Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7904

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
200.137.725
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Draagkracht conform de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Verdeling over drie kinderen, Prioriteit aanspraken van twee jongsten boven de aanspraak van oudste vanaf het moment dat de laatste 21 jaar is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.725

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 238725)

beschikking van de familiekamer van 14 oktober 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Th. de Werdt te IJsselstein,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 9 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 26 november 2013;

- het verweerschrift van de man, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingekomen op

7 februari 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 18 april 2014;

- een journaalbericht van mr. De Werdt van 8 juli 2014 met bijlagen, waaronder een

aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 9 juli 2014;

- een journaalbericht van mr. Van Reeven-Özer van 8 juli 2014 met bijlagen, ingekomen op

9 juli 2014.

2.2

De na de noemen minderjarige [kind 4] heeft bij brief van 15 mei 2014 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 22 juli 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. S. van Reeven-Özer en een journaalbericht van mr. De Werdt, beide van 18 augustus 2014 en beide ingekomen op 19 augustus 2014, inhoudende dat partijen na de mondelinge behandeling niet tot overeenstemming zijn gekomen en dat het hof wordt verzocht een beschikking te geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 3 februari 2014 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1991 (hierna: [kind 1]),

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1993 (hierna: [kind 2]),

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1995 (hierna: [kind 3]), en

- [kind 4], geboren op [geboortedatum] 1997 (hierna: [kind 4]).

Over [kind 4] oefenen zij gezamenlijk het gezag uit.

3.3

[kind 3] is op [geboortedatum] 2013 meerderjarig geworden. Hij heeft zijn moeder blijkens een overgelegde volmacht, gedateerd 23 december 2013, gemachtigd om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen en rechtshandelingen te verrichten en al datgene te doen wat hij zou mogen doen in de onderhavige procedure. Desgevraagd heeft mr. Van Reeven-Özer verklaard mede namens [kind 3] op te treden.

3.4

De man, geboren op [geboortedatum] 1959, is alleenstaand.

3.5

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1959, vormt met [kind 3] en [kind 4] een gezin. [kind 2] woont op kamers in [plaats 1], [kind 1] in [plaats 2].

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] en [kind 4], en vanaf de meerderjarigheid van [kind 3] de bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, in de bestreden – ten aanzien van de bijdrage uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking die bijdrage met ingang van de datum van die beschikking, derhalve met ingang van 9 oktober 2013, vastgesteld op € 208,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van die beschikking. De grieven zien op de verdeling van de draagkracht van de man (grief I) en de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting (grief II). Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [kind 3] en [kind 4] aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen € 208,- per kind per maand, en opnieuw beschikkende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat deze bijdrage met ingang van 9 oktober 2013 zal bedragen € 361,- per kind per maand.

In haar aanvullend verzoekschrift van 7 juli 2014 verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 9 oktober 2013 wordt gesteld op € 319,50 per kind per maand voor de kinderen [kind 4] en [kind 3], althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

4.3

De man is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op het forfait overige eigenaarslasten (grief 2) en een –te laag- extra bedrag aan netto hypotheekrente waarmee rekening is gehouden (grief 3). Grief 1 mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk besproken worden. De man verzoekt het hof het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] en [kind 4] aan de vrouw zal voldoen € 208,- per kind per maand, en opnieuw beschikkende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat deze bijdrage tot 28 december 2014

€ 186,- per kind per maand zal bedragen en vanaf 28 december 2014 € 97,- per kind per maand, kosten rechtens.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In haar aanvullend verzoek stelt de vrouw dat de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2014 is gewijzigd, omdat het kindgebonden budget (KGB) vanaf die datum is gewijzigd van € 173,- per maand naar € 109,- per maand. Dit in verband met het meerderjarig worden van [kind 3]. Op grond daarvan becijfert de vrouw de behoefte van [kind 3] en [kind 4] met ingang van 1 januari 2014 op € 639,- voor hen tezamen. De man heeft het wijzigen van het KGB noch de daarop volgende berekening van de vrouw betwist, zodat het Hof van deze behoefte zal uitgaan.

5.2

Dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 4] en [kind 3] in een bijdrage in zijn levensonderhoud en studie is door de man niet weersproken en staat daarmee vast.

5.3

Ter bepaling van de draagkracht van de ouders volgt het hof de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule

70% x [NBI – (0,3 NBI + 850 (860 in 2014))]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,--) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Voor de toepassing van de formule dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) worden bepaald. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente, de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil het NBI van de man in 2013, door de rechtbank vastgesteld op € 3.271,- per maand, zodat ook het hof van dit NBI zal uitgaan. Niet gesteld of gebleken dat het NBI van de man in 2014 afwijkt van dat in 2013.

