Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8080

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
200.154.031-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In het dictum van het bestreden vonnis is bepaald dat dat vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van zodanige akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register. Uit de gedingstukken blijkt niet van die inschrijving. Appellante wordt in de gelegenheid gesteld de griffiersverklaring van inschrijving in het register over te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.154.031/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/370960/ KL ZA 14-220)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 21 oktober 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. N.R.H. Boasman-Trustfull, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.N. Cheuk Alam, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 10 juli 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 augustus 2014 (met grieven en producties),

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep
2. alsnog te bepalen in conventie dat
a) [geïntimeerde] uiterlijk bij levering van de woning aan hem een bedrag van € 72.319,51 aan [appellante] dient te voldoen;
3. alsnog te bepalen in reconventie dat
b) de vordering om te bepalen dat voor het geval [appellante] niet uiterlijk 1 september 2014 verschijnt bij de notaris en/of onwillig zal zijn aan het passeren van de verdelings- en leveringsakte mee te werken dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van haar toestemming bij ondertekening van die akte en overige bescheiden wordt afgewezen;
c) de vordering tot het opleggen van een verhuisverbod naar Engeland c.q. het buitenland alsmede buiten het arrondissement Midden-Nederland en Amsterdam onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan het verhuisverbod voldoet met een maximum van € 50.000,- wordt afgewezen;
4. en om [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling*
5. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis
één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

3 De feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[appellante] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze - inmiddels beeindigde - relatie is op [geboortedatum 1] in de [gemeente X] [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), en op [geboortedatum 2] in de [gemeente Y] [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]) geboren. [geïntimeerde] heeft de minderjarigen erkend. Het gezag over de kinderen berust bij [appellante]. [appellante] verblijft met de kinderen in Engeland.

3.3

Partijen hebben gezamenlijk in eigendom de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2].

4 De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing daarop

4.1

[appellante] heeft - voor zover in hoger beroep van belang - in eerste aanleg in conventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 750,- per maand als bijdrage in de maandelijkse lasten uit hoofde van de hypothecaire lening en de levensverzekering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie - voor zover in hoger beroep van belang - gevorderd [appellante] te veroordelen om uiterlijk 1 september 2014 mee te werken aan de levering van de gezamenlijke woning aan hem, tegen een waarde van € 270.000,-, door tussenkomst van een notariskantoor, waarbij [appellante] haar medewerking verleent aan de doorhaling van de inschrijving van het hypotheekrecht en waarbij partijen de kosten van de notaris bij helfte zullen delen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [appellante] daartoe in gebreke blijft.
[geïntimeerde] heeft voorts gevorderd te bepalen dat, voor het geval [appellante] niet uiterlijk 1 september 2014 bij de notaris verschijnt en/of onwillig zal zijn mee te werken aan het passeren van de verdelings- en leveringsakte, het vonnis in de plaats zal treden van haar toestemming voor de ondertekening van de akte en de overige benodigde bescheiden, en te bepalen dat [appellante] wordt verboden om met de minderjarigen naar Engeland c.q. het buitenland te verhuizen, althans [appellante] te bevelen om binnen een in goede justitie te bepalen termijn met de minderjarigen te gaan wonen binnen een straal van 20 kilometer van zijn woonplaats, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [appellante] in gebreke blijft hieraan te voldoen.

4.3

[appellante] heeft verweer gevoerd.

4.4

Nadat partijen ter zitting van de voorzieningenrechter van 3 juli 2014 overeenstemming hebben bereikt over het tijdelijke gebruiksrecht van de gemeenschappelijke woning en de voorlopige omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2], heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis de vorderingen in conventie afgewezen en de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [appellante] bij het bestreden vonnis veroordeeld om uiterlijk 1 september 2014 mee te werken aan de levering van de gezamenlijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] aan [geïntimeerde], tegen een waarde van € 270.000,-, door tussenkomst van een notariskantoor, waarbij [appellante] haar medewerking verleent aan de doorhaling van de inschrijving van het hypotheekrecht en waarbij partijen de kosten van de notaris bij helfte zullen delen.
De voorzieningenrechter heeft voorts bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de toestemming van [appellante] voor de ondertekening van de akte en de overige benodigde bescheiden in het geval [appellante] niet uiterlijk 1 september 2014 bij de notaris verschijnt en/of onwillig zal zijn aan het passeren van de verdelings- en leveringsakte.
Daarbij heeft de voorzieningenrechter [appellante] voor de duur van één jaar verboden om met de minderjarigen naar Engeland c.q. het buitenland alsmede buiten het arrondissement Midden-Nederland en Amsterdam te verhuizen en heeft hij [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt.
De voorzieningenrechter heeft het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis drie grieven opgeworpen. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop.

