Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8063

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
K14/0339
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Srebrenica-zaak. Het hof wijst het verzoek tot wraking van het militaire lid van de militaire (beklag)kamer af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/264

Uitspraak

Wrakingskamer

Zaaknummer: K14/0339

Wrakingsnummer: 200.151.224

Beslissingsdatum: 23 oktober 2014

Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker 1],

[verzoeker 2],

[verzoeker 3],

[verzoeker 4].

De procedure

Op 4 april 2014 is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, een klaagschrift binnengekomen ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betreffende de beslissing tot niet-vervolging van de beklaagden [beklaagde 1], [beklaagde 2] en [beklaagde 3].

Door de advocaten van klagers, thans verzoekers, mr L. Zegveld en mr G. Sluiter, is vervolgens op 19 mei 2014 een brief gestuurd, gericht aan het bestuur van het gerechtshof, waarin primair is verzocht te bepalen dat een reguliere beklagkamer over het artikel 12 Sv-verzoek zal beslissen. Voor zover het bestuur daar niet mee zou instemmen, wordt het militaire lid van de kamer verzocht zich te verschonen. Indien hij daar niet toe bereid zou zijn, wordt meer subsidiair het militaire lid bij voorbaat gewraakt.

Bij brief van 22 mei 2014 heeft het bestuur van het gerechtshof de raadslieden van verzoekers laten weten dat het niet aan het primaire verzoek tegemoet kan komen.

Het gerechtsbestuur heeft daartoe aangegeven dat het geen ruimte heeft om af te wijken van het bepaalde in de Wet op de rechterlijke organisatie. Het gerechtsbestuur heeft vervolgens laten weten dat het de brief van de raadsvrouw mr Zegveld zal doen toekomen aan de voorzitter van de militaire kamer als ook aan de wrakingskamer van het gerechtshof.

Bij brief van 23 mei 2014 heeft de voorzitter van de militaire (beklag)kamer laten weten dat het militaire lid, commandeur (LD) (tit.) mr. R.R.H. Laurens heeft aangegeven geen verzoek te zullen doen om zich te mogen verschonen. Voor zover hem bekend doen zich in relatie tot de beklagzaak te zijnen aanzien geen feiten of omstandigheden voor, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Aldus is het wrakingsverzoek aan de orde.

De wrakingskamer heeft de beklaagden en de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op de standpunten van verzoekers te reageren. Zowel de raadslieden van beklaagden als de advocaat-generaal hebben geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De wrakingskamer heeft ter zitting van 25 september 2014 gehoord de raadsvrouw van verzoekers, de raadsvrouw van beklaagde [beklaagde 2], alsmede de advocaat-generaal, die heeft opnieuw geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De raadslieden van beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 3] hadden, mede namens hun cliënten, voorshands aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen

Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk. Met verzoekers gaat de wrakingskamer ervan uit dat aan hen als klagers in een procedure ex artikel 12 Sv het middel van wraking ten dienste staat.

De gronden van het verzoek tot wraking

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

De bijzonderheden van de onderhavige zaak brengen met zich dat toepassing van artikel 68, lid 3, van de Wet op de rechterlijke organisatie (verder: Wet RO) in dit specifieke geval in strijd met art. 6 EVRM is. Daaraan leggen verzoekers ten grondslag dat de weigering van het openbaar ministerie om de beklaagden te vervolgen een direct gevolg is van de te nauwe betrokkenheid van het Ministerie van Defensie bij het openbaar ministerie in deze zaak. Het Ministerie van Defensie mag daarom niet opnieuw betrokken worden bij deze zaak, door een militaire rechter mee te laten beslissen of vervolging al dan niet geboden is.

