Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:805

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.091.388-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofverblijfplaats. Kinderen verblijven bij de vader in Zwitserland. Dossiervorming Bureau Jeugdzorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/79.6
JPF 2014/78 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 januari 2014

Zaaknummer 200.091.388

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod,

kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.M.A.W. Erven,

kantoorhoudende te Lelystad.

De inhoud van de tussenbeschikking van 1 mei 2012 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na voormelde tussenbeschikking is ter griffie van het hof ingekomen:

- een brief d.d. 5 oktober 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), binnengekomen op 9 oktober 2012;

- een beslissing van 27 september 2012 van de kinderbescherming in Zwitserland (hierna: de KESB) en een besluit van 17 december 2012 van de KESB, beide binnengekomen op 9 januari 2013;

- een brief d.d. 26 februari 2013 van de raad;

- een beslissing van de KESB van 31 januari 2013, binnengekomen op

28 februari 2013;

- een "Sozialbericht" van de KESB van 4 april 2013 met bijlagen, binnengekomen op 9 april 2013;

- een beslissing van 8 april 2013 van de kantonrechter te Graubünden (Zwitserland), binnengekomen op 17 april 2013;

- een brief van 2 mei 2013 van de raad, binnengekomen op 3 mei 2013;

- een brief van 11 juni 2013 van de raad, binnengekomen op 13 juni 2013;

- een faxbericht van 18 juni 2013 met bijlagen van mr. Erven;

- een brief van 2 juli 2013 van de raad met bijlagen, binnengekomen op 3 juli 2013;

- een brief van 5 juli 2013 met bijlagen van mr. Erven, binnengekomen op

8 juli 2013;

- een brief van 11 juli 2013 met bijlagen van mr. Erven, binnengekomen op 12 juli 2013;

- een brief van 17 juli 2013 van de raad, binnengekomen op 19 juli 2013;

- een faxbericht van 22 juli 2013 van de raad;

- een brief d.d. 22 juli 2013 van mr. Whiterod, binnengekomen op 23 juli 2013;

- een brief van 26 augustus 2013 met bijlagen van mr. Erven, binnengekomen op 27 augustus 2013;

- een brief van 10 september 2013 van de raad, binnengekomen op

12 september 2013;

- een brief van 3 oktober 2013 van mr. Erven, binnengekomen op 7 oktober 2013;

- een brief van 10 oktober 2013 met bijlage van mr. Erven, binnengekomen op 14 oktober 2013;

- een journaalbericht V6 met bijlagen van mr. Whiterod, binnengekomen op 26 november 2013;

- een brief van 28 november 2013 met bijlagen van mr. Erven, binnengekomen op 28 november 2013;

- een journaalbericht V8 van mr. Whiterod, binnengekomen op 3 december 2013.

Ter zitting van 9 december 2013 is de zaak opnieuw behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad, in zijn adviserende rol, was de heer M.A. Dolieslager aanwezig. Mr. Whiterod heeft pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

De feiten

1.

Bij genoemde tussenbeschikking van 1 mei 2012 heeft het (toen nog) hof Leeuwarden - voor zover hier van belang - tot (uiterlijk) 1 januari 2013 een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld en bepaald dat de man in het kader van deze voorlopige verdeling met een bedrag van € 450,- per maand dient bij te dragen in de reis- en verblijfskosten van de vrouw. Alvorens verder te beslissen heeft het hof de raad opgedragen om een onderzoek in te stellen naar de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] en de wijze waarop een zorgregeling tussen de kinderen en de niet-verzorgende ouder kan worden vormgegeven.

2.

Omdat de kinderen in Zwitserland verblijven heeft de raad International Social Service verzocht om de situatie ter plekke te onderzoeken. Hangende dit onderzoek hebben zich in Zwitserland nieuwe ontwikkelingen voorgedaan rondom [kind 1] en [kind 2].

3.

