Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8076

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
200.134.852-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Eindafrekening verbruik van gas bij gebreke van een gasmeter. Huurder is een redelijke vergoeding verschuldigd. Aan de hand van de omstandigheden van het geval wordt een redelijke vergoeding begroot. Verhuurder heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat door toedoen van de huurder schade is toegebracht aan het ondergrondse deel van de hemelwaterafvoerbuis. Bij eindinspectie en geruime tijd nadien heeft verhuurder geen bezwaar gemaakt tegen de door de huurder aangebrachte radiatoren die bij oplevering in het gehuurde achter bleven, zodat verhuurder geen verwijdering van die radiatoren meer kan verlangen. Na verrekening van het door huurder te betalen bedrag aan het verbruik van gas met de waarborgsom resteert een nog door de verhuurder te betalen bedrag. De hoogte van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten worden aan de toegewezen hoofdsom aangepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.852

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 642984 MC 13-367)

arrest van de eerste kamer van 21 oktober 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.A.F. Stoel, kantoorhoudende te Weesp,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.A. Sikkes, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

7 augustus 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, de kantonrechter in locatie Almere (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 september 2013;

- de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis d.d. 11 februari 2014;

- de memorie van antwoord met producties d.d. 6 mei 2014;

Op 12 augustus 2014 is met instemming van partijen een comparitie in plaats van pleidooi gehouden. Bij die gelegenheid is akte verleend van de vooraf door [geïntimeerde] toegezonden producties. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.2

Na afloop van de comparitie heeft het hof op het griffiedossier arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt, na wijziging van eis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

"A) Tot vernietiging van het vonnis van 7 augustus 2013 (.....),

B) alsnog geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering danwel die vordering af te wijzen, althans geïntimeerde de vordering te ontzeggen,

C) met veroordeling van geïntimeerde tot betaling aan appellant (....) van een bedrag van € 7.905,78 terzake aan geïntimeerde geleverde gas en elektra over de periode van 1 april 2010 tot en met 31 maart 2012. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2013 tot aan de dag van volledige betaling,

D) geïntimeerde te veroordelen tot een schadevergoeding aan appellant van € 8.181,25 zijn de kosten van herstel van schade die door geïntimeerde aan de bedrijfsruimte is toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2013 tot aan de dag van volledige betaling,

E) geïntimeerde te veroordelen om de bedrijfsruimte die zij van appellant huurde in oorspronkelijke staat te herstellen met herstel van schade aan de bedrijfsruimte in verband hiermee,

F) geïntimeerde te veroordelen tot de kosten in beide instanties,(....).”

3 De feiten

3.1

[appellant] heeft geen specifieke grieven gericht tegen de door de rechtbank in het vonnis van 7 augustus 2013 onder 1.1 t/m 1.5 vastgestelde feiten, maar mede in het licht van grief 3 een kanttekening geplaatst bij het onder 1.2. vastgestelde feit. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de niet bestreden feiten als volgt.

3.2

[appellant] huurt van [X] de bedrijfshal met een oppervlakte van circa 1.100 m² aan [adres].

3.3

[appellant] heeft een gedeelte van die bedrijfshal, te weten 400 m² (hierna de bedrijfsruimte), bij schriftelijke overeenkomst met ingang van 1 april 2010 voor de duur van 2 jaar in onderhuur gegeven aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft de bedrijfsruimte gebruikt voor de opslag, de productie, de reparatie en het onderhoud van sloepen.

3.4

Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] € 7.050,00 aan waarborgsom voldaan.

3.5

Voorts heeft [geïntimeerde] maandelijks € 250,00 bij wege van voorschot voor het gas- en elektriciteitsverbruik betaald. Er is een tussenmeter aan de hand waarvan het elektriciteitsverbruik van [geïntimeerde] kan worden berekend. Er is geen tussenmeter voor het gasverbruik van [geïntimeerde]. De in artikel 5 van de huurovereenkomst verlangde berekeningen van de kosten van de verbruikte energie aan het eind van ieder jaar, waarna terugbetaling of bijbetaling kan plaatsvinden, zijn gedurende de huurovereenkomst niet opgemaakt.