De stelling van verzoekers dat het Ministerie van Defensie zich teveel heeft bemoeid met deze zaak is – aldus verzoekers – gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:

  1. In de eerste plaats heeft het Ministerie van Defensie de feiten gemanipuleerd in zijn voordeel en het heeft er keer op keer willens en wetens voor gekozen om ze te ontkennen en onwaarheden te vertellen;

  2. In de tweede plaats zijn er aanwijzingen dat het Ministerie van Defensie bewijsmateriaal heeft laten verdwijnen;

  3. In de derde plaats heeft het Ministerie van Defensie zich bemoeid met het strafrechtelijk onderzoek. Het is voor verzoekers ondoorzichtig of ook in het laatste stadium invloed door het ministerie van Defensie is aangewend teneinde vervolging van de beklaagden te voorkomen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de omstandigheid dat militaire rechters “in overeenstemming met Onze minister van defensie” bij koninklijk besluit worden benoemd maakt dat deze te zeer afhankelijk zijn van het ministerie van defensie en, gelet op deze feiten en omstandigheden, niet onpartijdig kunnen oordelen over het beklag. Dienaangaande heeft zij uitdrukkelijk verwezen naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het is om die reden dat het militaire lid van de beklagkamer, commandeur (LD) (tit.) mr. R.R.H. Laurens, wordt gewraakt. De voornoemde bezwaren richten zich echter niet alleen tegen mr. Laurens, maar tegen ieder (ander) militair lid. Verzoekers concluderen dat de wet en de aard van de beklagzaak, bezien in het licht van de vereisten van artikel 6 EVRM, ruimte bieden om dit beklag, in afwijking van de hoofdregel van artikel 68, lid 3, Wet RO, door een reguliere (te weten: burgerlijke) beklagkamer te laten beoordelen.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag welke de wrakingskamer in onderhavige zaak zal dienen te beantwoorden is of de door verzoekers genoemde omstandigheden voldoende dergelijke zwaarwegende aanwijzingen opleveren. Indien de wrakingskamer het verzoek gegrond acht, zou artikel 68, lid 3, Wet RO in dit specifieke geval buiten toepassing moeten worden gelaten.

Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) komt naar voren dat deelname van militaire leden niet in strijd is met de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zolang deze maar met voldoende waarborgen is omkleed. Voor wat betreft de Nederlandse militaire (straf)rechtspraak heeft het EHRM in de zaak Engel e.a. tegen Nederland (NJ 1978, 223) overwogen over het (toen nog bestaande) Hoog Militair Gerechtshof dat er afdoende waarborgen waren om het Hoog Militair Gerechtshof als een onafhankelijke en onpartijdig gerecht te beschouwen. Dit oordeel werd vervolgens door het EHRM herhaald in de zaak Morris tegen het Verenigd Koninkrijk (26 februari 2002). De militaire strafrechtspraak is in 1991 geïntegreerd in de commune strafrechtspraak, waarbij de wetgever een aantal, in relatie tot de onafhankelijkheid relevante en ten opzichte van de oude militaire wetgeving soortgelijke, ‘rechtspositionele’ bepalingen uit de Wet RO en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren op militaire leden overeenkomstig van toepassing verklaard. In het bijzonder gelet op de overwegingen van het EHRM in de zaken Engel e.a. tegen Nederland en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk kan in beginsel worden aangenomen dat de huidige samenstelling van de militaire kamer van het gerechtshof de EVRM/IVBPR-toets nog steeds zal doorstaan.

De hoofdzaak betreft het beklag over het niet vervolgen door het openbaar ministerie van drie militaire (onder)officieren die in 1995 deel uitmaakten van Dutchbat III, het bataljon dat toen deelnam aan een VN-Vredesoperatie (UNPROFOR) en gelegerd was in Srebrenica. De klagers in de hoofdzaak, tevens verzoekers tot wraking, zijn de nabestaanden van personen die op of kort na 13 juli 1995 door het Bosnisch-Servische leger of aanverwante paramilitaire groeperingen zijn vermoord. De dood van hun familieleden wijten zij (mede) aan het handelen van de beklaagde drie Nederlandse (onder)officieren.

Volgens artikel 68, lid 3, Wet RO oordeelt de militaire kamer van dit hof over beklag over niet vervolging in militaire zaken. Deze militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid. Een militair lid wordt volgens artikel 9 van de Rijkswet van 14 juni 1990, houdende nieuwe regels inzake de militaire strafrechtspraak, benoemd op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de Minister van Defensie.