Op bevel van de Zwitserse kinderbescherming is [kind 1] op 27 september 2012 opgenomen op de kinderafdeling van het ziekenhuis Graubünden te Chur wegens o.a. zelfbeschadiging en suïcidedreiging. Voorts is op die datum een contactverbod tussen de vrouw en de kinderen opgelegd, omdat [kind 1] en [kind 2] grote psychische druk ervaren door hun contact met de vrouw.

4.

Op 24 oktober 2012 is geprobeerd [kind 1] thuis te plaatsen. In verband met een nieuwe ontsporing is [kind 1] op 30 oktober 2012 echter weer opgenomen in het ziekenhuis.

5.

Bij beslissing van de KESB van 17 december 2012 is ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] een maatregel van opvoedingsondersteuning uitgesproken. Als opvoedingsondersteuner is [A] benoemd. Voorts is op

17 december 2012 het contactverbod tussen de vrouw en de kinderen opgeheven en is aan partijen de opdracht gegeven de reeds onder leiding van de behandelende therapeuten (psychiater [psychiater] en psycholoog [psycholoog]) in gang gezette mediation voort te zetten.

6.

Bij beslissing van de KESB van 31 januari 2013 is bepaald dat [kind 1] voor verdere behandeling wordt opgenomen in de kinderpsychiatrische kliniek te Littenheid. Hij was daar op 29 januari 2013 reeds naar overgeplaatst.

7.

[kind 1] is op 7 juni 2013 ontslagen uit de kliniek te Littenheid. Sindsdien woont hij, net als [kind 2], weer bij de man.

De bevoegdheid

8.

De man heeft het hof bij brief van 5 juli 2013 primair verzocht zich op grond van artikel 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996) onbevoegd te verklaren het hoger beroep verder te behandelen. Het hof zal dit verzoek afwijzen om de volgende reden.

9.

De man heeft het verzoekschrift tot het voorlopig aan hem toevertrouwen van de kinderen op 3 juni 2010 ingediend bij de rechtbank. De kinderen woonden toen bij de vrouw in Nederland en de man woonde in Zwitserland.

10.

Bij voorlopige voorziening van 16 juli 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, zijn de kinderen voor de duur van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen aan de man toevertrouwd. Naar aanleiding van deze beslissing zijn de kinderen op of omstreeks 4 augustus 2010 naar Zwitserland verhuisd.

11.

De man heeft op 4 augustus 2010 het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen en tot het treffen van nevenvoorzieningen, waaronder - voor zover hier van belang - het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem en het vaststellen van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen, ingediend bij de rechtbank.

12.

Ingevolge artikel 8 lid 1 Brussel II-bis-verordening zijn ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

13.

Het begrip gewone verblijfplaats moet worden uitgelegd in die zin dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Het is aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. In deze zaak zijn de kinderen weliswaar op of rond 4 augustus 2010 in Zwitserland gaan wonen, maar daar hadden ze naar het oordeel van het hof toen nog niet hun gewone verblijfplaats. Op het moment van het aanhangig maken van deze zaak bij de rechtbank door het indienen van het verzoekschrift van de man op 4 augustus 2010 lag de reden van het verblijf van [kind 1] en [kind 2] in Zwitserland in de voorlopige voorziening van 16 juli 2010. Er was dus nog sprake van een voorlopig verblijf. Bovendien hebben de kinderen de Nederlandse nationaliteit en waren zij in de beginfase van de procedure nog niet ingegroeid in de omgeving in Zwitserland. Niet ter discussie staat dat dit inmiddels wel het geval is, maar op

4 augustus 2010 was dit zeker nog niet zo.

14.

Aangezien [kind 1] en [kind 2] naar het oordeel van het hof op 4 augustus 2010 nog hun gewone verblijfplaats in Nederland, zijnde een lidstaat van de Brussel

