Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7861

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
200.128.381-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet nakomen van een koopovereenkomst onroerende zaak. Beroep op wilsgebreken afgewezen. Beroep op matiging van de verbeurde boete eveneens afgewezen,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.381/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/136201 HA ZA 12-307)

arrest van de tweede kamer van 14 oktober 2014

in de zaak van

1 [appellante 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellante 4],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellante 4],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden/eisers in verzet,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. K.O. Valentien, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres/gedaagde in verzet,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.H. Linstra, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

25 juli 2012 (verstekvonnis) en 26 september 2012 van de rechtbank Groningen en van

10 april 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 mei 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord/ tevens van grieven in incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] in hoger beroep luidt:

" om:

1. het vonnis in verzet d.d. 10 april 2013 juni gewezen door de rechtbank Noord-Nederland onder nummer C/18/134642/HA ZA 12-232, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende;

2. alsnog alle vorderingen van eiseres in eerste aanleg, gedaagde in verzet in eerste aanleg, waaronder de vordering tot betaling van de beslagkosten, in het geheel, althans zo veel mogelijk af te wijzen;

3. met veroordeling van geïntimeerde om al hetgeen appellanten ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan geïntimeerde hebben voldaan aan hen terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

4. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van een bedrag van € 131,-- zonder betekening conventie of reconventie, € 205,-- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, en verhoogd met € 68 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"het vonnis van de rechtbank te Noord-Nederland van 10 april 2013, gewezen tussen partijen onder rolnummer c/18/136201/ HA ZA 12.307 (zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden) te bekrachtigen, doch met verbetering van rechtsoverweging 4.10, zulks met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de beide instanties."

3 De inhoud van de procesdossiers

3.1

In beide gefourneerde dossiers ontbreken de door [appellanten] aangekondigde productie 3 bij de verzetdagvaarding (naar wordt gesteld: een proces-verbaal van aangifte) en producties A, B en C bij de memorie van grieven. Door [geïntimeerde] is aangegeven dat deze producties nimmer zijn overgelegd (MvA 1.8) waarna [appellanten] deze producties ook niet alsnog bij akte in het geding heeft gebracht. Genoemde producties behoren dan ook niet tot de stukken op grond waarvan het hof in deze procedure een beslissing zal nemen.

4 De feiten

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.11) een aantal tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat, behoudens het navolgende, tussen partijen geen geschil.

4.2

[appellanten] heeft aangevoerd dat zij “zich niet kan herinneren dat zij kennis genomen heeft van” de door de rechtbank in r.o. 2.4 genoemde brief van 5 oktober 2011, de in r.o. 2.6 genoemde brief van 16 december 2011 alsmede van een aantal overige (niet door de rechtbank genoemde) brieven. Dienaangaande overweegt het hof dat in rechte slechts van belang is of [appellanten] deze brieven heeft ontvangen (artikel 3:37 BW). Dit wordt ten aanzien van genoemde brieven niet met zoveel woorden betwist. Wel heeft [appellanten] in het algemeen gesteld en te bewijzen aangeboden dat ene [A], door wie zij zou zijn opgelicht, post voor [appellanten] heeft onderschept. Dat bewijsaanbod is evenwel niet ter zake dienende, omdat uit de stukken blijkt dat [appellanten] met [A] in zee is gegaan en dat daarom het eventuele onderscheppen van de post door [A] in de verhouding tot [geïntimeerde] onverlet laat dat de bedoelde brieven hun werking hebben gehad: artikel 3:37 lid 3 BW.

4.3

[appellanten] heeft aangevoerd dat de brief van 9 november 2011 (door de rechtbank genoemd in r.o. 2.5) niet door [appellante 4] maar vermoedelijk door [A] is verzonden en dat ook de schriftelijke en telefonische mededelingen als bedoeld in r.o. 2.8 vermoedelijk door [A] zijn gedaan. Nu echter niet in geschil is dat bedoelde brieven en mededelingen namens [appellanten] zijn verzonden respectievelijk gedaan, zal het hof de feiten in die zin vaststellen.

