Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8176

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
200.152.022-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.152.022/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, C/17/131556 / FA RK 13-2235)

beschikking van de familiekamer van 23 oktober 2014

inzake

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 2],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 april 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 juli 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op het gezag, en opnieuw rechtdoende te beslissen haar verzoek om het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] in de [gemeente X] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] in de [gemeente X] te beëindigen en haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], toe te wijzen.

2.2

De vader heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 augustus 2014, heeft BJZ het hof verzocht het beroepschrift voor wat betreft de gezagskwestie gegrond te verklaren en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], met inachtneming van de artikelen 3 en 4 IVRK.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 11 juli 2014 een brief van 10 juli 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- op 24 juli 2014 een journaalbericht van 23 juli 2014 van mr. De Jong met bijlage;

- op 18 september 2014 een journaalbericht van diezelfde datum van mr. De Jong met bijlagen;

- op 1 oktober 2014 een journaalbericht van diezelfde datum van mr. De Jong met bijlagen.

2.5

Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Op stukken die nadien worden overgelegd, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Op 1 oktober 2014 is een journaalbericht met bijlagen van mr. De Jong binnengekomen op de griffie van het hof. Het hof heeft, ondanks dat het journaalbericht met bijlagen te laat is ingediend, kennisgenomen van de inhoud daarvan nu de stukken niet eerder ingediend konden worden en de stukken snel en eenvoudig te doorgronden zijn.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 2 oktober 2014 plaatsgevonden. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is halverwege de mondelinge behandeling verschenen. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw mr. [X] en mevrouw [Y].

Namens de raad is in het kader van zijn adviserende taak - hoewel behoorlijk opgeroepen - niemand verschenen.

Ter zitting heeft BJZ mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder zijn geboren:

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] in de [gemeente X] (hierna te noemen: [minderjarige 2]) en

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] in de [gemeente X] (hierna te noemen: [minderjarige 1]).

De ouders zijn op 10 april 2006 gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder conform de afspraken uit het door de ouders opgestelde ouderschapsplan, welk plan door de rechtbank is opgenomen in de beschikking van 11 januari 2012.

3.2

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn op 16 maart 2012 door de kinderrechter onder toezicht gesteld van BJZ. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 maart 2014 laatstelijk verlengd tot 16 maart 2015.

3.3

Bij verzoekschrift d.d. 20 december 2013 heeft de moeder de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, - voor zover hier van belang - verzocht het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te beëindigen en haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over voornoemde minderjarigen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank

- voor zover hier van belang - dit verzoek afgewezen. De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2

Dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden is tussen partijen niet in geschil en op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam komen vast te staan.

4.3

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het hof acht het tevens in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] anderszins noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag van de ouders eindigt en dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over hen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.4

Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] zijn kwetsbare kinderen. [minderjarige 1] is vanaf zijn geboorte volledig kleurenblind en heeft een fotofobie. De vader ontkent de kleurenblindheid van [minderjarige 1]. Vanaf 2011 (rond het moment dat de ouders uit elkaar zijn gegaan) vertoont [minderjarige 1] ook gedragsmatige problematiek (woedeaanvallen en grensoverschrijdend gedrag). In maart 2014 is de diagnose ODD bij [minderjarige 1] gesteld, met de aantekening dat die stoornis grotendeels lijkt te worden veroorzaakt door omgevingsfactoren en in mindere mate door psychiatrie.

Ook bij [minderjarige 2] is sprake van gedragsproblemen. In 2009 zijn bij [minderjarige 2] de diagnoses ADHD en ODD gesteld. [minderjarige 2] heeft de afgelopen drie jaar last gehad van de problematiek van zijn ouders. Hierdoor had [minderjarige 2] op school concentratieproblemen en vertoonde hij impulsief gedrag. [minderjarige 2] is vastgelopen in zijn ontwikkeling op school en volgt thans speciaal onderwijs.

De ouders verschillen fundamenteel van mening over de oorzaak en aanpak van deze gedragsproblemen. De moeder acht het bijvoorbeeld van belang het deskundigenadvies om [minderjarige 2] te behandelen met medicatie in de vorm van methylfenidaat op te volgen. De vader is het niet eens met de diagnoses en is tegen behandeling met medicatie.

Bij beide kinderen is bovendien sprake van een ernstig loyaliteitsconflict.

4.5

Uit de stukken, waaronder de rapportages van Accare, is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat hulp voor de kinderen noodzakelijk is. De vader lijkt de problemen van de kinderen echter niet te onderkennen en verleent geen medewerking. Zo heeft hij geen toestemming gegeven voor een vervolgbehandeling voor [minderjarige 2] voor psychomotorische therapie bij Accare, voor een verhoging van de voor [minderjarige 2] noodzakelijke medicatie in de vorm van methylfenidaat en een intake voor [minderjarige 1] bij Accare. BJZ heeft zich in deze gevallen uiteindelijk genoodzaakt gezien vervangende toestemming aan de kinderrechter te verzoeken. De kinderrechter heeft bij beschikkingen van 30 augustus 2013 en 1 oktober 2014 vervangende toestemming verleend voor: 1) psychomotorische therapie voor [minderjarige 2], 2) een intake bij een kinder- en jeugdpsychiater van Accare voor [minderjarige 1] en 3) de verhoging van de medicatie van [minderjarige 2].