II-bis-verordening, hadden, is niet artikel 5 HKBV 1996 van toepassing, zoals de man stelt, maar artikel 8 Brussel II-bis-verordening. Op grond van het perpetuatio fori-beginsel behoudt de Nederlandse rechter in beginsel zijn bevoegdheid en heeft de wijziging van de gewone verblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] tijdens de procedure geen invloed op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. In het belang van het kind kan de Nederlandse rechter in afwijking van het voornoemde perpetuatio fori-beginsel zich (alsnog) onbevoegd verklaren. Een dergelijke uitzondering zou zich in de onderhavige zaak kunnen voordoen wanneer onvoldoende informatie voorhanden is om een afgewogen beslissing te kunnen nemen en de rechter in Zwitserland (het land waar de kinderen inmiddels hun gewone verblijfplaats hebben) hier wel over beschikt of kan beschikken of wanneer de rechter in Zwitserland meer mogelijkheden heeft om maatregelen te treffen en uit te voeren ter bescherming van de minderjarigen dan de Nederlandse rechter, dan wel het anderszins in het belang van de kinderen is dat de Zwitserse rechter de zaak verder gaat behandelen.

15.

Het hof is van oordeel over voldoende informatie te beschikken om te kunnen beslissen in deze zaak met name waar het gaat om informatie van de Zwitserse gezinsvoogd, informatie van de behandelende artsen in Zwitserland en de rechterlijke beslissingen omtrent in de Zwitserland uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen.

16.

Waar in Zwitserland al kinderbeschermingsmaatregelen zijn getroffen hoeft ook dit punt het hof niet te weerhouden van het nemen van een beslissing in deze zaak.

17.

Ook anderszins vergen de belangen van de kinderen naar het oordeel van het hof een onbevoegdheidsverklaring niet. De belangen van de kinderen vergen juist om in dit stadium van de procedure, met de thans voorhanden zijnde informatie, naar de kinderen toe duidelijkheid te verschaffen over hun verblijf. Zeker nu uit de rapportage over de kinderen blijkt dat zij erg lijden onder deze onduidelijkheid.

Voorlopige maatregel

18.

Voor het geval het hof het HKBV '96 van toepassing acht heeft de vrouw ter zitting van 9 december 2013 (subsidiair) een beroep op artikel 10 HKBV '96 gedaan. In dat kader heeft de vrouw bij wijze van voorlopige maatregel verzocht de kinderen onverwijld aan haar in de Nederland af te geven.

19.

Nu Brussel II-bis-verordening van toepassing is komt het hof niet toe aan dit (subsidiaire) verzoek van de vrouw. Bovendien kan in hoger beroep geen voorlopige maatregel over de hoofdverblijfplaats van minderjarigen verzocht worden.

Duitstalige producties

20.

Ter zitting van 9 december 2013 heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen alle onvertaalde Duitse stukken die door de man zijn overgelegd, alsmede tegen de stukken van de KESB.

21.

Het hof acht dit bezwaar tardief gedaan. De eerste stukken in de Duitse taal zijn al eind 2011/begin 2012 ingebracht in deze procedure. Bovendien hebben zowel de man als de vrouw zelf stukken in het Duits en Engels overgelegd. Het hof acht het ook niet in het belang van de kinderen om in deze reeds jarenlang slepende kwestie nu nog weer tijd te investeren in het vertalen van de door de vrouw genoemde stukken. De vrouw heeft ter zitting er bovendien blijk van gegeven de inhoud van de Duitse stukken goed te hebben begrepen, zodat het beginsel van hoor en wederhoor niet wordt geschaad.

De hoofdverblijfplaats

22.

Het hof acht zich, zoals hiervoor reeds aangegeven, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2]. Nader onderzoek acht het hof rechtens relevant noch noodzakelijk.

23.

De door de vrouw in het geding gebrachte en door de man weersproken second opinions van dr. G.D. van Staveren en dr. J.A. Pragt stelt het hof terzijde. Zij komen tot verstrekkende conclusies over de gezondheid van [kind 1] en [kind 2] en over de persoon en de opvoedingsvaardigheden van de man en de familie-dynamiek, terwijl zij de personen in kwestie en de Zwitserse hulpverleners nimmer hebben gezien of gesproken. Dat zij zich desondanks geroepen hebben gevoeld adviezen uit te brengen over een door de rechter te nemen beslissing over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen acht het hof uiterst onprofessioneel.

24.