4.4

Met in achtneming van het voorgaande, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

4.5

Bij schriftelijke koopovereenkomst van 25 augustus 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] verkocht een recreatiewoning, gelegen aan het adres [adres]. De koopprijs bedroeg € 235.000,00. De eigendomsoverdracht zou plaatsvinden op 1 februari 2012 bij [notaris].

4.6

Op 15 september 2011 zou een bankgarantie worden gesteld, dan wel een waarborgsom worden gestort ten bedrage van € 23.500,-.

4.7

De koopovereenkomst is namens [appellanten] ondertekend door [appellante 4].

4.8

In artikel 10 van de koopovereenkomst is het volgende opgenomen:

“(…)

Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 23.500 verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.

Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie pro mille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Indien de wederpartij na verloop van tijd de overeenkomst alsnog ontbindt dan zal deze boete verschuldigd zijn voor elke na afloop van de in 10.1. vermelde termijn van acht dagen verstreken dag tot aan de dag waarop de overeenkomst ontbonden is.”

4.9

Omdat het storten van de bankgarantie, dan wel de betaling van de waarborgsom uitbleef, is [appellanten] op 5 oktober 2011 namens [geïntimeerde] in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk 17 oktober 2011 alsnog aan haar verplichtingen te voldoen.

4.10

Na herhaalde sommatie is namens [appellanten] bij brief van 9 november 2011 aan [geïntimeerde] het volgende bericht:

"Aangezien er frauduleus is gehandeld door mijn boekhouder vraag ik u of de borgsom van € 23.500,-- voor 1 december 2011 gestort mag worden op rekening van [notaris]. Ik zal er voor zorgdragen dat het bedrag dan op bovengenoemde datum op de rekening staat.”

4.11

Daarop is uitstel verleend tot 1 december 2011. Omdat betaling wederom uitbleef is [appellanten] bij brief van 16 december 2011 alsnog een termijn van acht dagen gegund en voorts gewezen op haar verplichting tot nakoming en de daaraan gekoppelde boetebepalingen.

4.12

Op 1 februari 2012 is geen der maten van [appellanten] bij de notaris verschenen. [appellanten] is daarop door (de makelaar van) [geïntimeerde] in gebreke gesteld en door de notaris uitgenodigd om op 10 februari 2012 alsnog te verschijnen om de akte van levering te passeren.

4.13

Ook op 10 februari 2012 is niemand van [appellanten] bij de notaris verschenen. Als reden werd aangegeven, zowel schriftelijk als telefonisch, dat [appellante 4] zich in het ziekenhuis bevond en pas op 16 februari 2012 naar het notariskantoor kon komen. Daarop is de overdracht naar 16 februari 2012 verplaatst.

4.14

Op 16 februari 2012 is [appellanten], althans een van haar maten, wederom niet verschenen. Evenmin is op die datum de koopprijs voldaan.

4.15

Vervolgens is de koopovereenkomst op 21 maart 2012 door [geïntimeerde] schriftelijk ontbonden onder verwijzing naar artikel 10 van de koopovereenkomst. Tegelijk is aanspraak gemaakt op betaling van de contractuele boete.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

[geïntimeerde] heeft [appellanten] gedagvaard en heeft, zoals door de rechtbank in r.o. 3.1 van het vonnis van 10 april 2013 onbestreden is vastgesteld, gevorderd, samengevat, primair (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van de in artikel 10 lid 3 van de koopovereenkomst bedoelde boete, die [geïntimeerde] heeft berekend op € 61.335,-, en subsidiair (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van de in artikel 10 lid 2 van de koopovereenkomst bedoelde boete van € 23.500,-, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2011 tot aan de voldoening en met buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten. Bij verstekvonnis van 25 juli 2012 is de primaire vordering toegewezen. Bij het bestreden vonnis in verzet van 10 april 2013 heeft de rechtbank het verstekvonnis gedeeltelijk vernietigd. Zij heeft de boete gematigd tot € 41.970,- en dat bedrag toegewezen, vermeerderd met “de wettelijke rente over de opeisbare boete van € 705,00 per dag, zulks met ingang van 25 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening”, met bekrachtiging van het verstekvonnis voor het overige en met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