Het hof constateert dat door de weigerachtige houding van de vader de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening later is gestart dan wenselijk.

4.6

Voorts is gebleken dat sinds dat de ouders uit elkaar zijn de onderlinge communicatie over de opvoeding van de kinderen uiterst problematisch verloopt. De communicatie tussen de ouders ten aanzien van de behandeling van de gedragsproblemen van de kinderen is al geruime tijd bijzonder slecht en wordt gekenmerkt door voortdurende strijd. Onder andere via het Omgangscentrum, de GGZ Friesland, mediation en met behulp van de gezinsvoogd is getracht de communicatie tussen de ouders te verbeteren, maar al deze pogingen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. De situatie is juist verder verslechterd. De ondertoezichtstelling die in maart 2012 is uitgesproken heeft mede ten doel gehad om de communicatie tussen de ouders te verbeteren (door tussenkomst van de gezinsvoogd) en voor de kinderen hulpverlening op gang te brengen. Op beide punten is door de weigerachtige houding van de vader onvoldoende vooruitgang geboekt. Sinds ruim een jaar communiceert de vader in het geheel niet meer met de moeder. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij de vader zoveel mogelijk via de e-mail informeert over de kinderen, maar dat zij nooit een reactie van hem ontvangt. De vader heeft desgevraagd verklaard dat hij geen e-mails stuurt omdat de inhoud hiervan verkeerd kan worden opgevat.

4.7

Een minimale communicatie tussen de ouders is noodzakelijk om op een goede manier invulling te kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. In ieder geval moeten zij samen kunnen overleggen over de omgang en de eventuele knelpunten in de opvoeding, temeer nu de ontwikkeling van de kinderen niet zonder problemen verloopt. Niet alleen door de moeder maar ook door derden is aangegeven dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen en dat er bij de kinderen onderzoeken en/of behandelingen dienen plaats te vinden.

Doordat de vader het afgelopen jaar niet met de moeder heeft gecommuniceerd en verschillende keren heeft geweigerd de aanwijzingen van de gezinsvoogd op te volgen, is ieder overleg over de kinderen stilgevallen en dat heeft er mede toe geleid dat de onderzoeken met betrekking tot de kinderen lange tijd niet hebben kunnen plaatsvinden en de (professionele) hulp en ondersteuning aan de kinderen pas laat tot stand is gekomen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat, gezien de onverminderde strijd tussen de ouders en de omstandigheid dat de problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar alle waarschijnlijkheid een aanpak van vele jaren vergt waarbij steeds opnieuw (medische) keuzes zullen moeten worden gemaakt, het niet aannemelijk is dat binnen afzienbare tijd een eind zal komen aan de conflicten tussen de ouders aangaande de behandelingen. Verder is aannemelijk geworden dat de problematiek van de kinderen in belangrijke mate wordt veroorzaakt door de heftige strijd tussen de ouders over de invulling van het gezag.

De moeder is de verzorgende ouder van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en zij heeft als gevolg daarvan het meeste te maken met zowel de dagelijkse zorg over hen als de bezoeken aan artsen en behandelaars. Doordat de ouders het niet eens zijn over de behandeling van de kinderen wordt de moeder belemmerd in deze taak als verzorgende ouder. Het hof onderschrijft de visie van BJZ dat het alleszins aannemelijk is dat het handelen van de vader een grote impact heeft op het leven van de moeder en de kinderen, dat de moeder geen vertrouwen meer heeft in de vader en dat onder die omstandigheden in redelijkheid niet meer van de moeder kan worden verwacht dat zij met de vader overlegt met als doel het in onderling overleg nemen van beslissingen aangaande de kinderen.

4.8

Het hof is, alles in ogenschouw nemende, van oordeel dat het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te beëindigen en haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over voornoemde minderjarigen, dient te worden toegewezen.

4.9

Het hof wijst partijen er met klem op dat het feit dat de moeder alleen met het gezag over de kinderen wordt belast niet betekent dat de vader geen rol van betekenis meer zal spelen in het leven van de kinderen. De vader blijft de biologische vader van de kinderen en behoudt op grond van artikel 1:377a BW zijn recht op omgang met de kinderen en op grond van artikel 1:377b BW het recht op informatie en consultatie.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 april 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

beëindigt het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over de minderjarigen [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] in de [gemeente X] en [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] in de [gemeente X], en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de moeder alleen toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van een rechtbank;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr. B.J. Voerman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 oktober 2014 in bijzijn van de griffier.