Zoals de raad ter zitting van 19 maart 2012 heeft aangegeven kan er in zijn algemeenheid slechts aanleiding zijn om de gewone verblijfplaats van kinderen te wijzigen wanneer zwaarwegende belangen van de kinderen zich verzetten tegen een langer hoofdverblijf bij een ouder. Zolang niet vaststaat dat het niet goed gaat met de kinderen bij de ene ouder, is het derhalve niet in hun belang om de hoofdverblijfplaats bij de andere ouder te bepalen.

25.

Naar het oordeel van het hof is thans van doorslaggevend belang dat de bijna

14-jarige [kind 1] en 11-jarige [kind 2] duidelijkheid krijgen over de plek waar zij verder gaan opgroeien. Niet ter discussie staat dat de kinderen hebben geleden onder de onzekerheid over hun hoofdverblijfplaats. Uit de stukken van de KESB blijkt dat er bij de kinderen veel onrust bestaat over hun opvoedingssituatie. Dit heeft een ongunstig effect op de problematiek van [kind 1] en [kind 2] en de mogelijkheden om de ingezette hulpverlening in Zwitserland ten volle te benutten om de ontwikkeling van de kinderen veilig te stellen. [kind 1] en [kind 2] zijn beide kwetsbare kinderen. Met name bij [kind 1] is sprake van ernstige gedragsproblematiek. Daarom hebben juist zij, nog meer dan menig ander kind, belang bij rust, stabiliteit en structuur. Na een uiterst moeilijke periode waarin veel is gebeurd, hebben [kind 1] en [kind 2] ieder voor zich en in gezamenlijkheid met de man, diens partner en de hulpverlening in Zwitserland nu een opgaande lijn te pakken. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen om deze positieve ontwikkeling te doorkruisen met een verhuizing naar Nederland.

26.

De continuïteit in de behandeling van [kind 1] en [kind 2] staat naar het oordeel van het hof thans voorop. De behandelmethoden mogen in Zwitserland dan anders zijn dan in Nederland, maar dat wil niet zeggen dat deze van mindere kwaliteit zijn. Bovendien is het hulpverleningstraject in Zwitserland nu eenmaal ingezet en lijkt dit zijn vruchten af te werpen gelet op de positieve ontwikkelingen die de kinderen doormaken.

27.

Zowel de gezinsvoogd in Zwitserland als de behandelaars van de kinderen geven in hun verslagen aan dat [kind 1] en [kind 2] bij de man willen blijven wonen. De stelling van de vrouw dat de man de kinderen die wens inprent, kan het hof niet toetsen. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat de kinderen haar niet willen zien, is veroorzaakt door de man. Niet gebleken is dat het contact tussen de kinderen en de vrouw is gestopt door toedoen van de man. Uit de stukken blijkt dat de man over het algemeen zijn medewerking heeft verleend aan contact tussen de vrouw en de kinderen. Ook ter zitting heeft de man onverminderd de bereidheid getoond de vrouw een rol in het leven van de kinderen te bieden. Dat de kinderen geen contact met de vrouw willen lijkt echt uit hunzelf te komen. Aldus acht het hof de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] het meest geëigend bij de man.

De zorgregeling

28.

De man heeft het hof bij brief van 5 juli 2013 (subsidiair) verzocht te bepalen dat een zorgregeling tussen de kinderen en de vrouw via een verzoek aan de Centrale Autoriteiten bij de KESB dient te geschieden. De man heeft daarbij aangegeven dat de door hem eerder gedane verzoeken ten aanzien van de zorgregeling als ingetrokken beschouwd kunnen worden.

29.

Het contactverbod tussen de vrouw en de kinderen is op 17 december 2012 opgeheven door de KESB. Vanaf dat moment kon het contact tussen de vrouw en de kinderen onder regie van de gezinsvoogd en in overleg met de behandelaars van [kind 1] en [kind 2] stap voor stap weer worden opgebouwd. Verder dan een ontmoeting tussen de vrouw en [kind 2] op 1 december 2012 en op 10 oktober 2013 tussen de vrouw en [kind 1] en [kind 2] is het echter nog niet gekomen.

30.

