Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7903

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
200.136.337
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Draagkracht conform de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Zorgkorting 20% (redelijkheidsoordeel). Beroep op aanvaardbaarheidstoets faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.337

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 339088 (echtscheiding en nevenvoorzieningen) en 348750 (verdeling huwelijksgoederengemeenschap))

beschikking van de familiekamer van 14 oktober 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.C. de Vos te Amersfoort,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.M. Heiner te Amersfoort.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 31 juli 2013, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1-4, ingekomen op 30 oktober 2013;

- het verweerschrift , ingekomen op 20 december 2013;

- een journaalbericht van mr. De Vos van 28 november 2013 met productie 5, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van mr. De Vos van 25 maart 2014 met productie 6-21, ingekomen op 26 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. Heiner van 27 maart 2014 met bijlagen, ingekomen op 28 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. De Vos van 1 april 2014 met productie 22, ingekomen op
2 april 2014;

- een brief van mr. De Vos van 3 april 2014 met producties 23-24, ingekomen op 4 april 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Desgevraagd heeft mr. Heiner ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief van mr. De Vos van 3 april 2014 met producties 23-24, aangezien deze stukken te laat zijn ingediend. Het hof heeft daarop beslist dat op die brief met bijlagen acht wordt geslagen, omdat mr. Heiner, zoals hij ter mondelinge behandeling bij dit hof ook heeft erkend, voldoende heeft kunnen kennisnemen van deze brief met producties en zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 27 september 2013 ontbonden door echtscheiding. Partijen zijn in september 2012 feitelijk gescheiden gaan leven.

3.2

Partijen zijn de ouders van [kind] (hierna: [kind]) geboren op [geboortedatum] 2005,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.


3.3 De man woont sinds december 2013 samen met zijn nieuwe partner. Het belastbare loon van de man bedroeg volgens de jaaropgave 2012 in dat jaar € 75.551,-. Het belastbare loon verminderd met de fiscaal belaste bijtelling privégebruik leaseauto van

€ 8.799,- bedraagt € 66.752,-. Het belastbare loon van de man bedroeg volgens de jaaropgave 2013 € 68.912,-, verminderd met de fiscaal belaste bijtelling privégebruik leaseauto van € 6.265,20, dat wil zeggen € 62.646,80.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van februari, maart en april 2013 € 5.286,06 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.4

De vrouw woont sinds september 2012 samen met [A]. Met hem en [kind] vormt zij een gezin. Het belastbare loon van de vrouw bedraagt volgens de belastingaanslag in 2012 in dat jaar € 46.951,-. De arbeidsovereenkomst van de vrouw is per 31 december 2012 met wederzijds goedvinden beëindigd. De beëindigingsvergoeding bedroeg € 9.054,84. De vrouw ontving van 1 januari 2013 tot 23 september 2013 een WW-uitkering. Het belastbaar loon van de vrouw uit arbeid bedroeg blijkens de aangifte IB in 2013 € 3.971,- en uit WW-uitkering € 18.128,-. De vrouw was van 23 september 2013 tot 1 april 2014 werkzaam bij BVVA administratieconsultants & belastingadviseurs voor 22,5 uur per week. Haar inkomen werd in die periode aangevuld tot de hoogte van de WW-uitkering. De WW-uitkering van de vrouw is vervallen per 30 juni 2014. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van maart 2014 € 1.125,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 31 juli 2013 vastgesteld op € 310,- per maand.

4.2

De vrouw is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van [kind], de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting. De vrouw verzoekt het hof -samengevat- de bestreden beschikking, voor zover het de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] betreft, te vernietigen, en in zoverre opnieuw beschikkende te bepalen dat de man met ingang van 31 juli 2013 met € 569,40 per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.3

De man verzoekt het hof -kort weergegeven- het verzoek van de vrouw af te wijzen, kosten rechtens.

4.4

Nadat de bestreden beschikking van 31 juli 2013 is gegeven zijn de financiële gegevens/omstandigheden gewijzigd. Zo is de WW-uitkering van de vrouw per 30 juni 2014 vervallen en is de man in december 2013 uit de voormalige echtelijke woning vertrokken om te gaan samenwonen met zijn nieuwe partner, ten gevolge waarvan zijn woonlasten zijn gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat deze nieuwe gegevens/gewijzigde omstandigheden mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw betwist met grief 1 dat de behoefte van [kind] € 713,- per maand bedraagt. Zij stelt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk € 5.100,- per maand bedroeg. De behoefte komt aldus op € 780,- per maand, bij welke behoefte geen kinderopvangkosten moeten worden opgeteld, omdat die er vanaf mei 2013 niet meer zijn. Er moet geen kindgebonden budget in mindering worden gebracht, omdat zij samenwoont met een nieuwe partner. De man kan zich vinden in de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [kind] van € 713,- per maand.

5.2

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2013 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is volgens de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is.