6 De beoordeling van de grieven

6.1

De principale grieven I, II, III, IV en IX komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] heeft nagelaten in afdoende mate haar verweer te onderbouwen dat de koopovereenkomst aan haar zijde is aangegaan onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden of een geestelijke stoornis van [appellante 4] en dat de rechtbank haar ondanks het uitdrukkelijk aangeboden bewijs niet tot bewijslevering van dit verweer heeft toegelaten.

6.2

Het hof overweegt dat [appellanten] met haar betoog uit het oog verliest dat pas aan bewijslevering wordt toegekomen indien de partij op wie de stelplicht rust aan die stelplicht heeft voldaan. Het gaat hier om een beroep door [appellanten] op vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van bedrog, misbruik van omstandigheden en geestelijke stoornis. Dit zijn bevrijdende verweren, nu daarmee als rechtsgevolg de vernietiging van de koopovereenkomst wordt beoogd, ter zake waarvan op [appellanten] de stelplicht rust.

Zij kan daarbij niet volstaan met kwalificerende stellingen doch zij dient concrete feiten en omstandigheden te stellen die haar beroep op deze wilsgebreken kunnen schragen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellanten] dit in ontoereikende mate heeft gedaan. Zij heeft ten aanzien van het beroep op bedrog en misbruik van omstandigheden onvoldoende feiten aangevoerd waaruit hetzij kan blijken dat [geïntimeerde] als contractspartij zich daaraan heeft schuldig gemaakt dan wel dat en hoe precies [A] zich hieraan heeft schuldig gemaakt en dat [geïntimeerde] redenen had om het bestaan daarvan te veronderstellen (artikel 3: 44 lid 5 BW). Ook het beroep op de geestelijke stoornis aan de zijde van [appellante 4] is ontoereikend onderbouwd in het licht van de vereisten van artikel

3:34 BW. Het hof overweegt dat [appellanten] ook in hoger beroep niet alsnog voldoende invulling heeft gegeven aan de op haar ter zake rustende stelplicht. Het feit dat [geïntimeerde] [A] zou kennen, het feit dat niet een lid van [appellanten] zelf de woning heeft bezichtigd maar [A] (en zijn vrouw), de omstandigheid dat de koop snel tot stand is gekomen en het gegeven dat een recreatiewoning werd gekocht in een andere gemeente dan waar de zorgboerderij van [appellanten] is gelegen zijn noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang beschouwd voldoende. Door [appellanten] is nog betoogd dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat [A] niet bevoegd was namens [appellanten] te onderhandelen. Dat argument gaat echter ook niet op, nu de koopovereenkomst uiteindelijk is ondertekend door een lid van [appellanten] ([appellante 4]) en niet door [A]. Het hof komt dan ook niet toe aan bewijslevering en passeert het door [appellanten] in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod als niet ter zake dienende. De grieven falen.

6.3

De principale grieven V, VI, VII, VIII, X, en XI richten zich tegen rechtsoverwegingen 4.6, 4.7, eerste deel en 4.8 tweede deel. Hetgeen de rechtbank aldaar heeft overwogen is evenwel voor het hof niet dragend voor de beslissing en deels oncontroleerbaar (doordat [appellanten] heeft verzuimd de aangifte en de gegevens van het UMCG over te leggen). [appellanten] mist belang bij bespreking van deze grieven, nu zij niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

6.4

De principale grieven XII, XIII, XIV en XV en de incidentele grief 1 hebben betrekking op de beslissing van de rechtbank tot matiging van de gevorderde boete. Het hof zal deze grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, overweegt het hof dat in het petitum van de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel weliswaar wordt geconcludeerd tot bekrachtiging "met verbetering van rechtsoverweging 4.10", doch dat klaarblijkelijk bedoeld is gedeeltelijke vernietiging te vorderen, voor zover de rechtbank op grond van wat in r.o. 4.10 is overwogen tot matiging is overgegaan. Dat [appellanten] dit blijkbaar ook zo heeft begrepen, valt af te leiden uit het gestelde in de "Memorie van antwoord in het incident" onder 2: "in het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] één grief opgeworpen. Deze grief behelst de gedeeltelijke afwijzing van de geldboeteveroordeling door de Rechtbank" (onderstreping hof).