Gelet op het feit dat in Zwitserland een maatregel van opvoedingsondersteuning van kracht is, is de KESB bevoegd beslissingen te nemen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het contact tussen de vrouw en de kinderen. Het hof acht het, gelet op de ernst van de problematiek bij de kinderen zoals tot uiting gekomen rond de bezoekregeling, in het belang van de kinderen dat de regie over deze contacten bij de KESB ligt zodat de hulpverlening aan de kinderen niet wordt doorkruist. Daarom zal het hof het verzoek van de vrouw over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken afwijzen.

Het hof gaat er wel van uit dat in het kader van de kinderbeschermings-maatregelen in Zwitserland serieus gezocht wordt naar een opening voor hernieuwd contact met de vrouw, meer dan thans het geval is. Voor een gezonde verdere identiteitsontwikkeling van [kind 1] en [kind 2], die beide in de vroege puberteit zitten, acht het hof contact op regelmatige basis met de vrouw van groot belang. Alleen op die manier kunnen zij uit hun loyaliteitsconflict geraken.

De gezinsvoogd heeft in haar verslag van 4 april 2013 ook aangegeven open te staan voor meer contact tussen de vrouw en de kinderen. [kind 1] en [kind 2] reageren zelf echter nog steeds met grote afweer op de vrouw, aldus de gezinsvoogd. Het hof spreekt bij deze de hoop en de verwachting uit dat, als de vrouw de onderhavige beslissing over de hoofdverblijfplaats accepteert en respecteert, er bij [kind 1] en [kind 2] meer ruimte komt voor contactherstel.

Vooralsnog lijkt met name de onduidelijkheid en de onzekerheid over hun hoofdverblijfplaats de opbouw van normaal contact met de vrouw te verhinderen.

31.

Het hof acht het op deze plaats nog gepast het volgende op te merken. De in het beginstadium van de hulpverlening door Bureau Jeugdzorg geuite zorgen en signalen, dat de vrouw psychiatrische problemen zou hebben en de kinderen zou mishandelen, lijken gedurende de vorming van het dossier hun eigen leven te zijn gaan leiden. Uiteindelijk zijn de vermeende psychiatrische problematiek van de vrouw en haar vermoedelijke mishandeling van de kinderen door de Zwitserse autoriteiten als feiten aangenomen. Dat acht het hof niet terecht. Uit de stukken ontstaat weliswaar het beeld dat de vrouw op bepaalde momenten in haar leven kwetsbaar is geweest, maar nergens is gebleken dat zij door een deskundige gediagnosticeerd is met een psychiatrisch ziektebeeld. Naar aanleiding van een klacht van de vrouw heeft Bureau Jeugdzorg de raad bij schrijven van 3 april 2012 ook een rectificatie gestuurd in die zin dat de formulering van het diagnostisch beeld: "Beide ouders zijn bekend met psychiatrische problematiek" is gewijzigd in: "Vader is bekend met psychiatrische problematiek", omdat vast is komen te staan dat Bureau Jeugdzorg in haar melding aan de raad melding heeft gemaakt van een vermeende psychische gesteldheid van de vrouw die niet op feiten is gebaseerd. Uit de stukken komt voorts afdoende naar voren dat niet zozeer de vrouw, maar haar ex-partner (de vader van [B]) de agressor was binnen het gezin. Wat deze beide componenten betreft zijn het hof dan ook geen contra-indicaties gebleken voor contact tussen de vrouw en de kinderen.

De kosten van de zorgregeling

32.

De vrouw heeft verzocht ingeval de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bepaald aan haar een tegemoetkoming in de reis- en verblijfskosten in verband met de uitvoering van de zorgregeling toe te kennen van € 450,- per maand.

33.

Bij tussenbeschikking van 1 mei 2012 heeft het hof dit verzoek van de vrouw toegewezen. Het hof heeft daarbij nadrukkelijk opgemerkt dat dit een voorlopige regeling betreft en dat een definitieve beslissing omtrent deze bijdrage zal worden genomen gelijktijdig met de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling.

