Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7983

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
200.140.766-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling, kinder-en partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.766/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/07/199789/ FL RK 12-1269)

beschikking van de familiekamer van 16 oktober 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.H.M. Leyten, kantoorhoudend te Dronten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Flantua, kantoorhoudend te Lelystad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 januari 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 7 maart 2014;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 22 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Leyten van 13 februari 2014 met bijlagen, ingekomen op

17 februari 2014;

- een journaalbericht van mr. Leyten van 4 maart 2014 met bijlage, ingekomen op 5 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. Flantua van 16 juni 2014 met bijlagen, ingekomen op 17 juni 2014;

- een journaalbericht van mr. Leyten van 26 juni 2014 met bijlagen, ingekomen op 26 juni 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2014 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren [in] 2004, en [minderjarige 2], geboren [in] 2007, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij verzoekschrift van 29 juni 2012 heeft de vrouw de rechtbank o.a. verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, te bepalen dat de man € 614,- bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en € 184,- bruto per maand in de kosten van haar levensonderhoud, alsmede een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen.

De man heeft zich hiertegen verweerd en voor wat betreft de zorgregeling - zo begrijpt het hof - een zelfstandig verzoek gedaan.

3.4

Bij beschikking voorlopige voorziening van 11 juli 2012 is met ingang van 1 juli 2012 een zorgregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld en is bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2012 € 307,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en € 184,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.5

Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, door de vrouw ondertekend op

25 februari 2013 en door de man op 28 februari 2013, waarin zij in artikel 3.1 een zorgregeling hebben opgenomen.

3.6

Bij verzoekschrift van 31 mei 2013 heeft de man zijn verzoek voor wat betreft de zorgregeling gewijzigd ex artikel 283 Rv.

3.7

Bij vonnis van 18 december 2013 is - kort gezegd - bepaald dat de voormalig echtelijke woning van partijen aan de man toegedeeld kan worden voor € 311.750,-, en voor dat geval gelast dat de man de helft van de overwaarde van deze woning aan de vrouw dient te betalen. Tevens is de man veroordeeld om aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van € 26.939,34 te betalen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de zorgregeling tussen de man en de kinderen, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een zorgregeling - grotendeels - gelijk aan die opgenomen in het ouderschaps-plan vastgesteld, de kinderalimentatie met ingang van 17 oktober 2013 bepaald op € 147,50 per kind per maand en het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

17 oktober 2013. Grief 1 ziet op de zorgregeling, grief 2 op de kinderalimentatie en grief 3 op de partneralimentatie. De vrouw heeft tevens haar verzoek voor wat betreft de zorgregeling gewijzigd en haar verzoek voor wat betreft de partneralimentatie vermeerderd tot € 562,- per maand.

4.3

De man is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de zorgregeling, grief 2 op de kinderalimentatie en grief 3 op de partneralimentatie.

4.4

De vrouw heeft haar verzoek voor wat betreft de partneralimentatie in haar verweerschrift op het incidenteel appel van de man wederom vermeerderd tot € 1.226,99 per maand.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De zorgregeling

5.1

Ter zitting is gebleken dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling. Zij zijn het erover eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven. Partijen hebben het hof verzocht deze zorgregeling vast te leggen in de beschikking. Gelet op de bereikte overeenstemming zal de behandeling van grief 1 van de vrouw in principaal hoger beroep en van grief 1 van de man in incidenteel hoger beroep achterwege worden gelaten, nu het belang daaraan is komen te ontvallen.

De kinderalimentatie

* de periode van 17 oktober 2013 tot 1 juli 2014

5.2

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie tot 1 juli 2014 in stand kan blijven. Dit betekent dat de man over de periode van 17 oktober 2013 tot 1 juli 2014 € 147,50 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

* de behoefte van de kinderen

5.3

Tussen partijen is in geschil de hoogte van hun netto gezinsinkomen aan het einde van hun samenzijn (2012) naar aanleiding waarvan de behoefte van de kinderen dient te worden bepaald. De man vermoedt dat het inkomen van de vrouw destijds lager was dan € 700,- netto per maand waarvan de rechtbank is uitgegaan en de man zelf eerder ook.

