Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7821

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
200.151.034-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Gelet op de problematiek van de minderjarige zijn bovengemiddelde opvoegdingscapaciteiten vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.034/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/362601)

beschikking van de familiekamer van 18 september 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.H.J. van Rhijn, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

Stichting William Schrikker Jeugdreclassering en Jeugdbescherming,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Belanghebbenden:

de pleegouders,

wonende op een bij de stichting bekend (geheim) adres.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 3 april 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 juni 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende (het hof begrijpt:) het verzoek van de stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling af te wijzen dan wel het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor een periode van zes maanden.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 juli 2014, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 11 juni 2014 een journaalbericht met bijlagen van 27 mei 2014 van mr. Van Rhijn;

- op 20 augustus 2014 een faxbericht met als bijlage een besluit van 14 mei 2014 van de stichting.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2014 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, vergezeld van haar begeleiders [A en B] van Puur Ouderschap, en bijgestaan door mr. Van Rhijn. Namens de stichting zijn verschenen [C en D]. Tevens was [vader] als toehoorder aanwezig. Met toestemming van het hof is ter zitting namens de moeder een stuk over INVRA-ouderschap overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en de vader is [in] 2011 in de gemeente [gemeente] geboren [minderjarige]. De moeder is met het gezag over [minderjarige] belast.

3.2

Reeds voor de geboorte is de toen nog ongeboren [minderjarige] onder toezicht van de stichting gesteld. De ondertoezichtstelling in nadien (telkens) verlengd, laatstelijk bij beschikking van 4 april 2013, tot 10 april 2014.

3.3

Bij beschikking van 9 oktober 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de stichting gemachtigd [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een crisisvoorziening, met ingang van 9 oktober 2013 tot 6 november 2013. Het meer of anders verzochte is aangehouden. Bij beschikking van 22 oktober 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de stichting een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisispleeggezin, met ingang van 6 november 2013 tot 9 januari 2014.

3.4

Bij beschikking van 28 november 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, de machtiging van de stichting om [minderjarige] uit huis te plaatsen in Zorg- en Therapie Centrum Wittelte, verlengd met ingang van 28 november 2013, voor de duur van de ondertoezichtstelling, onder de voorwaarde dat de stichting, voor zover zij dit niet reeds heeft gedaan, het indicatiebesluit na ontvangst van deze beschikking binnen één maand aan de griffie van de rechtbank instuurt. Bij beschikking van 6 maart 2014 heeft het hof deze beschikking van de kinderrechter vanwege het ontbreken van het benodigde indicatiebesluit vernietigd en het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen.

3.5

Bij beschikking van 28 februari 2014 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [minderjarige] uit huis te plaatsen in een crisisvoorziening, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 april 2014, voor de duur van een jaar verlengd. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 10 april 2014, voor de duur van zes maanden.

3.7

[minderjarige] verblijft vanaf 16 december 2013 - voor de tweede keer - in het huidige pleeggezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.2

Uit de stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat er ernstige zorgen over [minderjarige] bestaan. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat op jonge leeftijd al veel heeft meegemaakt. Ze is in de thuissituatie bij de moeder veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld van de vader jegens de moeder. In haar eerste levensjaar heeft ze op zeven verschillende plekken gewoond. [minderjarige] heeft een taalachterstand alsmede een achterstand in de ontwikkeling van haar motoriek. Hoewel [minderjarige] zich naar omstandigheden goed ontwikkelt in het pleeggezin, vertoont zij gedrag waaruit is af te leiden dat zij in stressvolle situaties heeft moeten verkeren.

4.3

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de moeder [minderjarige] een veilig en stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. Anders dan de moeder heeft gesteld, is het hof van oordeel dat er nog geen sprake is van een stabiele woonsituatie bij de moeder. Weliswaar heeft de moeder vanaf 1 augustus 2014 (zelfstandige) huisvesting gevonden waar zij voor langere tijd wil verblijven, maar mede gelet op de vele verhuizingen die zich in het verleden hebben voorgedaan is deze positieve ontwikkeling nog te pril om ervan uit te kunnen gaan dat de huidige woonplek voldoende bestendig is. Dat niet alle verhuizingen aan de moeder zouden zijn te wijten, zoals zij heeft gesteld, doet daaraan niet af. De omstandigheid dat de moeder - en ook de vader - hulp hebben gezocht bij de organisatie Puur Ouderschap, dat zij dagelijks begeleiding ontvangen van deze organisatie en dat de moeder in de afgelopen periode de afspraken ten aanzien van de contactmomenten van [minderjarige] is nagekomen, acht het hof eveneens positieve ontwikkelingen. Hoewel de moeder hiermee de goede weg is ingeslagen, zijn deze ontwikkelingen onvoldoende om [minderjarige] bij de moeder te laten wonen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder in het verleden gedurende verschillende perioden van diverse professionals (waaronder Doenersdreef, 's Heerenloo en Zorg en Therapiecentrum Wittelte) intensieve hulpverlening heeft gehad ten einde ervoor te zorgen dat de moeder de rol als opvoeder en verzorger kon behouden. Echter deze hulpverlening is telkens zonder positief resultaat afgesloten waarbij ook is ervaren dat afspraken en regels niet beklijven. [minderjarige] heeft een veilige en stabiele opvoedingssituatie nodig met voldoende duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid. Voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zijn, gelet op haar problematiek, bovengemiddelde opvoedingscapaciteiten vereist.

4.4

Voor zover de moeder heeft gesteld dat zij reeds heeft laten zien over de capaciteiten te beschikken die nodig zijn om [minderjarige] een veilige en stabiele leefomgeving te bieden, is het hof van oordeel dat daarvan, gelet op de stukken en de behandeling ter zitting, niet is gebleken. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het de moeder in het verleden bij herhaling niet is gelukt [minderjarige] te beschermen tegen het fysieke en verbale geweld van de vader richting de moeder. Tevens acht het hof van belang dat de moeder op moeilijk lerend niveau functioneert. Gelet hierop is aannemelijk dat de moeder over minder mogelijkheden beschikt om haar eigen handelen kritisch te bekijken. Voorts is gebleken dat de moeder een zeer belast verleden heeft en dat bij haar sprake is van persoonlijke problematiek.

4.5

Met de stichting is het hof van oordeel dat er op korte termijn duidelijkheid dient te komen over het perspectief van [minderjarige]. De stichting heeft aangegeven dat zodra de moeder een stabiele woonplaats heeft, het voornemen bestaat om een gezinsonderzoek te laten plaatsvinden om te bezien over welke opvoedingsvaardigheden de moeder beschikt. Nu ter zitting is gebleken dat de moeder (opnieuw) een relatie met de vader heeft, geeft het hof de stichting ter overweging om ook de vader bij het onderzoek te betrekken.

4.6

Gelet op het voorgaande dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 3 april 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. M.P. den Hollander en
mr. D. van Emden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 september 2014 in het bijzijn van de griffier.