5.2

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter in reconventie [appellante] (onder meer) veroordeeld tot medewerking aan de levering van de gezamenlijke woning aan [geïntimeerde]. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van [appellante] voor de ondertekening van de akte en de overige benodigde bescheiden in het geval [appellante] niet uiterlijk 1 september 2014 bij de notaris verschijnt en/of onwillig zal zijn (het hof begrijpt: om mee te werken, toevoeging hof) aan het passeren van de verdelings- en leveringsakte.

5.3

De voorzieningenrechter heeft hiermee bepaald dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van zodanige akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. [appellante] komt daar in hoger beroep tegen op. Ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW dient het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van dit rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register. Uit de gedingstukken blijkt niet van die inschrijving. Het is aan [appellante] als appellante om, door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven (rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad), aan te tonen dat aan het artikel 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan (vgl. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615 en HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005). Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen bedoelde griffiersverklaring bij akte in het geding te brengen.

5.4

Het hof overweegt dat het in het algemeen niet wenselijk is wanneer wordt beslist dat een rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van een tot toedeling van een registergoed bestemde akte, zonder dat partijen en de rechter in de gelegenheid zijn geweest van de inhoud van de conceptakte kennis te nemen en daarover zo nodig opmerkingen te maken.
Voor het geval de toedeling van de woning aan [geïntimeerde] ten tijde van het wijzen van dit tussenarrest nog niet heeft plaatsgevonden, dient [geïntimeerde] bij akte de conceptakte in het geding te brengen.

5.5

Gelet op genoemde uitspraken van de Hoge Raad moet het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW tevens aldus worden opgevat dat indien [appellante] het instellen van het hoger beroep niet (tijdig) heeft doen aantekenen in het rechtsmiddelenregister, zij uitsluitend in haar hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het hoger beroep dat gedeelte van de uitspraak betreft ten aanzien waarvan de voorzieningenrechter heeft bepaald dat het (op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW) in de plaats treedt van de akte, en overigens voor zover met dat gedeelte een onlosmakelijk verband bestaat.

5.6

Het hof is daarom van oordeel dat niet tijdige inschrijving in het rechtsmiddelenregister leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen onderdeel 6.4 van het dictum van het bestreden vonnis, waarop de derde grief betrekking heeft.

5.7

Het hof heeft voorts, naar aanleiding van de overige geschilpunten tussen partijen, behoefte aan nadere inlichtingen en zal daarom - alvorens verder te beslissen - een comparitie van partijen gelasten. Ter comparitie zal in ieder geval de actuele stand van zaken rond de toedeling van de woning aan [geïntimeerde] en rond de verblijfplaats van [appellante] en van de kinderen aan de orde worden gesteld. Voorts zal de comparitie worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.8

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

beveelt een verschijning van partijen in persoon, vergezeld van de raadslieden, tot het geven van inlichtingen en opdat kan worden bezien of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader te bepalen dag en uur voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.M. Koene;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 4 november 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen en van hun raadslieden voor de periode november en december 2014, waarna het hof dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

bepaalt dat partijen de in rechtsoverweging 5.3 en 5.4 bedoelde akten uiterlijk twee weken voorafgaand aan de datum van de comparitie bij akte in het geding dienen te brengen;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van andere nog niet in het geding gebrachte schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie moet worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

bepaalt dat bij deze comparitie geen gelegenheid bestaat pleitnotities voor te dragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.E.L. Fikkers en mr. A.M. Koene en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 oktober 2014