Het verzoek tot wraking heeft betrekking op het militaire lid van de beklagkamer, commandeur mr. Laurens. De gronden voor de wraking hebben echter geen betrekking op omstandigheden die mr. Laurens persoonlijk betreffen. Die gronden zien op de omstandigheid dat mr. Laurens als commandeur in dienst is van het Ministerie van Defensie in samenhang met ‘de uitzonderlijke aard van het Srebrenica-dossier’. Die uitzonderlijke aard bestaat volgens verzoekers onder meer in de directe betrokkenheid bij het handelen van de beklaagden, van (andere) hoge militairen en van de toenmalige Minister van Defensie, een intensieve bemoeienis van het Ministerie van Defensie met de vaststelling van de feiten met het oog op een mogelijk strafrechtelijke onderzoek en een beweerde beïnvloeding van het openbaar ministerie door de top van het Ministerie van Defensie. Verzoekers wraken op die grond bij voorbaat het militaire lid van de beklagkamer, ‘wie het ook mag zijn’.

De wrakingskamer van het hof realiseert zich terdege dat de onderhavige zaak een buitengewoon karakter draagt. Ze betreft niet alleen zeer ernstige feiten, maar raakt in aanmerkelijke mate het aanzien van de Nederlandse defensie(organisatie). Het is alleszins begrijpelijk dat klagers er ongelukkig mee zijn dat mede een militair lid over hun beklag oordeelt. Een en ander is voor wraking echter niet genoeg. Ook voor het militaire lid van de militaire kamer van het hof geldt dat hij uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Hetgeen verzoekers aanvoeren levert geen uitzonderlijke omstandigheden op die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat commandeur mr. Laurens jegens klagers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij klagers daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Voor zover over het voorgaande al anders zou moeten worden geoordeeld, in die zin dat klagers in verband met het uitzonderlijke karakter van de Srebrenicazaak objectieve grond zouden hebben om de onpartijdigheid van commandeur mr. Laurens – en met hem van ieder ander militair lid van de militaire kamer – te betwijfelen, kan dat niet tot een andere beslissing leiden. De strekking van het onderhavige wrakingsverzoek is in feite dat de zaak door een andere kamer zal worden beslist dan die daartoe door de wet is aangewezen. Daarmee gebruiken klagers het middel van de wraking buiten de begrenzingen die aan dat middel zijn verbonden. Het behoort immers niet tot de mogelijkheden van de wrakingskamer, ook niet in het licht van artikel 6 EVRM, om wettelijke bevoegdheidsregels terzijde te stellen; de taak van de wrakingskamer beperkt zich integendeel ertoe om te beoordelen of de onpartijdigheid van individuele rechters schade lijdt. Zou de wrakingskamer het onderhavige wrakingsverzoek honoreren en zou vervolgens een commune strafkamer worden opgesteld om over het beklag te oordelen, dan valt te betwijfelen of die kamer zich bevoegd zou kunnen achten. Zou die kamer niettemin de vervolging van beklaagden bevelen, dan zouden dezen als verdachten in de strafzaak vervolgens kunnen betogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is omdat het bevel tot vervolging niet bevoegdelijk is gegeven. De wrakingskamer acht het alleszins voorstelbaar dat een zodanige niet-ontvankelijkverklaring in dat geval inderdaad zou moeten volgen. Het risico van dergelijke verwikkelingen – die zeker ook voor verzoekers buitengewoon ongelukkig zouden zijn – illustreren dat verzoekers het middel van de wraking gebruiken waarvoor het niet is bedoeld.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek hebben verzoekers een bewijsaanbod gedaan, namelijk tot het horen van de officieren van justitie die betrokken zijn geweest bij de beoordeling van de door klagers tegen beklaagden gedane aangifte, alsmede van NOS-verslaggever [naam]. Dit aanbod heeft evenwel geen betrekking op feiten of omstandigheden die commandeur mr. Laurens betreffen. Daarom passeert de wrakingskamer dat aanbod.

De slotsom moet zijn dat het verzoek tot wraking van commandeur mr. Laurens zal worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof (wrakingskamer):

Wijst het verzoek tot wraking van commandeur (LD) (tit.) mr. R.R.H. Laurens af.

Aldus gewezen op 23 oktober 2014 door

mr. H. Abbink, voorzitter,

mrs. W.L. Valk en R. den Ouden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier.