Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
200.149.038-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschermingsbewind. Bewindvoerder verzoekt machtiging tot schenking van de tijdelijk verhoogde belastingvrije som van € 100.000,-- aan ieder van de personen die volgens bewindvoerder mogelijk erfgenaam zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0052

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.038/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in BM nr. 6996:

-2618465 BH VERZ 13-8243

-2618475 BH VERZ 13-8244

-2618475 BH VERZ 13-8245)

beschikking van de eerste kamer d.d. 26 september 2014 op verzoeken tot het verlenen van machtiging

ingediend door:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: de bewindvoerder,

advocaat: mr. I.M.G. Maste, kantoorhoudende te Almere,

als mentor en bewindvoerder over het vermogen van:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

hierna: [belanghebbende],

niet opgeroepen.

1 De procedure in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

11 maart 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het verzoekschrift in hoger beroep met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2014;

- een brief van mr. Maste met als bijlage een verklaring van de huisarts van belanghebbende, ontvangen op 9 juli 2014;

- een brief van mr. Maste, ontvangen op 18 september 2014.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1

Uit de verklaring van de huisarts blijkt afdoende dat het horen van de belanghebbende op de verzoeken van de bewindvoerder geen zin heeft. Aan [belanghebbende] is daarom geen afschrift van het verzoekschrift gestuurd en zij is evenmin opgeroepen.

3.2

De bewindvoerder heeft in eerste aanleg drie verzoeken aan de kantonrechter gedaan. Deze verzoeken hebben elk een apart zaaknummer gekregen, maar uit de beschikking blijkt niet welk zaaknummer op welk verzoek betrekking heeft. In hoger beroep is de beslissing op twee van die verzoeken aan het hof voorgelegd. Het hof zal de verzoeken die in hoger beroep zijn voorgelegd daarom alleen aanduiden met het onderwerp:

a. machtiging tot het doen van belastingvrije schenkingen in 2014;

b. vaststelling van het loon van de bewindvoerder/mentor over de periode van 1 november 2012 tot en met december 2013 en van de maandelijkse vergoeding vanaf 1 januari 2014.

3.3

ad a: de schenkingen

De bewindvoerder wenst namens [belanghebbende] aan veertien neven en nichten die haar erfgenaam zullen zijn (waarvan twee bij plaatsvervulling, aldus twaalf voor 1/13e en twee voor elk 1/26e deel) in 2014 een schenking te doen waarbij gebruik kan worden gemaakt van de tijdelijke fiscale vrijstelling. Daarvoor zal een notariële akte worden opgemaakt waarin wordt vastgelegd dat dit een voorschot is op het erfdeel. In eerste aanleg heeft de bewindvoerder voor deze schenkingen een totaalbedrag genoemd van € 400.000,-; in hoger beroep verzoekt zij om een machtiging voor een zodanig bedrag dat er na de schenking een liquide vermogen resteert van ten minste € 550.000, - dan wel zodanig bedrag als in goede justitie wordt bepaald.

3.4

Daartoe heeft de bewindvoerder in eerste aanleg aangevoerd dat [belanghebbende] in oktober 2008, november 2011 en maart 2013 schenkingen aan twaalf van deze neven en nichten heeft gedaan van respectievelijk € 2688,- en twee keer € 2000,- en de helft van die bedragen voor de twee familieleden die bij plaatsvervulling opkomen. Na aftrek van enkele nog te betalen rekeningen stond een bedrag van ongeveer € 355.000,- op de bankrekeningen van [belanghebbende]. Daarnaast is zij eigenaar van twee naast elkaar gelegen woonhuizen onder een kap, waarvan [belanghebbende] er zelf een bewoonde, met achterliggende bedrijfsruimte. Deze panden staan nu leeg. [belanghebbende] zal niet meer zal kunnen terugkeren in haar woning; inmiddels verblijft zij in [instelling]. De bewindvoerder heeft machtiging verzocht voor de verkoop van deze panden, die volgens haar na aftrek van courtage en kosten voor het leeg opleveren circa € 700.000,- zullen opbrengen. Het verblijf in [instelling] kost per jaar ongeveer € 60.000,-. Indien [belanghebbende] 100 jaar zou worden (zij is geboren op 9 oktober 1923), is daarvoor € 600.000,- nodig. Alle andere kosten kunnen worden voldaan uit AOW en rente, aldus de bewindvoerder, die voorts heeft uitgerekend hoeveel successierechten worden bespaard door de voorgestelde schenkingen.