Als gesteld en niet weersproken staat vast dat de man deze bijdrage tot en met oktober 2012 aan de vrouw heeft voldaan.

De voorlopig door het hof vastgestelde zorgregeling gold tot uiterlijk 1 januari 2013.

34.

De man heeft het hof bij brief van 28 november 2013 verzocht te bepalen dat zijn bijdrage aan de reis- en verblijfskosten van de vrouw naar en in Zwitserland op nihil wordt gesteld.

35.

De vrouw heeft haar verzoek ter zitting van 9 december 2013 voor wat betreft de reis- en verblijfskosten naar respectievelijk in Zwitserland gehandhaafd.

36.

Aangezien al geruime tijd niet of nauwelijks contact plaatsvindt tussen de vrouw en de kinderen, ziet het hof in het gehandhaafde verzoek van de vrouw een vermeerdering van haar oorspronkelijke verzoek in die zin dat zij thans verzoekt te bepalen dat de man in zijn algemeenheid een bijdrage in haar reiskosten naar en verblijfskosten in Zwitserland dient te leveren, ook indien het bezoek van de vrouw aan Zwitserland losstaat van de uitvoering van de zorgregeling.

37.

Zoals bij tussenbeschikking van 1 mei 2012 is overwogen, is het een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen om de zorgregeling in de onderhavige situatie, waarin deze vanwege de grote afstand hoge kosten meebrengt, toch mogelijk te maken. Gelet daarop is het redelijk dat de man een aandeel van de reis- en verblijfkosten van de vrouw die zij in verband met de zorgregeling dient te maken voor zijn rekening neemt. Nu echter al 1,5 jaar feitelijk geen sprake is van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen, acht het hof het niet redelijk de man te verplichten uit hoofde van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken maandelijks een financiële bijdrage aan de vrouw te betalen. De bezoeken die de vrouw aan Zwitserland brengt buiten de contactmomenten met [kind 1] en [kind 2] om, bijvoorbeeld om de artsen en hulpverleners van de kinderen te bezoeken zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, vallen naar het oordeel van het hof niet onder de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid van partijen, zodat de vrouw de aan dergelijke bezoeken verbonden kosten niet (deels) kan afwentelen op de man. De stelling van de vrouw dat zij tientallen malen vergeefs naar Zwitserland is afgereisd met alle kosten van dien is in het licht van de betwisting van de man niet aannemelijk geworden.

Het hof zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen. Het hof geeft partijen wel in overweging om, afhankelijk van hetgeen zal worden beslist omtrent de hervatting van de contactmomenten, in gezamenlijk overleg een regeling te treffen met betrekking tot de reiskosten van de vrouw naar Zwitserland.

De kennelijke (schrijf)fout

38.

Ter zitting van 9 december 2013 heeft de vrouw verzocht om een herstelbeschikking ten aanzien van de alimentatie zoals vastgesteld bij tussenbeschikking van 1 mei 2012. De vrouw gaat er vanuit dat sprake is van een kennelijke verschrijving/fout ex artikel 31 Rv.

39.

Anders dan de man stelt, bestaat geen termijn waarbinnen verbetering moet worden verzocht. De mogelijkheid tot verbetering in de zin van artikel 31 Rv bestaat 'te allen tijde'.

40.

Het hof is van oordeel dat de vrouw terecht heeft geconstateerd dat in de beschikking van 1 mei 2012 sprake is van een kennelijke omissie. In de overwegingen van die beschikking is opgenomen dat de vrouw een netto behoefte heeft van € 586,- per maand, wat een bruto behoefte is van € 883,- per maand, terwijl in het dictum een bedrag van € 843,- is opgenomen. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een kennelijke (schrijf)fout die zich eenvoudig voor herstel leent. Op voet van artikel 31 lid 1 Rv zal het hof de beschikking van

1 mei 2012 voor wat betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud bij afzonderlijke herstelbeschikking verbeteren.

Slotsom

41.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] betreft;

wijst af de door de vrouw verzochte zorgregeling en reis- en verblijfskosten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.A. Vermeulen en D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 januari 2014 in het bijzijn van de griffier.