Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7705

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
104.001.211
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens de criteria van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten) wordt er momenteel van uitgegaan dat een blootstelling van minder dan 8 MAC-jaar (dit was eerder 5 MAC-jaar) niet de oorzaak kan zijn van cognitieve functiestoornissen en dus van CTE. De totale berekende blootstelling (…) is beperkt (waarschijnlijk niet hoger dan 0,5 tot 1,3 MAC-jaren) ten opzichte van de grens van 8 MAC-jaren die momenteel door het NCvB wordt gehanteerd.

Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter, waarbij de vorderingen van appellant zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.001.211

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, (toen) locatie Terborg, 217774)

arrest van de derde kamer van 7 oktober 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XSYS Print Solutions Netherlands B.V.,

(tot 11 augustus 2005 BASF Drukinkt B.V. genaamd),

gevestigd te Doetinchem,

geïntimeerde,

hierna: BASF,

advocaat: mr. H. Lebbing.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 juni 2013 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het deskundigenbericht van 31 januari 2014;

- de memorie na deskundigenbericht van [appellant];

- de antwoordmemorie na deskundigenbericht van BASF.

1.2

Vervolgens hebben de partijen de stukken weer voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij de inhoud van het tussenarrest van 11 juni 2013. Daarbij is een deskundigenonderzoek gelast, de heer ir. C.I. Boeckhout R.A. als deskundige benoemd en is aan hem een aantal vragen gesteld.

2.2

De aan de deskundige gestelde vragen en de beantwoording van die vragen luiden als volgt:

1.Vraag:

“Wat was de feitelijke arbeidsbelasting in de zin van blootstelling aan de toxische stoffen petroleum, methyleenchloride (tot 1986, waarbij het hof al heeft vastgesteld dat er geen sprake was van verneveling) en terpentine van [appellant] in de periode dat hij bij BASF werkzaam was (tussen februari 1981 en maart 1991) uitgaande van een blootstelling van maximaal 1 uur per dag?

Wilt u hierbij rekening houden met de verzuimcijfers van [appellant] (rechtsoverweging 2.2 van het tussenarrest van 22 januari 2013)?

Wilt u de feitelijke arbeidsbelasting specificeren met aandacht voor de soorten stoffen waaraan [appellant] werd blootgesteld en de intensiteit van de blootstelling bij de verschillende wijzen van blootstelling gelet op de omschrijving van de werkzaamheden en het overeenkomstige toepassen van de toxische stoffen (rechtsoverweging 2.6 van het tussenarrest van 19 juni 2012)?

Wilt u daarbij tevens specificeren wat het effect was van het feit dat de werkzaamheden aanvankelijk in een grote bedrijfshal (zij het voor een deel in een van de bedrijfshal onderdeel uitmakende afgescheiden ruimte van 10 bij 10 meter, die aan één zijde in open verbinding met de bedrijfshal stond, waarbij sprake was van een natuurlijke ventilatie) werden uitgevoerd, dat er vanaf 1982 mechanische ventilatie of centrale afzuiging was en dat er vanaf 1986 sprake was van puntafzuiging boven de mengstations en dissolvers (rechtsoverweging 2.16 van het tussenarrest van 25 oktober 2011)?”

Antwoord:

“De blootstelling van [appellant] via inhalatie aan toxische stoffen tijdens het schoonmaken, is weergegeven in tabel 6.2 (hof: Berekende taakblootstelling bij schoonmaken van oppervlakken), en omgerekend naar een gemiddelde blootstelling over de werkdag in tabel 6.3 (hof: Berekende blootstelling bij schoonmaken van oppervlakken TGG 8 uur).

De blootstelling is berekend met Stoffenmanager en is gebaseerd op de in verschillende rechtsoverwegingen aangegeven werkmethoden en omstandigheden.

Op basis van de verrichte berekeningen is het zeer aannemelijk dat (vooral tot 1982, maar ook tot 1986) tijdens het schoonmaken actuele internationale advieswaarden voor blootstelling als tijdgewogen gemiddelde over 15 minuten kunnen zijn overschreden. Dit geldt in belangrijke mate voor methyleenchloride, maar ook voor terpentine.