3.5

De kantonrechter heeft het verzoek tot machtiging voor de verkoop van de panden aangehouden totdat een koopovereenkomst onder ontbindende voorwaarde van de vereiste toestemming kan worden overgelegd. Met betrekking tot de schenkingen overwoog de kantonrechter dat de bewindvoerder de schenkingen over 2013 heeft gedaan zonder toestemming, maar dat de goedkeuring daarvoor alsnog wordt gegeven nu van een schenkingstraditie sprake is. De verzochte machtiging om € 400.000,- te schenken is afgewezen omdat er geen traditie is voor een zo hoog bedrag, omdat niet zeker is dat de beoogde begiftigden ook erfgenaam zullen zijn en omdat er ten tijde van de beoordeling niet eens voldoende liquide vermogen was. Wel is toegestaan dat over 2014 aan de eerder begiftigden een bedrag van € 2000,- respectievelijk € 1000,- wordt geschonken.

3.6

De bewindvoerder heeft vijf grieven gericht tegen de beslissing tot afwijzing van de machtiging voor een grotere schenking. Het hof zal deze gezamenlijk bespreken. Ook het hof neemt de 'Aanbevelingen meerderjarigenbewind' van het LOVCK tot uitgangspunt bij de beoordeling, waarbij gelet wordt op alle omstandigheden van het geval. In dit geval is sprake van een schenkingstraditie die dateert uit de periode voordat op 1 november 2012 het bewind werd ingesteld. Het hof leidt daaruit af dat het de wens is van [belanghebbende] om, ook nu zij zelf haar wil niet meer kan bepalen, periodiek schenkingen te doen aan degenen die zij eerder bevoordeelde. Op zichzelf is denkbaar dat aan de machtiging tot die schenking de voorwaarde wordt verbonden dat er een bepaald minimumbedrag aan liquide vermogen beschikbaar is op de dag van de schenking die, naar inmiddels is gebleken, nog in 2014 zou moeten plaatsvinden omdat de tijdelijke vrijstellingsregeling in 2015 niet wordt verlengd.

3.7

Het verzoek leidt echter tot een aantal vragen bij het hof dat er, evenals de kantonrechter, niet van kan uitgaan dat het fragment van het testament dat de bewindvoerder als bijlage heeft verstrekt ook de laatste (volledige) wil van [belanghebbende] blijkt te zijn. Dat is immers pas zeker wanneer na haar overlijden het laatste testament kan worden geopend. Zoals volgt uit de overgelegde correspondentie tussen [appellante] en de notaris, heeft [appellante] intensieve bemoeienis gehad met de totstandkoming van het kennelijk medio 2006 gereed gekomen concept-testament van [belanghebbende]. Dat staat er echter niet aan in de weg dat mogelijk is dat er later een testament met andere inhoud is getekend, ook al omdat er kennelijk geen reden was voor een eerdere aanvraag tot onderbewindstelling dan in de tweede helft van 2012. Het hof kan daarom niet blindvaren op de door de bewindvoerder gestelde inhoud van het testament en moet het, nu is gesteld noch gebleken dat [belanghebbende] een levenstestament had of een toereikende volmacht heeft verstrekt, doen met de eerdere daadwerkelijke handelingen van de rechthebbende waaruit haar wil voor toekomstige handelingen kan worden afgeleid, zoals hiervoor onder 3.6 is weergegeven.

3.8

De eerste vraag heeft betrekking op de personen die niet voorkomen op de lijst van de bewindvoerder, maar die eerder wel schenkingen ontvingen, te weten de broer van [belanghebbende], [broer], aan wie in 2008 en 2013 (zij het de laatste keer op een ander rekeningnummer) een schenking is gedaan, en [A], die in 2008 en 2011 heeft meegedeeld terwijl op haar rekeningnummer in 2013 een schenking is gedaan ten name van [B]. Het hof wenst uitleg van de bewindvoerder wie laatstgenoemde is, en waarom de drie hier genoemde personen niet in aanmerking zouden moeten komen voor een schenking in 2014 nu het hof, zoals hiervoor uiteen is gezet, niet louter op basis van een mogelijk testament kan aannemen dat er een beperktere groep erfgenamen zal zijn. Het hof gaat er daarbij van uit dat de bewindvoerder de familie waarschijnlijk goed kent en anders eenvoudig aan die informatie kan komen, nu zij een woonadres en een e-mailadres met een van de mogelijke erfgenamen van [belanghebbende] deelt.