5.5

In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte bij het vaststellen van zijn draagkracht geen rekening heeft gehouden met het forfait overige eigenaarslasten van de echtelijke woning. De man stelt dat hij de eigenaarslasten van de echtelijke woning voldoet, ook in 2013, zodat alsnog met het volledige forfait van € 95,- rekening dient te worden gehouden. Ter mondelinge behandeling bij dit hof is namens de vrouw verklaard dat het inderdaad de man is die de onroerende zaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing voldoet.

5.6

Het hof zal bij het vaststellen van de draagkracht van de man op grond daarvan rekening houden met het forfait van € 95,- per maand wegens het voldoen van de man van voormelde eigenaarslasten van de echtelijke woning.

5.7

In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank bij de vaststelling van zijn draagkracht ten onrechte slechts rekening heeft gehouden met een netto hypotheeklast van € 294,- per maand. Volgens de man is het bedrag van € 294,- in beginsel juist, maar is de hypotheekrente die hij naast zijn eigen huur van € 800,- per maand voldoet voor de echtelijke woning waarin de vrouw woont, voor hem per december 2014 niet meer aftrekbaar wegens het eindigen van de tweejaarstermijn. Vanaf december 2014 zal de extra last derhalve het volledige bedrag van € 612,73 zijn. De vrouw betwist dit. Volgens de vrouw kan de man, nu hij een onderhoudsverplichting jegens de vrouw heeft, de hypotheekrente als partneralimentatie in aftrek brengen zodat hij niet in een niet nadeliger situatie komt dan voor december 2014.

5.8

Het hof overweegt ten aanzien van deze grief als volgt. Niet in geschil is dat de man de volledige hypotheeklasten van de woning, waarin de vrouw woont, voldoet. De partneralimentatie is in dit hoger beroep niet in geschil, maar zoals hier na zal blijken is de draagkracht van de man onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Gelet op de prioriteit die artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toekent aan de aanspraken van kinderen op een bijdrage in de kosten levensonderhoud, is onaannemelijk dat –nu hij niet volledig aan die aanspraken kan voldoen- door de man betaalde hypotheekrente fiscaal als partneralimentatie kan gelden. Nu door de man onweersproken is gesteld dat de tweejaarstermijn ten aanzien van de aftrekbaarheid van hypotheekrente in december 2014 ten einde loopt, zal het hof bij de man vanaf januari 2015 rekening houden met volledige hypotheeklast bij de man, met dien verstande dat het hof rekening houdt met deze hypotheeklast voor zover de som van de werkelijke woonlast en de hypotheeklast de forfaitaire woonlast (0,3 NBI) overschrijdt.

De vrouw heeft gesteld dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en schulden is bepaald dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding met betrekking tot de echtelijke woning dient te voldoen, maar desgevraagd heeft de vrouw verklaard deze vergoeding niet te betalen en deze ook niet kunnen te betalen. Gelet hierop houdt het Hof geen rekening met enige door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding.
De grief van de man slaagt in zoverre.

5.9

Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de € 317,- premie levensverzekering waarmee de rechtbank ter bepaling van de draagkracht van de man rekening heeft gehouden, zodat ook het hof hiermee rekening zal houden.

5.10

Op grond van voormelde formule en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, berekent het hof de draagkracht van de man als volgt:

- met ingang van 9 oktober 2013: 70% x [3271 – (0,3 x 3.271) + 850 + 294 + 317 + 95] =

€ 514,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2015: 70% x [3271 – (0,3 x 3.271) + 860 + 431 + 317 + 95] = € 411,- per maand.

Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd, waarbij het hof opmerkt dat met ingang van 1 januari 2014 lagere forfaitaire bedragen gelden ten aanzien van deze aftrek, en dat deze aftrek per ingang van 1 januari 2015 geheel vervalt. Het hof zal hiermee rekening houden.

5.11

De man heeft betoogd dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met een minimum draagkracht van € 50. Vast staat dat de vrouw tot heden een inkomen beneden de bijstandsnorm voor een alleenstaande heeft. Zoals hiervoor overwogen heeft de vrouw gesteld dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en schulden is bepaald dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding met betrekking tot de echtelijke woning dient te voldoen, maar desgevraagd heeft de vrouw verklaard deze vergoeding niet te betalen en deze ook niet kunnen te betalen.

Gelet hierop is onaannemelijk dat de vrouw op dit moment in staat is enige bijdrage te betalen ten behoeve van de kinderen, zodat het hof geen rekening houdt met enige draagkracht aan de zijde van de vrouw.