5.4

Ter onderbouwing van zijn vermoeden heeft de man bij journaalbericht van 16 juni 2014 een uitdraai van de - voor zover hier van belang - zakelijke rekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer] overgelegd. Daaruit volgt volgens de man dat de vrouw in de periode van juli 2012 tot en met maart 2013 in totaal € 3.830,90 aan privé-onttrekkingen heeft gedaan, zijnde € 425,66 per maand. Met dit bedrag dient volgens hem rekening te worden gehouden. Ter zitting heeft de man nog aangevoerd dat hij via zijn boekhouder, die tevens de boekhouder van de vrouw is, heeft vernomen dat de netto privé-onttrekkingen van de vrouw in 2012 slechts € 3.500,- bedroegen.

5.5

Het hof acht de door de man overgelegde uitdraai niet redengevend voor zijn stelling, omdat maar vier van de daarop staande opnames van de rekening met nummer [rekeningnummer] betrekking hebben op het jaar 2012. De overige transacties stammen uit 2013 of betreffen een ander rekeningnummer ([rekeningnummer]).

Ook de blote stelling van de man dat zijn accountant wetenschap heeft van het feit dat in de jaarstukken 2012 van het bedrijf van de vrouw een bedrag van € 3.500,- aan netto privé-onttrekkingen is opgenomen kan hem niet baten. Het hof heeft immers de beschikking over de fiscale rapporten 2009, 2010, 2011 en 2012 (t/m 3e kwartaal) van [bedrijf]. Het uit die stukken af te leiden jaarlijkse saldo van de privé-onttrekkingen en

-stortingen in combinatie met het betreffende bedrijfsresultaat geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen minder dan € 700,- netto per maand aan haar onderneming onttrok ten faveure van het gezin. Bovendien waren partijen het zowel in eerste aanleg als tijdens de voorlopige voorziening op meerdere momenten duidelijk eens over hun netto gezinsinkomen en het daarvan deel uitmakende inkomen van de vrouw in de vorm van privé-onttrekkingen uit haar eigen onderneming. Naar het oordeel van het hof zullen partijen kort na hun feitelijk uiteengaan nog een beter beeld hebben gehad van hun besteedbare inkomen destijds dan naarmate de tijd meer is verstreken. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man zijn stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt aan die stelling voorbij gegaan.

5.6

[minderjarige 1] verblijft sinds 6 januari 2014 wekelijks van maandagochtend tot vrijdagmiddag op een zorgboerderij te [plaats]. Anders dan de man ziet het hof in deze omstandigheid geen aanleiding om voor wat betreft de behoefte van [minderjarige 1] af te wijken van de gangbare tabellen. De vrouw ontvangt een PGB ten behoeve van [minderjarige 1]. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de vervoerskosten die de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] maakt vanaf juni 2014 niet meer vergoed kunnen worden vanuit het PGB. Tegenover het feit dat de vrouw doordeweeks geen verblijfskosten heeft voor [minderjarige 1], staat dat zij elke week ongeveer 120 kilometer moet rijden om hem te halen en te brengen. De daarmee gepaard gaande reiskosten en de door de man gestelde lagere verblijfskosten kunnen in alle redelijkheid vanaf juni 2014 tegen elkaar worden weggestreept.

Uit rechtsoverweging 5.2 vloeit voort dat het hof geen beslissing meer hoeft te nemen over de behoefte van [minderjarige 1] over de periode tot 1 juli 2014.

5.7

Anderszins hebben partijen geen grief gericht tegen de door de rechtbank op € 555,- per maand gestelde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zodat het hof daarvan zal uitgaan, zijnde € 277,50 per kind in 2013, en na indexering € 560,- per maand vanaf 1 januari 2014, zijnde € 280,- per kind.

* de draagkracht van de vrouw

5.8

De vrouw is sinds 23 oktober 2012 volledig arbeidsongeschikt. Zij ontvangt sindsdien een arbeidsongeschiktheidsuitkering van De Amersfoortse. Blijkens de jaaropgave 2013 bedroeg deze uitkering in dat jaar € 10.220,-. Rekening houdend met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen leidt dit tot een NBI van € 851,- per maand (tarieven 2014-2).

5.9

De man heeft aangevoerd dat de vrouw buiten haar arbeidsongeschiktheidsuitkering om nog steeds activiteiten ontplooit in haar eenmanszaak en dat zij daarmee extra (zwarte) inkomsten genereert. In dat verband heeft de man verwezen naar voormelde bij journaalbericht van 16 juni 2014 overgelegde bankuitdraai. De vrouw heeft de herkomst van de vier stortingen waar de man op doelt (jaar 2013, rekeningnummer [rekeningnummer]) ter zitting echter stuk voor stuk toegelicht. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

5.10

Aldus is niet aannemelijk geworden dat de vrouw over een hoger NBI beschikt dan genoemde € 851,- per maand. Daarom zal het hof net als de rechtbank voor wat betreft de vrouw uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per kind per maand.

