachte heeft aangeraakt.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof vindt in al hetgeen zich in het strafdossier bevindt geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen en dan in het bijzonder de verklaringen van aangeefster te twijfelen. Het hof acht de verklaringen van aangeefster [benadeelde] betrouwbaar omdat deze als voldoende consistent en zeer gedetailleerd kunnen worden aangemerkt. Aangeefster heeft, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard dat verdachte op enig moment haar onderbroek naar beneden heeft gedaan, dat hij haar schaamlippen heeft aangeraakt en haar clitoris is gaan 'zoeken'. Aangeefster heeft daarbij vermeld: 'Omdat het droog was deed hij zijn vinger in zijn mond, waarna hij met zijn natte vinger mijn clitoris opzocht en aanraakte. Naar zijn zeggen moest hij dat 'bobbeltje' opzoeken'.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich niet met 100% zekerheid kan herinneren of hij de clitoris van aangeefster heeft aangeraakt, maar dat hij denkt van wel. Wel kon hij zich herinneren dat hij de schaamlippen heeft aangeraakt en dat hij ruimte heeft gemaakt om de clitoris te vinden. Nu deze verklaring van verdachte naar het oordeel van het hof aansluit bij hetgeen aangeefster heeft verklaard acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn vingers tussen de schaamlippen van aangeefster is geweest. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 mei 2010 (LJN: BK 6810) volgt dat reeds het wrijven tussen de schaamlippen gekwalificeerd wordt als het seksueel binnendringen van het lichaam, het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster wel regelmatig op de mond kuste. Zo’n kus kon wel enkele seconden duren, maar er was geen sprake van tongzoenen. Op basis van de betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster kan naar het oordeel van het hof echter bewezen worden dat verdachte bij dit kussen regelmatig zijn tong in de mond van aangeefster drukte.

Tot slot is het hof van oordeel dat ook bewezen kan worden dat aangeefster [benadeelde] de penis van verdachte heeft aangeraakt. Ter zitting van het hof heeft verdachte dit feit erkend en is hij teruggekomen van zijn stelling dat hij dit eerder tijdens de politieverhoren onder druk had toegegeven. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat aangeefster tijdens het informatieve gesprek heeft verklaard dat verdachte wilde dat zij hem aftrok, dat ze dat niet wilde en dat ze dan haar hand wegtrok. Aangeefster heeft verklaard dat het ondanks dat ze haar hand wilde wegtrekken wel is voorgekomen dat ze zijn penis heeft aangeraakt.

Nu deze verklaring van aangeefster past in de bekentenis van verdachte acht het hof ook dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen. Dat aangeefster in haar aangifte hier niet over spreekt maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 juli 2010 in de gemeenten [gemeente1] en [gemeente2], telkens met [benadeelde] (geboren 12 juli 1994), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, vinger gebracht/geduwd tussen de schaamlippen, van die [benadeelde] en

- zijn, verdachtes, tong gebracht/geduwd in de mond van die [benadeelde];

- meermalen de borsten van die [benadeelde] gemasseerd en

- meermalen de borsten en/of schaamlippen en/of de clitoris van die [benadeelde] aangeraakt/betast en

- zijn penis door die [benadeelde] laten betasten en

- naakt op die [benadeelde] heeft gelegen;


2:
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 juli 2010 in de gemeente [gemeente2] zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in een slaapkamer, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [benadeelde] haars ondanks tegenwoordig was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in de periode van drieënhalf jaar regelmatig ontuchtige handelingen, ook bestaande in het seksueel binnendringen van het lichaam, verricht bij zijn minderjarige stiefdochter [benadeelde]. Verdachte heeft hierbij onder meer zijn vinger gebracht tussen de schaamlippen van zijn stiefdochter, heeft zijn tong in haar mond gebracht en hij heeft haar zijn penis laten aanraken.

Dergelijk misbruik heeft veelal langdurige gevolgen voor het slachtoffer, omdat er sprake is van ernstige schending van de integriteit van het lichaam van het slachtoffer. Bovendien is er kans op een scheefgroei in de psychoseksuele ontwikkeling bij het slachtoffer en kan het vertrouwen in de medemens ernstig verstoord raken. Verdachte heeft eraan bijgedragen dat de relatie van het slachtoffer met haar moeder ernstig onder druk is komen te staan. Verdachte heeft tijdens het plegen van de ontuchtige handelingen meermalen tegen aangeefster gezegd dat - wanneer ze haar moeder van het gebeuren op de hoogte zou stellen - ze haar moeder kwijt zou raken. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster het vreselijk vindt dat verdachte hierin uiteindelijk gelijk heeft gekregen.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 8 januari 2014 is verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.

Gelet op de gebleken feiten en omstandigheden, gelet op het beeld van de persoon van de verdachte zoals naar voren gekomen in de onderzoeksrapportages en de indruk die het hof tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft gekregen omtrent de persoon van de verdachte, is het hof van oordeel dat rekening moet worden gehouden met recidivegevaar. Een gevangenisstraf voor de duur Van 18 maanden acht het hof onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

Een deel daarvan, 9 maanden zal voorwaardelijk worden opgelegd met als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact, een behandelverplichting en een contactverbod. Het hof zal tevens bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof heeft in strafmatigende zin meegewogen dat verdachte zich vanaf zijn aanhouding heeft opengesteld voor behandeling van zijn problematiek, dat hij volgens de onderzoekend psychiater en psycholoog licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en dat hij - zoals eerder genoemd - een blanco strafblad heeft.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien acht het hof derhalve de straf zoals opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden en het hof zal deze straf aan verdachte opleggen, met dien verstande dat het hof - in verband met het recidivegevaar en de behandeling - aan verdachte een proeftijd zal opleggen voor de duur van vijf jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.063,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.531,72. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is voor wat betreft de schade als gevolg van het wegvallen van het inkomen, van oordeel dat aannemelijk is dat aangeefster als direct gevolg van de aangifte ter zake de bewezenverklaarde feiten haar opleiding heeft moeten staken en in een pleeggezin is geplaatst, waardoor haar (stage)inkomen gedurende een aantal maanden volledig is weggevallen terwijl zij minderjarig was en voor onderhoud mede van verdachte afhankelijk was. Verdachte heeft deze omstandigheden evenmin gemotiveerd bestreden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor wat betreft het immateriële gedeelte verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14 e, 36f, 57, 239 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

- verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Verdachte dient zich gedurende de proeftijd te melden bij de reclassering zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [benadeelde];

- verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal (blijven) stellen van de forensische kliniek De Tender of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich (onder meer) te laten behandelen voor zijn vermijdende en afhankelijke trekken.

Beveelt dat het reclasseringstoezicht en voormelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.563,59 (negenduizend vijfhonderddrieënzestig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 7.063,59 (zevenduizend drieënzestig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 9.563,59 (negenduizend vijfhonderddrieënzestig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 7.063,59 (zevenduizend drieënzestig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 82 (tweeëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 6 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.