Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7950

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
200.139.840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Draagkracht conform de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Geslaagd beroep op aanvaardbaarheidstoets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.840

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 341710)

beschikking van de familiekamer van 16 oktober 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Huisman te Amersfoort,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 7 januari 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 27 februari 2014;

- een journaalbericht van mr. M. Huisman van 25 april 2014 met bijlagen, ingekomen op

28 april 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2014 plaatsgevonden. Namens partijen zijn hun advocaten verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] (verder: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2009, en

- [kind 2] (verder: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2010,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De man heeft de kinderen erkend.

De vrouw heeft tevens een zoon uit een eerdere relatie, [kind 3].

3.2

De man, geboren op [geboortedatum] 1976, vormt sinds april 2013 met de kinderen van partijen een gezin.

3.3

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1983, is alleenstaand. Zij ontvangt blijkens de betaalspecificatie van 12 januari 2014 een WAO-uitkering van € 653,60 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag (zoals blijkt uit de betaalspecificatie van mei 2013), derhalve € 686,28 netto. Voorts ontvangt de vrouw volgens de uitkeringsspecificatie van

24 oktober 2013 een Wwb-uitkering van € 197,87 netto per maand. Daarnaast ontvangt de vrouw kindgebonden budget van € 25,- per maand, zorgtoeslag van € 89,- per maand, huurtoeslag van € 219,- per maand en kinderbijslag van € 77,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer de bijdrage van de vrouw met ingang van 1 april 2013 bepaald op € 25,- per kind per maand.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

9 oktober 2013. Grief I is gericht tegen de verwerping van het beroep van de vrouw op de aanvaardbaarheidstoets. Grief II ziet op de ingangsdatum. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil te stellen en subsidiair op een lager bedrag dan € 25,- per kind per maand met ingang van een latere datum dan 1 april 2013.

5 De motivering van de beslissing

hoogte behoefte kinderen

5.1

De hoogte van de behoefte van de kinderen van € 225,- per kind per maand staat niet ter discussie.

draagkracht van de vrouw

5.2

De vrouw stelt dat haar draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te betalen. De vrouw stelt dat zij meer dan € 90,- per maand aan kosten voor de kinderen (inclusief [kind 3]) besteedt. Zij heeft daarnaast veel schulden. Zij stelt dat haar lasten meer dan 10% van de bijstandsnorm bedragen, waardoor zij voor haar eigen levensonderhoud minder dan 90% van de bijstandsnorm overhoudt, hetgeen onaanvaardbaar is.

5.3

De man voert daartegen aan dat de vrouw geen reiskosten maakt voor de omgang met de kinderen, nu de moeder van de vrouw de kinderen voor de omgang ophaalt bij de man en de man de kinderen weer bij de vrouw ophaalt. Voor de vakanties is er nog geen omgangsregeling met de moeder vastgesteld. Volgens de geldende normen van het Rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna te noemen: het Rapport) dient de vrouw een minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand te leveren, aldus de man.

5.4

Het hof overweegt als volgt. De inkomsten uit hoofde van de WAO- en Wwb-uitkering bedragen in totaal € 884,15 netto per maand. Het hof begroot -daarbij aansluiting zoekend bij de aanbevelingen van het Rapport Alimentatienormen- de draagkracht van de vrouw op basis van deze inkomsten op een bedrag van € 50,- per maand voor de kinderen van de vrouw samen. Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat sprake is van een tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat de vrouw in beginsel met dit bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient bij te dragen.

5.5

De vrouw doet echter een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Zij stelt dat het betalen van enig bedrag aan kinderalimentatie tot een onaanvaardbare situatie leidt, gelet op haar inkomsten, haar lasten en haar slechte financiële situatie.

Het hof overweegt dat van een onaanvaardbare situatie sprake kan zijn indien de vrouw bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van haar bestaan kan voorzien of van haar inkomen, na vermindering van de lasten, minder dan 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm overhoudt.

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dit specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden en de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling.

Bij een beroep op de onaanvaardbaarheid wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk -door middel van een overzicht van zijn inkomen en uitgaven met onderliggende stukken- inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven.

5.6

Het hof overweegt als volgt. De bijstandsnorm voor een alleenstaande bedroeg in juli 2013 € 925,- per maand. In die bijstandsnorm is reeds een component voor woonlasten en premie ziektekostenverzekering verdisconteerd van respectievelijk € 219,- en € 35,- in 2013. Na vermindering van de bijstandsnorm met genoemde bedragen resteert een bedrag van

€ 671,-, 90% daarvan bedraagt € 603,90.

Op basis van de door de vrouw overgelegde begroting van de beschermingsbewindvoerder en de daarbij gevoegde bijlagen, beschikt de vrouw over een totaal aan netto inkomsten van € 1.294,15 (€ 25,- kindgebonden budget, € 89,- zorgtoeslag, € 219,- huurtoeslag, € 77,- kinderbijslag, € 197,87 Wwb en € 686,28 WAO).

Nadat op de inkomsten van de vrouw de noodzakelijke, niet te vermijden lasten zoals ziektekosten (€ 119,30) en huur (€ 600,23) in mindering zijn gebracht resteert een bedrag van € 574,62.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vrouw geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen, omdat zij bij een vaststelling van een bijdrage van haar inkomen, na vermindering van de lasten, minder overhoudt dan 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Grief I slaagt.

5.7

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en zal het primaire verzoek van de vrouw om de door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] op nihil te stellen, worden toegewezen. Grief II behoeft, nu het een eerste vaststelling betreft, gezien het voorgaande geen bespreking meer.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

9 oktober 2013 en opnieuw beschikkende:

stelt de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, P.M.M. Mostermans en

K.J. Haarhuis en is op 16 oktober 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.