* de draagkracht van de man

5.11

Uit de jaaropgaven 2011, 2012 en 2013 volgt een brutoloon van € 46.765,-, € 45.536,- respectievelijk € 39.214,-. De daling van het bruto inkomen is o.a. gelegen in het vervallen van de bijtelling van de auto van de zaak per medio 2012. Sindsdien rijdt de man in een zogeheten groene auto waarvoor geen bijtelling geldt. De jaaropgave 2011 vermeldt nog een bijtelling van € 5.649,-, de jaaropgave 2012 van € 3.927,- en in de jaaropgave van 2013 is in het geheel geen bijtelling meer opgenomen.

5.12

Anders dan de vrouw, ziet het hof geen aanleiding om het inkomen van de man te verhogen met een component vanwege de groene auto die hij van zijn werkgever krijgt.

Ingeval de man niet in een "groene" lease-auto zou rijden en zodoende nog wel een fiscale bijtelling zou hebben gehad, zou daarmee conform de Tremanormen immers ook geen rekening zijn gehouden bij de berekening van (kinder)alimentatie. De gedachte hierachter is dat een dergelijke bijtelling het gevolg is van een keuze van de werknemer en samenhangt met privégebruik. Dit betekent dat in een voorkomend geval van het aan de jaaropgave ontleende inkomen de bijtelling - verminderd met de eventuele eigen bijdrage - voor het privégebruik van de zakelijke auto dient te worden afgetrokken. Die ingreep in de fiscale berekening laat het gratis genot dat de alimentatieplichtige van een lease-auto van de zaak heeft onverlet en dat genot blijft buiten beschouwing voor de berekening van diens draagkracht. Het hof ziet geen reden om daarover ingeval van een "groene" lease-auto anders te oordelen.

5.13

Gelet op de ingangsdatum gaat het hof uit van de jaaropgave 2013. Daaruit volgt een brutoloon van € 39.214,-, hetgeen de man een netto besteedbaar inkomen (NBI) van

€ 2.306,- per maand oplevert (tarieven 2014-2). Hiervan uitgaande bedraagt de draagkracht van de man volgens de op hem toepasselijke formule (draagkrachttabel 2014) van 70% x

[€ 2.306,- - (0,3 x € 2.306,- + € 860,-)] afgerond € 528,- per maand. Voor zover de man aanspraak kan maken op fiscaal voordeel kan hier voor twee kinderen in 2014 een bedrag van € 70,- per maand bij worden opgeteld, zijnde in totaal € 598,- per maand.

5.14

Als de gezamenlijke draagkracht van de ouders hoger is dan de behoefte van de kinderen wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 578,- zonder rekening te houden met het fiscaal voordeel en € 648,- inclusief fiscaal voordeel, in beide gevallen dus meer dan de gezamenlijke behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 560,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan als volgt berekend worden:

- de vrouw: € 50,-/€ 578,- x € 560,- = € 48,- per maand (exclusief fiscaal voordeel);

- de vrouw: € 50,-/€ 648,- x € 560,- = € 43,- per maand (inclusief fiscaal voordeel);

- de man: € 528,-/€ 578,- x € 560,- = € 512,- per maand (exclusief fiscaal voordeel);

- de man: € 598,-/€ 648,- x € 560,- = € 517,- per maand (inclusief fiscaal voordeel).

Uitgaande van een zorgregeling zoals hiervoor onder 5.1 omschreven dient een zorgkorting van 25% (tussen de één en twee dagen per week) te worden toegepast. Bij een behoefte van € 560,- is dat € 140,- per maand. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, te weten € 512,- minus € 140,- = € 372,-, zijnde € 186,- per kind per maand exclusief fiscaal voordeel en € 517,- minus € 140,- =

€ 377,-, zijnde € 188,50 per kind per maand inclusief fiscaal voordeel.

De partneralimentatie

* de behoefte van de vrouw

5.15

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het toepassen van de zogeheten 60%-regel voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw.

5.16

Zoals hiervoor onder 5.5 overwogen heeft het hof geen aanleiding gezien om het netto gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend op een ander bedrag te stellen dan de rechtbank heeft gedaan, te weten € 2.911,- per maand. Vermeerderd met het kindgebonden budget van € 319,- per jaar en verminderd met de kosten van de kinderen van € 684,- per maand resteerde van dit bedrag destijds € 2.254,- per maand voor beide partijen samen. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% van dit bedrag, ofwel € 1.352,- netto per maand. De vrouw ontving in de eerste maanden van 2014 een AOV-uitkering tussen de € 457,- en € 507,- per maand zodat zij behoefte heeft aan partneralimentatie.