5.3

Nu de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk hoger was dan € 5.000,- per maand, berekent het hof de behoefte van [kind] aan een bijdrage van haar ouders op het maximale bedrag volgens de tabel van € 780,- per maand. Op dit bedrag strekt geen kindgebonden budget in mindering, nu partijen het erover eens zijn dat de vrouw hierop geen recht heeft. Grief 1 van de vrouw slaagt.

5.4

De man stelt voorts dat ook de vrouw dient bij te dragen in deze behoefte van € 780,- per maand. Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

5.5

De vrouw voert met grief 3 aan dat de rechtbank de draagkracht van de man ten onrechte op € 1.091,- per maand, te verhogen met € 61,- per maand aan fiscaal voordeel, heeft berekend. Haars inziens dienen de woonlasten van de man te worden gecorrigeerd. De draagkracht van de man kan dan worden berekend op 70% x (€ 3.350,- minus (€ 875,50 plus

€ 850,- = ) € 1.126,65. (30% van € 3.335,- minus € 125,- = € 875,50). Na vermeerdering van het fiscaal voordeel van € 61,- zou zijn draagkracht komen op € 1.187,65 per maand. Dit omdat de vrouw met € 125,- bijdraagt in de woonlasten van de voormalige echtelijke woning. De man betwist dat. Het bedrag van € 125,- per maand dat de vrouw voldoet in verband met de voormalige echtelijke woning verlaagt niet zijn maandelijkse woonlasten, omdat dit bedrag betaald moet worden aan de bank in verband met de restschuld voor de woning. Zijn woonlasten zijn zelfs met € 800,- per maand gestegen sinds 1 januari 2014, omdat hij bij zijn nieuwe partner is ingetrokken. De man beroept zich in verband met zijn gestegen woonlasten op artikel 7.2 in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen dan wel de aanvaarbaarheidstoets.

5.6

In paragraaf 7.2.2 van het rapport van de Expertgroep alimentatienormen staat met betrekking tot de woonlasten dat, in het geval het extra lasten betreft in verband met de (voormalige) echtelijke woning, terwijl die woning niet meer bewoond wordt door de onderhoudsplichtige, maar wel door zijn voormalige partner, het draagkrachtloos inkomen -in plaats van de forfaitaire woonlast- kan worden verhoogd met de som van de werkelijke eigen woonlasten en de in aanmerking te nemen netto lasten met betrekking tot de (voormalige) eigen woning. Deze situatie doet zich hier niet voor; beide onderhoudsplichtige ouders wonen niet meer in de voormalige echtelijke woning. Grief 3 van de vrouw en het beroep van de man op toepassing van paragraaf 7.2 van het rapport falen derhalve. Nu sprake is van extra lasten die niet op de voet van paragraaf 7.2 in aanmerking zijn genomen, zal het hof hierna bezien of aanleiding bestaat voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets.

5.7

De vrouw stelt in grief 4 dat de rechtbank bij de man ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 35%. Nu de man 2 dagen per week de zorg voor [kind] heeft, bedraagt de zorgkorting 25% volgens het rapport van de Expertgroep, aldus de vrouw. De man betwist dat. Volgens zijn berekening verblijft [kind] op jaarbasis 2,79 dagen per week bij hem. In deze berekening zijn de feestdagen zoals Pasen en Pinksteren, aldus de advocaat van de man ter mondelinge behandeling bij dit hof, nog niet eens meegerekend. Zijns inziens is een zorgkorting van 35% hier van toepassing. Volgens de vrouw zit het verschil van inzicht hierover tussen haar en de man in het feit dat zij de weekeinden dat [kind] bij de man verblijft rekent als 2,5 dagen en de dinsdag als een 0,5 dag. Zij komt dan op 2,1 dag per week, hetgeen een zorgkorting van 25% oplevert.

5.8

Volgens het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen worden als vuistregel de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte, hetgeen de volgende zorgkorting oplevert:

15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week

25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week

35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

Nu beide partijen in hun berekeningen hoger uitkomen dan 2 dagen per week; de vrouw 0,1 en de man 0,79 dag per week, waarbij feestdagen nog niet zijn meeberekend, maar lager dan 3 dagen per week, acht het hof in dit geval toepassing van een zorgkorting van 20% redelijk en billijk. Het hof tekent hierbij aan dat het bij deze vaststelling geen (hogere) wiskunde betreft, doch met name een redelijkheidsoordeel. Bovendien kunnen de omgangscontacten in de toekomst ook wijzigen, zodat een (hard) percentage ook niet te geven is.

Grief 4 van de vrouw slaagt deels.

5.9

Het hof gaat uit van het door de rechtbank vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de man van € 3.441,- netto per maand, nu de man stelt dat dit ongewijzigd is gebleven, hetgeen de vrouw niet betwist. Het voorgaande leidt tot de volgende vaststelling van de draagkracht van de man van 31 juli 2013 tot 1 januari 2014 volgens de formule 70% x (NBI minus (0,3 NBI plus 850) te vermeerderen met het fiscaal voordeel van € 61- per maand =
70% x (3.441,- minus (€ 1.032,30 plus 850) = € 1.091,09 plus € 61,- = € 1.152,- per maand. Vanaf 1 januari 2014 is de draagkracht van de man wegens een aanbevolen verhoging van de forfaitaire lasten naar € 860,- per maand en wijzigingen in het fiscaal regime 70% x (3.441 minus (1.031,10 + 860)) = € 1.084,93, te vermeerderen met het fiscaal voordeel van € 43,- per maand = afgerond € 1.128,-.