3.6

[geïntimeerde] heeft in de bedrijfsruimte een kantoorruimte/kantine gebouwd, een toilet aangelegd, radiatoren geplaatst en aan de buitenzijde een gevelreclame aangebracht. [appellant] is met deze bouwwerkzaamheden bekend geraakt en heeft daartegen in ieder geval geen bezwaar gemaakt.

3.7

De huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] is na ommekomst van de contractuele termijn op 31 maart 2012 geëindigd. Die dag heeft in aanwezigheid van beide partijen een opleveringsinspectie plaatsgevonden.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 7.050,00 aan waarborgsom, € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 214,20 aan wettelijke rente tot dagvaarding, vermeerderd met de wettelijke rente over € 7.050,00 vanaf de datum van de dagvaarding en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.2

[appellant] heeft in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen het gehuurde in oorspronkelijke staat te herstellen met herstel van de schade aan de bedrijfsruimte. Voorts heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 7.905,78 wegens energiekosten en € 8.181,25 wegens schadevergoeding, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2013 en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.3

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [appellant], na de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde], het door hem gestelde causale verband tussen de door [geïntimeerde] gedane aansluiting van de toiletafvoer op de hemelwaterafvoerbuis en de gesprongen hemelwaterafvoerbuis onvoldoende onderbouwd. Voorts heeft [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en met stukken onderbouwd waaruit het door [appellant] gestelde gasverbruik kan worden afgeleid. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter met toestemming van [appellant] de radiatoren, de kantoorruimte/kantine en het toilet aangelegd waardoor er op [geïntimeerde] geen verplichting rust deze wijzigingen/veranderingen aan de bedrijfsruimte ongedaan te maken. Voor de gevelreclame is geen toestemming van [appellant] verkregen, zodat [geïntimeerde] gehouden is die gevelreclame te verwijderen. Tot slot overweegt de kantonrechter dat [appellant] geen bedragen kan verrekenen met het door [geïntimeerde] gestorte bedrag aan waarborgsom, zodat hij dat bedrag heeft terug te betalen.

Deze overwegingen leiden ertoe dat de kantonrechter in reconventie [geïntimeerde] heeft veroordeeld tot verwijdering van de gevelreclame en de overige reconventionele vorderingen van [appellant] heeft afgewezen. In conventie heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. [appellant] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie.

5 De beoordeling in hoger beroep

verbetering van de eis

5.1

[appellant] heeft in appel drie grieven ontwikkeld en bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd. Met deze eiswijziging is beoogd het dictum in de appeldagvaarding te verbeteren teneinde in hoger beroep te bereiken dat de in eerste aanleg ingediende conventionele vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen en de reconventionele vorderingen van [appellant] worden toegewezen.

5.2

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] tegen deze bij memorie van grieven gedane verbetering van de eis geen bezwaar heeft gemaakt. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de eiswijziging leidt tot een onredelijke vertraging van het geding en/of tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging. Dit betekent dat het hof de eiswijziging toestaat.

gasverbruik

5.3

Met grief 1 komt [appellant] op tegen de beslissing van de kantonrechter in rechtsoverweging 2.8 van het bestreden vonnis, dat [appellant] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en ter onderbouwing daarvan stukken heeft overgelegd waaruit met voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid welk bedrag [geïntimeerde] voor het verbruik van gas verschuldigd is, zodat de kantonrechter het er voor houdt dat [geïntimeerde] met de betaling van het bedrag aan voorschotten van in totaal € 6.000,- het verbruik van zowel elektriciteit als gas volledig heeft betaald.

5.4

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en aan stukken, waaronder de brief met bijlagen van [X] d.d. 26 februari 2013, hebben overgelegd, leidt het hof het navolgende af.