* de behoeftigheid

5.17

Gelet op het hiervoor onder 5.8 tot en met 5.10 overwogene staat vast dat de vrouw niet met eigen inkomsten geheel in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien en aldus behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man.

5.18

De man doet een beroep op de verdiencapaciteit van de vrouw, omdat haar arbeidsongeschiktheid niet voor de rest van haar leven zal zijn. Uit een rapport van 14 maart 2013 van [A], arbeidsdeskundige, komt naar voren dat via een MRI bij de vrouw slijtage en vernauwing van de wervelkolom is geconstateerd waardoor er sprake is van een zenuwbeknelling die aan haar linkerzijde pijnlijke nek-, schouder-, arm- en handklachten veroorzaakt. Uit een mail van 2 december 2013 van deze arbeidsdeskundige komt naar voren dat de vrouw naast het feit dat zij vanwege nek-, schouder- en armklachten al volledig arbeidsongeschikt is voor haar verzekerde beroep als kapster, zij sinds kort ook overspannen is geraakt als gevolg van haar privésituatie.

5.19

De vrouw is op of omstreeks 20 maart 2014 geopereerd in de Sint Maartenskliniek, zijnde een gespecialiseerd ziekenhuis voor orthopedie, reumatologie en revalidatie-geneeskunde. Blijkens een brief van 1 april 2014 van De Amersfoortse was de vrouw op dat moment nog steeds volledig arbeidsongeschikt.

Ten tijde van de zitting van het hof droeg de vrouw een nekkraag, mocht zij enkel lopen en niet fietsen of autorijden. Een week na de zitting stond een controle in het ziekenhuis gepland.

5.20

Op grond van het vorenstaande ziet het hof in redelijkheid geen mogelijkheid voor de vrouw om op korte termijn via inkomen uit arbeid (deels) in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. Dat dit op enig moment anders zou kunnen zijn, is een toekomstige omstandigheid waarmee thans vanwege het onzekere karakter daarvan geen rekening wordt gehouden.

5.21

De stelling van de man dat de vrouw dient in te teren op haar vermogen om in haar behoefte te kunnen voorzien kan hem evenmin baten. Uit na te melden draagkracht-berekeningen van de man volgt immers dat hij bij lange na niet in staat is de resterende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te dekken. Dit betekent dat de vrouw haar vermogen (voorzover aanwezig) sowieso zal moeten aanspreken om in de aanvullende kosten van haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Een en ander bevrijdt de man dan ook niet van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

* de draagkracht van de man

5.22

Voor zover deze niet is weersproken en voor zover hierna niet anders wordt beslist zal het hof de door de man overgelegde berekening van 3 januari 2013 als uitgangspunt nemen ter vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

5.23

Gelet op rechtsoverweging 5.11 zal voor wat betreft het inkomen aansluiting worden gezocht bij de jaaropgave 2013. Om de in rechtsoverweging 5.12 genoemde reden zal dit inkomen niet worden verhoogd met een component vanwege de groene auto die de man van zijn werkgever krijgt.

Voorts acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat het vermogen van de man, mede door hoge advocaatkosten, niet meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen. Daarom wordt geen rekening gehouden met de door de vrouw in het kader van de partneralimentatie gestelde fictieve rente-inkomsten uit vermogen.

5.24

Voor wat betreft de woonlasten is het volgende van belang. Partijen hadden een hypothecaire lening van € 158.823,- op hun voormalige echtelijke woning. Niet ter discussie staat dat de daaraan gekoppelde rente € 648,53 per maand bedroeg. Op 23 mei 2014 is de voormalige echtelijke woning van partijen aan de man toegedeeld onder uitkoop van de vrouw voor een bedrag van € 74.327,22. De man heeft op 23 mei 2014 een nieuwe hypothecaire lening afgesloten van in totaal € 195.300,-, bestaande uit € 79.412,- (aflossingsvrij), € 79.412,- (annuïteiten) en € 36.476,- (annuïteiten). De hypotheekrente bedraagt per 23 mei 2014 € 829,52 per maand. De extra annuïteitenhypotheek van

€ 36.476,- heeft de man gebruikt ter financiering van de overbedeling van de vrouw. Het restant van de overbedeling stelt de man te hebben voldaan uit een tweetal spaarrekeningen van € 23.775,77 respectievelijk € 799,08 en uit een extra krediet van € 20.000,-. Voor laatstgenoemd krediet dient de man een maandbedrag van € 300,- te betalen. Tussen partijen is in geschil of dit bedrag ten laste mag komen van de draagkracht van de man.