3.9

De tweede vraag ligt in het verlengde van de vorige vraag. Eerder heeft [belanghebbende] bedragen geschonken ter hoogte van (vrijwel) het maximum fiscaal vrijgestelde bedrag. Thans wordt voorgesteld per persoon ongeveer 15 keer zoveel uit te keren, welke bedragen onder het tijdelijk tot eind december 2014 verhoogde plafond liggen. Het hof acht het niet op voorhand onaannemelijk dat [belanghebbende], gelet op haar financiële situatie na verkoop van de panden, haar huidige gezondheidssituatie en leefsituatie, in 2014 eenmalig tot een ruimhartiger schenking zou willen overgaan dan voorheen. Het risico bestaat echter dat, als het hof van oordeel is dat de groep ontvangers gelet op de schenkingstraditie moet worden uitgebreid, daarmee een substantieel bedrag wordt uitgekeerd aan mensen die later mogelijk geen erfgenaam blijken te zijn, zulks ten nadele van wie dan wel erfgenaam is. Kan de bewindvoerder gemotiveerd aangeven wat in dit geval de wens van [belanghebbende] zou zijn geweest: ofwel de grotere groep een royalere schenking doen dan gebruikelijk was vanwege de bijzondere fiscale voordelen voor de verkrijgers, ofwel de grotere groep een minder royale schenking doen (en hoeveel dan), ofwel afwijzing van het verzoek voor zover dat strekt tot een hogere schenking dan reeds door de kantonrechter voor 2014 is toegestaan? Het mag duidelijk zijn dat er voor [belanghebbende] zelf geen enkel voordeel is bij een voorgestelde schenking: besparing van toekomstige successierechten is niet haar belang.

3.10

De volgende vraag is of met de beoogde schenkingen wel het doel van alle beoogde ontvangers wordt bereikt: komen alle 14 tot 17 personen in aanmerking voor de fiscaal gunstige schenkingsvrijstelling en zo nee, zijn degenen die niet van de eenmalige vrijstelling gebruik kunnen maken dan toch beter af met schenking in 2014 van een hoger bedrag dan de kantonrechter toestond, zulks in vergelijking met de situatie dat de beslissing van de kantonrechter wordt bekrachtigd en zij te zijner tijd erfgenaam blijken te zijn?

3.11

De bewindvoerder heeft in hoger beroep nadere gegevens verstrekt over de financiële situatie van [belanghebbende]. De kosten van het verblijf in [instelling] zijn hoger dan in eerste aanleg werd aangegeven, maar na aftrek van € 3.300,- per maand uit PGB, resteert een eigen bijdrage van nu € 48.000,- per jaar. Dagelijkse uitgaven worden gedaan van € 13.898,- per jaar aan AOW en een klein pensioen. Volgens de bewindvoerder is, rekening houdend met duurdere zorg in de toekomst, voor een verblijf in [instelling] tot aan de 100ste verjaardag van [belanghebbende] een reservering van € 550.000,- nodig. Indien het hof zou overgaan tot het verlenen van een machtiging, zal het hof bij die beslissing echter veiligheidshalve uitgaan van een benodigde buffer van € 600.000,- nu er geen garantie is dat het PGB in de huidige omvang blijft bestaan, tenzij de bewindvoerder anders aantoont, waartoe gelegenheid is bij het beantwoorden van de vragen zoals hierna wordt bepaald.

3.12

Het hof zal de bewindvoerder in de gelegenheid stellen de onder 3.8 tot en met 3.10 gestelde vragen schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd te beantwoorden.

3.13

ad b: het loon

De bewindvoerder, die tevens mentor is, heeft in eerste aanleg gesteld dat de wettelijke beloning van € 325,- voor haar werkzaamheden als bewindvoerder niet voldoende is, en dat bij haar benoeming tot mentor geen vergoeding is vastgesteld. Zij voert aan dat zij geen familie is van [belanghebbende], en evenmin haar erfgenaam. Zij heeft aanspraak gemaakt op het loon dat een professionele bewindvoerder, tevens mentor, volgens het tarief van 2014 in de aanbevelingen van het LOVCK per uur toekomt (volgens haar is dat het tarief gedeeld door 15 ofwel € 89,- excl. BTW) en aangevoerd dat zij in 2013 meer dan 288 uur heeft gemaakt ter uitoefening van haar taak. Voor 2013 vraagt zij een vergoeding van € 15.000,- exclusief BTW en inclusief kosten. Voor 2014 vraagt zij om € 1000,- per maand en in 2015 verwacht zij dat de werkzaamheden zodanig zijn afgenomen dat het jaarlijkse LOVCK-tarief van nu € 891,- volstaat.