Op naam van de hoofverhuurder [X] is voor het gehele pand een aansluiting voor gas en elektra. Nuon, de leverancier van gas en elektra, factureert jaarlijks aan [X] het verbruik in de twaalf maanden voorafgaande aan de maand september van dat jaar. Op basis van de facturen van Nuon stelt [X] in een Excel bestand een afrekening ten behoeve van [appellant] op. Het door [X] aan [appellant] in rekening gebrachte bedrag heeft betrekking op zowel het gedeelte dat [appellant] zelf in gebruik heeft als het gedeelte dat [appellant] in onderhuur heeft gegeven aan [geïntimeerde].

In het Excel bestand wordt de begin- en eindstand van de energiemeter in het betreffende jaar opgenomen en berekent [X] aan de hand van de Nuon facturen de voor gas geldende m³ prijs en de voor elektra geldende prijs per Kwh. Nadat [X] de kosten voor verbruik van gas en elektra voor [appellant] heeft berekend, brengt hij volgens zijn overzicht jaarlijks € 1.200,- in mindering wegens “algemene energiekosten [X] trading”. Vervolgens worden op het jaarlijkse te betalen bedrag de van [appellant] ontvangen voorschotten in mindering gebracht.

Uit de energieafrekeningen voor de jaren 2010 t/m 2012 blijkt dat [X] voor wat betreft het gas de volgende perioden, verbruik, prijs en totaalbedrag heeft genomen:

  • -

    4 september 2009 t/m 2 september 2010, verbruik 11.462 m³, prijs: 0,4674027 per m³, totaal: € 5.357,37;

  • -

    2 september 2010 t/m 20 september 2011, verbruik 14.385 m³, prijs: 0,4875919 per m³, totaal: € 6.389,40;

  • -

    20 september 2011 t/m 17 september 2012, verbruik 12.618 m³, prijs: 0,53381518 per m³, totaal: € 6.187,99.

Voor het elektraverbruik door [geïntimeerde] is een tussenmeter geplaatst. In de brief van

26 februari 2013 heeft [X] opgegeven dat het elektraverbruik van [geïntimeerde] in de huurperiode 31.800 Kwh is geweest. Uitgaande van een prijs van € 0,155 per Kwh heeft [X] de kosten van elektra voor [geïntimeerde] berekend op € 4.938,40. Tussen partijen is dit bedrag niet in geschil. Dit bedrag is reeds verrekend met het door [geïntimeerde] betaalde voorschot van in totaal € 6.000,-.

In de brief van 26 februari 2013 somt [X] een aantal omstandigheden op die volgens hem redelijk maken dat 50% van het aan [appellant] in rekening gebrachte bedrag aan verbruik van gas aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. [X] gaat uit van de drie hiervoor genoemde energieafrekeningen en komt tot een door [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 8.967,38.

5.5

Volgens [appellant] heeft [X] op juiste wijze dat door [geïntimeerde] te betalen bedrag berekend. [geïntimeerde] kan zich met dit bedrag niet verenigen.

5.6

Uit de processtukken leidt het hof af dat [geïntimeerde] niet de door [X] opgestelde energieafrekeningen betwist, maar van mening is dat [X] onjuiste en niet onderbouwde uitgangspunten hanteert voor het deel dat aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. [geïntimeerde] is van mening dat hij louter voor de kosten van gas heeft te betalen in de periode vanaf december 2010 t/m maart 2012. Voorts schat hij zijn verbruik van gas op circa 1/6 deel van de aan [appellant] in rekening gebrachte bedragen, waarbij zeker aan het einde van de huurperiode er rekening mee dient te worden gehouden dat zijn verbruik van gas gering was omdat hij niet in zijn werkplaats maar veel bij klanten aan het werk was. Aldus schat [geïntimeerde] de kosten van gas in de huurperiode op € 1.200,00, bestaande uit € 100,00 voor december 2010, € 1.000,- voor 2011 en € 100,00 voor januari t/m maart 2012.