5.25

Het enkele feit dat de vrouw als gevolg van het in aanmerking nemen van de uit de verhoogde hypothecaire lening voortvloeiende extra woonlasten van de man, in feite de wegens overbedeling verschuldigde vergoeding gedeeltelijk zelf draagt, is niet een toereikende grond om die lasten buiten beschouwing te laten.

Wel kan er voor dit laatste aanleiding zijn wanneer die tweede lening het totaal van de woonlasten van de man op een niveau brengt dat, gezien de omstandigheden van het geval, onredelijk hoog moet worden geacht.

5.26

De totale (woon)lasten van de man bedragen per 23 mei 2014 (€ 829,52 + € 300,- = )

€ 1.129,52 per maand. Gelet op het onder 5.13 op € 2.306,- per maand berekende NBI van de man gaat dit de grens van een redelijke woonlast in zijn geval fors te boven.

Bij vonnis van 18 december 2013 is aan de man een totaal van € 61.956,52 aan banktegoeden en beleggingen toegedeeld. Na aftrek van het door hem op basis van genoemd vonnis aan de vrouw ter zake overbedeling verschuldigde bedrag van € 26.939,34 zou hem hiervan op dat moment feitelijk nog € 35.017,18 ter beschikking hebben moeten staan.

Als gesteld en niet weersproken staat voorts vast dat de ASR Levensverzekering in januari 2013 tussen partijen bij helfte is verdeeld en dat zowel de man als de vrouw hier een bedrag van ongeveer € 25.000,- uit heeft ontvangen. Aldus stond de man een bedrag van in totaal

ongeveer € 60.000,- ter beschikking. Daarvan heeft hij (€ 23.775,77 + € 799,08 = )

€ 24.574,85 gebruikt om de vrouw uit te kopen. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man niet aannemelijk gemaakt wat hij met het restant van € 35.000,- heeft gedaan en waarom hij dit niet heeft aangewend om de resterende uitkoopsom van

(€ 74.327,22 minus € 36.476,- minus € 24.574,85 = ) € 13.276,37 aan de vrouw te betalen in plaats van daarvoor een nieuw krediet af te sluiten. De enkele stelling van de man dat hij anders helemaal geen reserve meer zou hebben gehad, acht het hof hiervoor onvoldoende. De keuze van de man om nog enige financiële armslag te houden mag niet ten nadele strekken van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Het hof ziet hierin aanleiding om de opgevoerde last van € 300,- per maand buiten beschouwing te laten. Zodoende wordt over de periode van 24 januari 2014 tot 23 mei 2014 rekening gehouden met een hypotheekrente van € 648,53 per maand en vanaf 23 mei 2014 met € 829,52 per maand.

5.27

Uit een polisblad van de Friesland Zorgverzekeraar blijkt dat de man in 2014 een premie van € 119,87 per maand verschuldigd is. Via de specificaties Eigen Risico 2012 en 2013 heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt.

5.28

Het aandeel in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat voor rekening van de man komt (vóór toepassing van de zorgkorting) wordt als last in het draagkrachtloos inkomen van de man in aanmerking genomen.

5.29

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 24 januari 2014 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 193,- per maand en met ingang van 23 mei 2014 € 84,- per maand. Vanaf het moment dat de fiscale aftrek voor kinderalimentatie wordt afgeschaft (naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2015) heeft de man onvoldoende draagkracht om enige bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

* jusvergelijking

5.30

Globale vergelijking van ieders draagkracht leert het hof dat de vrouw met een alimentatie van € 193,- respectievelijk € 84,- per maand bij lange na niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen, behoudens voor zover het de kinderalimentatie over de periode van 17 oktober 2013 tot 1 juli 2014 betreft en opnieuw beslissen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een drietal berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2013, voor zover het de zorgregeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2013, voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft over de periode van

17 oktober 2013 tot 1 juli 2014;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 oktober 2013, voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft met ingang van 1 juli 2014 en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 188,50 (inclusief fiscaal voordeel) of € 186,- per kind per maand (exclusief fiscaal voordeel) zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 januari 2014 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 193,- per maand, met ingang van 23 mei 2014 € 84,- per maand en na de afschaffing van het fiscaal voordeel op betaalde kinderalimentatie (naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2015) niets meer zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en

D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 oktober 2014 in het bijzijn van de griffier.