3.14

De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen en de vergoeding tot en met 2013 bepaald op € 1033,83 conform het LOVCK-tarief voor de familiebewindvoerder en -mentor, en de vergoeding over 2014 conform dat tarief op € 74,17 per maand, dan wel het nog door de minister vast te stellen forfaitaire tarief. Daarnaast kan € 0,25 per kilometer in rekening worden gebracht voor noodzakelijke kilometers, waartoe voldoende onderbouwd een machtiging gevraagd kan worden.

3.15

Met haar zesde grief komt de bewindvoerder op tegen deze beslissing. Volgens haar is geen sprake van reguliere werkzaamheden nu [belanghebbende] tweemaal van zorginstelling moest wisselen en er twee woningen moeten worden onderhouden, schoongemaakt en ontruimd en gereed voor verkoop moeten worden gemaakt. Zij heeft alsnog een lijst overgelegd van 40 data waarop zij (naar het hof begrijpt: in 2013) naar [plaats] is gereisd voor activiteiten ten behoeve van [belanghebbende].

3.16

Het hof stelt voorop dat [appellante] niet heeft gesteld dat zij als professioneel bewindvoerder en mentor is benoemd door de kantonrechter. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] haar diensten op commerciële basis verricht en tevoren met [belanghebbende] tariefafspraken heeft gemaakt, die door de kantonrechter bij de benoeming zijn geaccordeerd. Daarom gelden voor haar de forfaitaire tarieven van het LOVCK voor de familiebewindvoerder. Daaraan doet niet af dat [appellante] geen rechtstreekse familie is en evenmin vermoedt erfgenaam te zijn. Zoals zij in eerste aanleg ter zitting heeft verklaard, kende zij [belanghebbende] al 20 jaar, waarmee zij kennelijk tot de categorie personen behoorde op wie als vertrouweling een beroep kan worden gedaan, zoals in familiekring. Overigens constateert het hof dat de bewindvoerder een onjuiste berekening heeft gemaakt van het uurloon van een professional, nu in dat forfaitaire tarief niet alleen de gemiddeld 15 uren van een mentor zijn verdisconteerd, maar ook alle normale werkzaamheden van een bewindvoerder.

3.16

Gelet op de verantwoording van de in 2013 gemaakte reizen heeft de bewindvoerder een grote hoeveelheid tijd besteed aan haar werkzaamheden als mentor. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat dit na de verhuizing op 6 november 2013 naar [instelling] ook in latere jaren nog het geval zal zijn. Voor wat betreft de werkzaamheden als bewindvoerder zijn overleg met de bank, het regelen van beschikbaarheid van geld, administratie en belastingaangifte reguliere werkzaamheden, evenals het geven van opdrachten voor onderhoudswerkzaamheden aan de woning en overleg met makelaars bij voorgenomen verkoop. Bijzonder is wel dat er een tweede woning en een achterliggend bedrijfspand zijn die beide leegstaan. Waarom dat [appellante] zoveel tijd kost dat een extra vergoeding gerechtvaardigd is, heeft zij evenwel niet duidelijk gemaakt. Indien er werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het schoonmaken en het gereed maken voor de verkoop, behoeft de bewindvoerder die werkzaamheden niet zelf te verrichten. Zij kan onder overlegging van offertes een machtiging vragen aan de kantonrechter om deze werkzaamheden ten laste van het vermogen van [belanghebbende] door derden uit te laten voeren. Het hof ziet al met al geen reden voor een hogere beloning dan door de kantonrechter is toegekend.

3.17

Nu de bewindvoerder in hoger beroep haar reiskosten over 2013 wel heeft onderbouwd, zal het hof daarvoor 40 x 2 x 134 km a € 0,25 toekennen, ofwel € 2680,-. Bij eindbeslissing zal aan de bewindvoerder machtiging worden verleend om dit bedrag ten laste van het vermogen van [belanghebbende] te brengen.

3.18

De beslissing wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door de bewindvoerder van de onder 3.8 tot en met 3.10 gestelde vragen, voor een termijn, gelet op het gestelde spoedeisend karakter, van twee weken na heden. Indien de bewindvoerder meer tijd nodig heeft kan zij het hof gemotiveerd om uitstel vragen.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

stelt de bewindvoerder in de gelegenheid zich binnen twee weken na heden schriftelijk uit te laten zoals bedoeld in overweging 3.18;

houdt de zaak aan voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. M.E.L. Fikkers en
mr. I.A. Vermeulen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op vrijdag 26 september 2014.