6.5

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzuim van [appellanten] als bedoeld in artikel 10.3 in verbinding met artikel 10.1 van de koopovereenkomst is ingetreden op

25 december 2011. De boete als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de koopovereenkomst ter grootte van 3 promille van de koopsom per dag (dat is € 705,-) is derhalve vanaf die dag verschuldigd. Ingevolge het slot van artikel 10 lid 3 van de koopovereenkomst is de boete verschuldigd tot aan de dag waarop de overeenkomst is ontbonden. Die dag is in dit geval

21 maart 2012. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de boete aldus dient te worden gematigd dat deze slechts toewijsbaar is over de periode tot 17 februari 2012. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat nu op 16 februari 2012 duidelijk was dat [appellanten] ten derde male niet bij de notaris was verschenen en “de aanmaningstermijn en boetes reeds waren aangezegd”, er weinig aanleiding was de ontbinding eerst per 21 maart 2012 in te roepen. In de berekening van de rechtbank leidt dat tot een vermindering met (30 dagen à € 705,- per dag =) € 21.150,-. Voor een verdergaande matiging heeft de rechtbank in de omstandigheden van het geval geen aanleiding gezien.

6.6

In de toelichting op de incidentele grief 1 wordt aangevoerd dat de rechtbank de boete ambtshalve heeft gematigd, hetgeen niet is toegestaan op grond van artikel 6:94 BW.

In zoverre mist de grief echter feitelijke grondslag, omdat de rechtbank terecht het gestelde in de verzetdagvaarding onder 19 zo heeft uitgelegd dat aldaar bedoeld is een beroep te doen op matiging van de boete.

6.7

In de toelichting op de incidentele grief 1 wordt voorts aangevoerd dat, samengevat, [geïntimeerde] na het niet verschijnen van [appellanten] op 16 februari 2012 enige tijd moet worden gegund om zich in overleg met haar advocate te beraden over de vraag of nog langer nakoming zou moeten worden nagestreefd dan wel dat tot ontbinding zal worden overgegaan. Voorts wordt betoogd dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, [appellanten] het aan zichzelf te wijten heeft dat de boete zo hoog is opgelopen door steeds uitstel te vragen en door ook na 16 februari 2012 niets van zich te laten horen.

In de toelichting op de principale grief XII wordt door [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat er vlak voor de geplande levering van 10 februari 2012 telefonisch contact is geweest tussen de raadsman van [geïntimeerde] en een lid van [appellanten].

In de toelichting op de principale grief XIII stelt [appellanten] dat het [A] is geweest die brieven bestemd voor [appellanten] heeft onderschept en die namens [appellanten] brieven heeft verzonden, die hij heeft ondertekend.

In de toelichting op de principale grief XIV betoogt [appellanten] dat de rechtbank het bedrag van de boete na matiging verkeerd heeft berekend.

In de toelichting op de principale grief XV betoogt [appellanten] dat [geïntimeerde] niet of nauwelijks aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden.

6.8

Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638, HR

13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986).

6.9

Het gaat hier om een NVM-koopovereenkomst met een boeteclausule die niet ongebruikelijk is. Er is sprake van een boeteclausule waarbij een zelfde bedrag aan boete per dag wordt verbeurd (€ 705,-) ongeacht het aantal en de ernst van de tekortkomingen.

De tekortkoming bestond hier aanvankelijk uit het niet storten van de waarborgsom en vervolgens uit het niet afnemen van de woning, althans het niet betalen van de koopsom.