5.7

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] op grond van de huurovereenkomst gehouden is de werkelijke kosten voor het verbruik van gas te betalen. Bij gebreke van een tussenmeter voor het verbruik van gas dient een redelijk bedrag te worden bepaald, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

5.8

Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het gasverbruik van [geïntimeerde] louter en alleen betrekking heeft op het verbruik van de in december 2010 door [geïntimeerde] geplaatste radiatoren. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd, dat [X] in zijn berekening ten onrechte de energieafrekening in de periode van 4 september 2009 t/m 2 september 2010 heeft meenomen. Voorts is in de berekening van [X] verzuimd een bedrag in mindering te brengen voor de maanden september 2010 t/m november 2010 toen [geïntimeerde] nog geen gasverbruik had en de maanden april 2012 t/m

17 september 2012 toen [geïntimeerde] de bedrijfsruimte niet meer huurde.

Voorts betrekt het hof de volgende niet, of onvoldoende gemotiveerd, betwiste omstandigheden:

  • -

    de aan [appellant] door [X] in rekening gebrachte kosten van verbruik van gas, zoals gespecificeerd in de door [X] opgestelde energieafrekeningen;

  • -

    doordat [geïntimeerde] de radiatoren heeft aangelegd, lag het vooral op zijn weg een tussenmeter voor het verbruik van gas te plaatsen, zodat het ontbreken van een tussenmeter in ieder geval niet in zijn voordeel heeft mee te wegen;

  • -

    in de periode dat [geïntimeerde] gas heeft verbruik zitten twee winterperiodes en één zomerperiode, waarbij het verbruik van gas ten behoeve van radiatoren in de winterperiode hoger is dan in de zomerperiode;

  • -

    [geïntimeerde] heeft in het gehele door hem gehuurde bedrijfsruimte 9 tot 10 radiatoren aangelegd, waarvan 2 tot 3 radiatoren in de werkplaats van circa 100 m² zijn geplaatst en 7 radiatoren buiten die ruimte zijn aangelegd;

  • -

    de buizen naar de radiatoren zijn niet geïsoleerd, zodat ook als slechts de radiatoren in de werkplaats worden gebruikt warmteverlies optreedt;

  • -

    de werkplaats van circa 100 m² is een hoge ruimte van circa 6 meter en heeft een toegangsdeur – zogeheten vouwgordijnen – die warmteverlies meebrengt, zodat het verwarmen van de werkplaats, waaronder het vorstvrij houden, tot een op zichzelf substantieel verbruik leidt;

  • -

    [geïntimeerde] heeft in ieder geval in de laatste fase van de huurovereenkomst de bedrijfsruimte wegens geregeld verblijf bij klanten minder intensief gebruikt, maar de radiatoren werden vanwege de daarin opgeslagen materialen nog wel benut voor het vorstvrij houden van de werkplaats;

  • -

    [appellant] verwarmde in ieder geval 155 m² van de door hem gebruikte bedrijfsruimte/kantoorruimte en kantine;

  • -

    [X] paste in het aan [appellant] in rekening gebrachte bedrag een reductie toe van € 1.200,00, welke reductie kennelijk ook betrekking heeft op het verbruik van gas en derhalve ook deels ten gunste van [geïntimeerde] heeft mee te wegen.

Na afweging van deze omstandigheden en de overige omstandigheden van het geval acht het hof de redelijke vergoeding voor het verbruik van gas door [geïntimeerde] in de periode vanaf december 2010 t/m maart 2012 € 5.000,-.

5.9

[geïntimeerde] heeft in totaal € 6.000,00 aan voorschot voor gas en elektra betaald. Het bedrag aan werkelijke elektriciteitskosten bedraagt € 4.938,40, zodat een bedrag van € 1.061,60 aan voorschot overblijft. Als dat bedrag wordt verrekend met het door [geïntimeerde] te betalen bedrag aan verbruik van gas van € 5.000,00 resteert een door [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 3.938,40.