5.12

De vrouw stelt in haar eerste grief dat de draagkracht van de man door de rechtbank ten onrechte over drie kinderen is verdeeld. Nu [kind 2] een uitwonend jong-meerderjarig kind is met studiefinanciering, is door de rechtbank volgens haar ten onrechte een deel van de draagkracht van de man voor [kind 2] bestemd.
De man betwist dit. Volgens de man besteedt hij wel degelijk maandelijks een gedeelte van zijn draagkracht aan [kind 2], gemiddeld zo’n € 230,- per maand en hij onderbouwt dit met stukken.

5.13

Ten aanzien van deze grief overweegt het hof als volgt.
In zijn algemeenheid geldt dat ouders jegens hun kinderen onderhoudsplichtig zijn, ook na hun meerderjarigheid. Gelet op het bepaalde in artikel 1: 401 lid 1 BW hebben de aanspraken van [kind 3] en [kind 4] prioriteit boven de aanspraak van [kind 2] vanaf het moment dat de laatste 21 jaar is geworden, dus vanaf 18 augustus 2014. Gelet op het tijdstip waarop deze beschikking wordt gewezen, zal het Hof tot 1 november 2014 rekening houden met verdeling van de draagkracht van de man over de drie zoons, daarna wordt de draagkracht verdeeld over de jongste twee zoons. Dit geeft [kind 2] een, zij het korte periode om aan de nieuwe situatie te wennen. Een en ander laat onverlet dat de man voortgaat [kind 2] – en ook [kind 1] – financieel te ondersteunen, maar dergelijke bijdragen zullen niet ten nadele van [kind 3] en [kind 4] op zijn draagkracht kunnen drukken. De grief slaagt derhalve in zoverre.

5.14

In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 15%. Volgens de vrouw is de draagkracht van de man minder dan de behoefte, zodat een zorgkorting achterwege dient te blijven. Bovendien is er volgens de vrouw geen sprake van omgang. De man betwist dit. Hij stelt dat een tekort aan draagkracht de zorgkorting weliswaar kan verminderen, maar deze niet terzijde kan schuiven. Dat er geen contact tussen de man en de kinderen, met uitzondering van [kind 1], is volgens de man niet aan hem te wijten maar aan de vrouw.

5.15

Het hof is van oordeel dat geen zorgkorting dient te worden toepast.
Niet in geschil is namelijk dat er ten tijde van de bestreden beschikking alsook ten tijde van de mondelinge behandeling van het hoger beroep geen omgang is tussen de vader en zijn zonen. Dat hiervan op korte termijn wel sprake van zal zijn is niet gebleken. Nu de man derhalve geen bijdrage levert in de zorg, ook niet in natura, ziet het hof geen termen aanwezig voor het toepassen van enige zorgkorting. De grief slaagt.

5.16

Een en ander zoals hiervoor overwogen en geoordeeld leidt tot de volgende conclusie. De man dient, gelet op zijn draagkracht, de verdeling van zijn draagkracht, het fiscaal voordeel en de behoefte van [kind 3] en [kind 4] een bijdrage te leveren:

  • -

    met ingang van 9 oktober 2013 een bedrag van € 243,- per kind per maand (inclusief het fiscaal voordeel dat door het hof is berekend op € 72,- per kind per maand (52% schaal);

  • -

    met ingang van 1 januari 2014 een bedrag van € 218,- per kind per maand (inclusief het fiscaal het fiscaal voordeel dat door het hof is berekend op € 47,- per kind per maand);

  • -

    met ingang van 1 november 2014 – vanwege de verdeling van de draagkracht over twee kinderen in plaats van over drie – een bedrag van € 304,- (inclusief het fiscaal het fiscaal voordeel dat door het hof is berekend op € 47,- per kind per maand); en

  • -

    met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 205,- per kind per maand.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de tweede grief van de vrouw en de tweede en derde grief van de man. Het hof zal daarom de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de man en de vrouw gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan uit hun huwelijk geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 9 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 9 oktober 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] en [kind 4] € 243,- per kind per maand zal betalen, ten aanzien van [kind 3] tot diens meerderjarigheid (derhalve tot 29 november 2013);

bepaalt dat de man aan [kind 3] met ingang diens meerderjarigheid (derhalve met ingang van 29 november 2013) als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 243,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 4] € 218,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan [kind 3] met ingang van 1 januari 2014 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 218,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 4] € 304,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan [kind 3] met ingang van 1 november 2014 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 304,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 4] € 205,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan [kind 3] met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie € 205,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, R. Feunekes en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes, en is op 14 oktober 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.