Afgezet tegen recente grens- of advieswaarden, omdat deze een betere toxicologische onderbouwing hebben en geschikt zijn voor het beoordelen van de kans op het optreden van effecten, is het volgende berekend:

Voor kortdurende blootstelling (TGG 15 minuten):

. Indien gebruik werd gemaakt van de vluchtige vorm van terpentine (maximum dampspanning 4 kPa) geldt voor een middelgroot uitdampend oppervlak dat over het gehele dienstverband van [appellant] het 90 percentiel boven de actuele advieswaarde TGG 15 minuten lag. In tijdvak 1 (1981 – 1982) was dit ook het geval voor het 75 percentiel.

Indien gebruik werd gemaakt van de weinig vluchtige vorm van terpentine (maximum dampspanning 300 Pa) geldt voor een middelgroot uitdampend oppervlak dat alleen in tijdvak 1 de actuele advieswaarde werd overschreden voor het 90 percentiel

. Bij gebruik van methyleenchloride lag voor een middelgroot uitdampend oppervlak zowel in tijdvak 1 als in tijdvak 2 (1982 – 1986) het 90 en het 75 percentiel boven de advieswaarde TGG 15 minuten. In tijdvak 1 was dit ook het geval voor het 50 percentiel bij een groot uitdampend oppervlak

Voor het berekende daggemiddelde (TGG 8 uur):

. Bij gebruik van petroleum als schoonmaakmiddel werd ook voor het 90 percentiel van de berekende blootstelling de actuele grenswaarde TGG 8 uur niet overschreden

. Indien gebruik werd gemaakt van de vluchtige vorm van terpentine geldt voor een middelgroot uitdampend oppervlak dat alleen in tijdvak 1 het 90 percentiel boven de actuele advieswaarde lag

. Bij gebruik van methyleenchloride lag bij een middelgroot oppervlak het 90 percentiel alleen in tijdvak 1 boven de actuele advieswaarde. In tijdvak 2 was alleen sprake van overschrijding voor het 90 percentiel voor de situatie met een groot uitdampend oppervlak

Omdat over het gebruik van handschoenen tijdens het schoonmaken de getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn, wordt er van uitgegaan dat ook huidopname mogelijk is (vooral tijdens poetsen met doeken). Huidcontact tijdens poetsen levert enige bijdrage ten opzichte van inhalatie (zie § 7.2.6). Voor methyleenchloride bedraagt de berekende opname via direct huidcontact met de vloeistof circa 5% van de opname via inhalatie (bij momentane luchtconcentraties op het niveau van de MAC TGG 8 uur). Voor terpentine en petroleum bedraagt de bijdrage naar verwachting circa 2%.

De uitkomst van de berekende arbeidsbelasting uitgedrukt in MAC-jaren, waarbij rekening is gehouden met de ziektedagen van [appellant], is weergegeven in § 8.6 (voor terpentine en methyleenchloride gebruik makend van de toenmalige MAC-waarde en voor petroleum van de actuele waarde uit de Verenigde Staten). De totale blootstelling berekend over zijn arbeidsduur bij BASF, op basis van inhalatie en absorptie via de huid, zal naar alle waarschijnlijkheid niet hoger zijn geweest dan 0,8 tot 2,4 MAC-jaren (uitgaande van een groot dampend oppervlak) en meer waarschijnlijk niet hoger dan 0,5 tot 1,3 MAC-jaren (uitgaande van een middelgroot uitdampend oppervlak).

2. Vraag:

“Kunt u aangeven, of de feitelijke arbeidsbelasting die volgens de bovenstaande parameters is vastgesteld bij [appellant] schade kan hebben veroorzaakt?”

Antwoord:

“Volgens de criteria van het NCvB (hof: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten) wordt er momenteel van uitgegaan dat een blootstelling van minder dan 8 MAC-jaar (dit was eerder

5 MAC-jaar) niet de oorzaak kan zijn van cognitieve functiestoornissen en dus van CTE. De totale berekende blootstelling (zie onder bij het antwoord op vraag 1) is beperkt (waarschijnlijk niet hoger dan 0,5 tot 1,3 MAC-jaren) ten opzichte van de grens van 8 MAC-jaren die momenteel door het NCvB wordt gehanteerd.”

3. Vraag:

“Wat waren de tussen februari 1981 en maart 1991 geldende MAC-waarden en zijn deze in de periode dat [appellant] bij BASF werkzaam was gewijzigd?”