Hierna zal de vraag worden beantwoord of [appellant] dit bedrag kan verrekenen met de door [geïntimeerde] betaalde waarborgsom.

schadevergoeding

5.10

[appellant] bestrijdt met grief 2 het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 2.5 van het bestreden vonnis, dat [appellant] zijn stelling, dat er een causaal verband is tussen het springen van de hemelwaterafvoerbuis en de aansluiting van de toiletafvoer, onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de vordering van [appellant] tot schadevergoeding van € 8.181,24 wordt afgewezen.

5.11

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn verweer gehandhaafd dat hij de toiletafvoer op aanwijzing van [appellant] heeft aangelegd, dat [appellant] die aansluiting op eigen kosten heeft gewijzigd nadat [X] tegen de door [geïntimeerde] aangebrachte aansluiting bezwaar had gemaakt en dat een defecte ondergrondse hemelwaterafvoerbuis al lange tijd aanwezig moet zijn geweest en in ieder geval niet veroorzaakt is en kan zijn door de aansluiting van de toiletafvoer op die hemelwaterafvoerbuis.

5.12

Tegen dit verweer heeft [appellant] ook in hoger beroep geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid, dat het gebruik van het toilet en de aansluiting van de afvoer van het toilet op de hemelwaterafvoerbuis tot schade aan het ondergronds gelegen deel van de hemelwaterafvoerbuis heeft geleid. Evenmin heeft [appellant] bijvoorbeeld een inspectierapport van kort voor de aanleg van het toilet overgelegd waaruit blijkt dat het ondergrondse deel van de hemelwaterafvoerbuis toen nog intact was. Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het causaal verband tussen de door [appellant] aan [geïntimeerde] verweten gedraging en de gestelde schade niet is komen vast te staan. Grief 2 slaagt daardoor niet.

opleveren in oorspronkelijke staat

5.13

In rechtsoverweging 2.12 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld, dat op [geïntimeerde] geen verplichting rust de radiatoren, de kantoorruimte/kantine en het toilet te verwijderen, omdat die veranderingen en toevoegingen met toestemming van [appellant] (en ook [X]) zijn aangebracht. [appellant] bestrijdt dit oordeel met grief 3.

5.14

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] in hoger beroep niet heeft gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter dat hij de gevelreclame aan de bedrijfshal heeft te verwijderen. Voorts stelt het hof vast dat [appellant] ter zitting zijn vordering in zoverre heeft beperkt dat niet meer wordt verlangd dat [geïntimeerde] de kantoorruimte/kantine en het toilet verwijdert. Hierdoor is het hoger beroep beperkt tot de vraag of [geïntimeerde] gehouden is de door hem aangebrachte radiatoren te verwijderen en de daardoor veroorzaakte schade aan de bedrijfsruimte te herstellen.

5.15

Partijen verschillen van mening of [appellant] toestemming heeft gegeven de radiatoren in de bedrijfsruimte aan te leggen. In ieder geval is [appellant] daarmee bekend geraakt en heeft hij ter zitting verklaard tegen de aanleg niet te hebben geprotesteerd omdat de verbouwingen voor de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] van belang waren.

Vast staat dat in verband met de beëindiging van de huurovereenkomst op 31 maart 2012 in het kader van de oplevering een inspectie van de bedrijfsruimte heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft [appellant], zoals hij ter zitting heeft verklaard, geen bezwaar gemaakt tegen de nog aanwezige radiatoren en heeft [appellant] evenmin verlangd dat [geïntimeerde] die radiatoren zou verwijderen. Ook na de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte heeft [appellant] tot de start van de onderhavige procedure geen verwijdering van de radiatoren gevraagd.

Voorzover [appellant] geen expliciete toestemming voor de aanleg van de radiatoren heeft gegeven, kan [appellant] naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden geen verwijdering van de radiatoren door [geïntimeerde] meer verlangen. [geïntimeerde] heeft in de gegeven omstandigheden na de opleveringsinspectie er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat hij de bedrijfsruimte in behoorlijke staat aan [appellant] had opgeleverd zonder dat er nog kosten van verwijdering van wijzigingen/veranderingen in de bedrijfsruimte en eventuele herstelkosten gemaakt zouden hoeven te worden.