Dit zijn op zichzelf ernstige tekortkomingen ten aanzien van de hoofdverplichtingen uit de overeenkomst. De boete is niet gemaximeerd en de verkoper heeft het in beginsel in eigen hand om de boete hoog te laten oplopen door een beroep op ontbinding uit te stellen. Met [geïntimeerde] is het hof evenwel van opvatting dat haar na 16 februari 2012 toen [appellanten] opnieuw niet bij de notaris was verschenen enige tijd moest worden gegund om zich in overleg met haar advocate te beraden over de vraag of nog langer nakoming zou moeten worden nagestreefd dan wel dat tot ontbinding zal worden overgegaan. De in casu gebruikte termijn daarvoor acht het hof redelijk. In zoverre slaagt de incidentele grief 1.

6.10

Wat betreft de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, is het zo dat namens [geïntimeerde] ter comparitie in eerste aanleg onweersproken is verklaard dat de woning nog altijd niet is verkocht. In de toelichting op de incidentele grief 1 heeft [geïntimeerde] de door haar geleden schade verder onderbouwd. Daarop heeft [appellanten] in haar memorie van antwoord in het incident niet meer gereageerd. Aldus is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat sprake is van een wanverhouding tussen werkelijke schade en boete.

6.11

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het boetebeding is ingeroepen, is de vraag of de omstandigheid dat [appellanten] naar zij stelt het slachtoffer is geworden van oplichting door [A], die ook de aan haar gerichte brieven zou hebben onderschept en namens haar brieven aan [geïntimeerde] zou hebben verzonden, redengevend kan zijn om de boete te matigen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Het stelt daarbij voorop dat, zoals hiervoor is gebleken, een geestelijke stoornis aan de zijde van [appellante 4] niet is komen vast te staan. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat zij bij volle bewustzijn de koopovereenkomst met [geïntimeerde] heeft getekend. Uit die overeenkomst blijkt precies welke prestaties van [appellanten] worden verwacht en per wanneer. Ook zonder ontvangst van herinneringen en aanmaningen moet [appellanten] hebben geweten dat zij nalatig bleef in de nakoming van de koopovereenkomst. De omstandigheid dat [appellante 4] mogelijk tot het tekenen van die overeenkomst is bewogen op grond van bedrog of het maken van misbruik van omstandigheden door [A], waaruit dat precies heeft bestaan is overigens in onvoldoende mate gesteld noch gebleken, komt in de verhouding tot de daarvan onwetende [geïntimeerde] geheel voor risico van [appellanten]. Of vlak voor de geplande levering van 10 februari 2012 nu wel of niet telefonisch contact is geweest tussen de raadsman van [geïntimeerde] en een lid van [appellanten], doet er niet toe in het licht van het voorgaande. Andere feiten of omstandigheden die een matiging van de boete kunnen rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken.

6.12

De principale grieven XII en XIII en XV kunnen derhalve niet tot vernietiging leiden. Bij de bespreking van de principale grief XIV heeft [appellanten] gelet op het slagen van de incidentele grief 1 geen belang.

7 De slotsom

7.1

Het principaal appel faalt en het incidenteel appel slaagt. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd, in die zin dat in onderdeel 5.2 van het dictum een bedrag van € 61.335,- dient te worden gelezen in plaats van € 41.970,-. Tegen de wijze waarop in het verzetvonnis in afwijking van het verstekvonnis de wettelijke rente is toegewezen, is geen (incidentele) grief aangevoerd, zodat het hof die beslissing in stand zal laten. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- in het principaal appel: aan verschotten en € 1.631,- (1 punt in tarief IV) aan geliquideerd salaris van de advocaat;

- in het incidenteel appel: aan verschotten en € 447,- (o,5 punt in tarief II) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van 10 april 2013 in zoverre dat in onderdeel 5.2 van het dictum een bedrag van € 61.335,- dient te worden gelezen in plaats van € 41.970,- en bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op

in het principaal appel: € 683,- voor verschotten en € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in het incidenteel appel: nihil voor verschotten en € 447,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. R.A. van der Pol en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 oktober 2014.