5.10

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte geen berekening heeft gemaakt voor 2014, waarin zij geen aanvulling meer heeft op haar WW-uitkering. Tevens acht zij het onjuist dat de rechtbank rekening heeft gehouden met haar ontslagvergoeding, die zij al vóór de ingangsdatum van de vastgestelde kinderalimentatie aan advocaatkosten, mediationkosten en herinrichtingskosten heeft besteed. Het hof houdt, evenals de rechtbank, tot 1 januari 2014 rekening met een aanvulling van de WW-uitkering met de ontslagvergoeding ter hoogte van haar inkomen uit arbeid in 2012, nu de vrouw rekening moest en kon houden met haar bijdrageplicht in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. Tevens houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met € 125,- per maand aan rentebetaling in verband met de voormalige echtelijke woning, nu daartegen geen grieven zijn gericht. Van 31 juli 2013 tot 1 januari 2014 is de draagkracht van de vrouw zoals door de rechtbank vastgesteld: 70% x (2.047,- minus (614,10 + 850 + 125)) = afgerond € 321,- per maand. Vanaf 1 januari tot 1 april 2014 rekent het hof met het jaarinkomen van de vrouw uit arbeid (€ 3.971,-) en uit een WW-uitkering (€ 18.128,-) van € 22.099,- (€ 1.339,- NBI). Volgens de formule 70% x (1.339 minus (401,70 + 860 + 125)) resteert een negatieve draagkracht bij de vrouw. Vanaf die datum geldt, evenals voor de periode vanaf 1 april 2014 met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.250,- per maand, dat de vrouw volgens het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen de minimale bijdrage van € 25,- per maand dient te voldoen. Nu de vrouw een lijst met 81 sollicitatie-activiteiten heeft overgelegd, heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij alles in het werk stelt om haar verdiencapaciteit (32 uur per week) ten volle te benutten. Dat het haar tot op heden niet is gelukt haar verdiencapaciteit op het huwelijkse niveau terug te brengen kan haar dan ook, anders dan de man meent, niet worden tegengeworpen. Grief 2 van de vrouw slaagt wat betreft de herberekening van haar draagkracht vanaf 1 januari 2014, en faalt voor het overige.

5.11

De verdeling van de kosten over beide ouders berekent het hof, evenals de rechtbank, volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

I van 31 juli 2013 tot 1 januari 2014 is

het aandeel van de man 1152/1473 x780 = 610,02

het aandeel van de vrouw 321/1473 x 780 = 169,97

II vanaf 1 januari 2014 is

het aandeel van de man 1128/1150 x780 = 765,07

het aandeel van de vrouw 25/1150 x 780 = 16,95

Aldus berekend bedraagt het aandeel van de man van 31 juli 213 tot 1 januari 2014 € 610,02 per maand en van 1 januari 2014 € 765,07 per maand. Op deze bedragen strekt in mindering de zorgkorting (20% van de behoefte van € 780,- per maand) van € 156,- per maand. Dit brengt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]:

I van 31 juli 2013 tot 1 januari 2014 op € 454,02 per maand;

II van 1 januari 2014 op € 609,07 per maand.

Omdat het hof geen bijdragen kan vaststellen die het door de vrouw verzochte bedrag te boven gaan, zal het hof over periode II de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] vaststellen op € 569,40 per maand.

5.12

Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets faalt, nu hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. Zo valt zonder een nadere toelichting die ontbreekt niet in te zien dat de man, naast een alimentatieverplichting van € 312,- per maand waarmee hij in het als productie 6 overgelegde lastenoverzicht rekening houdt, ook nog rekening houdt met een post “deel [kind]” van in totaal € 500,- per maand. Daarbij komt dat, zonder een waardeoordeel te geven over het feit dat de man ervoor heeft gekozen in januari 2014 met zijn huidige partner te gaan samenwonen, hij als gevolg van deze persoonlijke keuze vermijdbaar dubbele woonlasten is aangegaan. De man heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de onder 5.11 genoemde bijdragen per maand te (kunnen) voldoen.

5.13

Het hof ziet tot slot geen aanleiding om de gewijzigde alimentatieverplichting op een later tijdstip dan 31 juli 2013 te bepalen, nu de man daartoe de draagkracht heeft en hij in het belang van [kind] rekening heeft kunnen en moeten houden met vaststelling van een hogere alimentatieverplichting in hoger beroep.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
31 juli 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 31 juli 2013 tot 1 januari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] € 454,02 per maand zal betalen, en vanaf 1 januari 2014 met € 569,40 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, K.J. Haarhuis en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudwaard als griffier, en is op 14 oktober 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.