Dit betekent dat grief 3 wordt verworpen.

verrekening waarborgsom

5.16

Nu het hof de eerste grief (deels) gegrond heeft geacht, heeft het hof in het licht van de devolutieve werking in hoger beroep te onderzoeken of [appellant] het door [geïntimeerde] nog te betalen bedrag aan verbruik van gas mag verrekenen met de waarborgsom.

5.17

[geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] recht heeft op een (aanvullend) bedrag aan kosten voor het verbruik van gas en schadevergoeding, maar heeft op zichzelf niet betwist dat voorzover [appellant] aanspraak op een bedrag kan maken [appellant] dat bedrag kan verrekenen met de waarborgsom.

Het hof stelt vast dat aan de eisen van verrekening als neergelegd in artikel 6:127 lid 2 BW wordt voldaan, zodat het op grond van rechtsoverweging 5.9 nog bij te betalen bedrag aan verbruik gas van € 3.938,40 wordt verrekend met de waarborgsom. Hierdoor resteert een nog door [appellant] te betalen bedrag aan waarborgsom van € 3.111,60. Het hof zal dit bedrag in conventie toewijzen.

buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente

5.18

[appellant] heeft in hoger beroep de verschuldigdheid van de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente niet bestreden, zodat het hof daarvan heeft uit te gaan. De gevorderde rente tot dagvaarding en de buitengerechtelijke incassokosten zijn over een hoger bedrag berekend dan in dit arrest wordt toegewezen. [appellant] is bij brief van 1 augustus 2012 in gebreke gesteld, zodat het hof de wettelijke rente zal toewijzen vanaf de datum van verzuim, zijnde 16 augustus 2012. Het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal overeenkomstig de door de kantonrechter gehanteerde staffel worden bepaald op het hieronder vermelde bedrag.

proceskosten

5.19

Bij deze uitkomst van het hoger beroep, waarbij beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. De beslissing in hoger beroep heeft tot gevolg dat in eerste aanleg de gevorderde hoofdsom slechts gedeeltelijk wordt toegewezen. Nu een procedure voor [geïntimeerde] noodzakelijk was om een voor executie vatbare titel te verkrijgen, zal het hof in conventie het griffierecht en explootkosten toewijzen en het salaris gemachtigde compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

5.20

De grief tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van een bedrag aan de kosten voor het gasverbruik is gegrond. Voorts is [appellant] gerechtigd het nog door [geïntimeerde] te betalen bedrag aan energiekosten te verrekenen met de waarborgsom. De rechtbank heeft op goede gronden de vorderingen van [appellant] tot betaling van schadevergoeding en verwijderen van de radiatoren en herstel van de schade afgewezen. Dit leidt ertoe dat het hof de veroordeling in conventie vernietigt en opnieuw recht zal doen en de reconventionele veroordeling bekrachtigt. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie gewezen wordt in die zin gewijzigd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van het griffierecht (€ 448,-) en de explootkosten (€ 83,71) en dat het salaris gemachtigde wordt gecompenseerd.

Het hof gaat ervan uit dat hetgeen [appellant] inmiddels mocht hebben betaald in mindering strekt op het hierna toegewezen bedrag waartoe hij wordt veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 7 augustus 2013 van de kantonrechter voorzover in conventie gewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van

- € 3.111,60 € 3.111,60 aan restant waarborgsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

16 augustus 2012 tot aan de dag van algehele voldoening;

- € 450,00 € 450,00 excl. btw wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg in conventie gevallen voorzover betrekking hebbend op het griffierecht en de explootkosten, zijnde € 531,71 en compenseert het salaris gemachtigde in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het vonnis voor zover gewezen in reconventie;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolrechter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 oktober 2014.