Antwoord:

“In hoofdstuk 5 (en in bijlage 2) zijn de MAC-waarden aangegeven. Deze zijn niet gewijzigd in de periode dat [appellant] bij BASF werkzaam was. Voor petroleum was er in de periode dat [appellant] bij BASF werkzaam was geen grenswaarde. Voor terpentine en methyleenchloride was er een MAC voor het tijdgewogen gemiddelde over 8 uur, maar niet voor het tijdgewogen gemiddelde over 15 minuten.”

4. Vraag:

“Wilt u de blootstellingsgegevens bezien in relatie tot de geldende MAC-waarden en aangeven of en zo ja, waar en voor hoe lang deze normen zijn overschreden?”

Antwoord:

“Op overschrijdingen van de MAC-waarden is in het antwoord op vraag 1 al ingegaan. Gedurende het werkverband van de heer [appellant] waren er géén geldende MAC-waarden voor kortdurende blootstelling. Er kon toen dus geen overschrijding van dergelijke grenswaarden optreden

Overschrijding van de toenmalige MAC-waarde TGG 8 uur is alleen berekend voor methyleenchloride in de periode 1981 tot 1982, uitgaande van een groot uitdampend oppervlak. Hoe vaak dit kan zijn opgetreden, kan niet worden aangegeven. Dit hangt af van de uitvoering van de werkzaamheden, welke dagelijks kon verschillen. Gezien de beschrijving van het werk is de verwachting dat de omstandigheden waarbij gesproken kan worden van ‘een groot uitdampend oppervlak’ zich niet vaak zullen hebben voorgedaan.”

5. Vraag:

“Welke andere feiten en/of omstandigheden die bij uw onderzoek zijn gebleken zijn verder van belang voor een goed begrip van de zaak?”

Antwoord:

“In § 8.6 zijn overwegingen aangegeven over de toegepaste methodiek. De methodiek leidt naar alle waarschijnlijkheid tot een voorzichtige inschatting van de totale blootstelling, dat wil zeggen tot een blootstelling die naar alle waarschijnlijkheid niet hoger is geweest dan de berekende waarde uitgedrukt in MAC-jaren, zoals aangegeven bij vraag 1.

[appellant] zal blootgesteld zijn aan piekconcentraties. Piekblootstellingen zijn in de berekening van de cumulatieve blootstelling van dhr. [appellant] proportioneel meegenomen. Zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven is het zeer aannemelijk dat (vooral tot 1982, maar ook tot 1986) tijdens het schoonmaken advieswaarden voor blootstelling als tijdgewogen gemiddelde over 15 minuten zijn overschreden.

Op basis van de SCOEL-rapporten voor terpentine en methyleenchloride is het aannemelijk dat bij de geschatte taakblootstelling nu en dan neurologische effecten zouden kunnen zijn opgetreden.

Hoewel er serieuze aanwijzingen zijn dat piekblootstelling meer dan proportioneel bijdraagt aan het ontstaan van CTE, kan dit nog steeds niet worden bewezen noch ontkend. De Gezondheidsraad meent dat piekblootstelling moet worden opgevat als een mogelijk belangrijke additionele vorm van blootstelling en dus dat reductie van die bron kan bijdragen aan vermindering van het risico op CTE.”

2.3

De eindconclusie van [appellant] bij zijn memorie na deskundigenbericht is de volgende:

“(…) Het is aannemelijk dat de advieswaarden voor piekbelasting voor blootstelling als tijd gewogen gemiddelde over 15 minuten zijn overschreden.

(…) Die overschrijding kan de CTE (hof: Chronische toxische encephalopathie) bij [appellant] hebben veroorzaakt.

(…) Het is aan BASF om aan te tonen dat de CTE bij [appellant] niet kan zijn veroorzaakt door de overschrijding van de advieswaarden voor piekbelasting als tijd gewogen gemiddelde over 15 minuten.”

2.4

Het hof verenigt zich met de inhoud van het deskundigenbericht en overweegt als volgt. BASF wijst er in haar antwoordmemorie terecht op dat de deskundige piekblootstellingen proportioneel heeft meegenomen in de berekening van de cumulatieve blootstelling van [appellant]. Volgens die berekening is de totale blootstelling naar alle waarschijnlijkheid niet hoger geweest dan 0,8 tot 2,4 MAC-jaren (uitgaande van een groot uitdampend oppervlak) en meer waarschijnlijk niet hoger dan 0,5 tot 1,3 MAC-jaren (uitgaande van een middelgroot uitdampend oppervlak). Voorts wordt er volgens de criteria van het NCvB momenteel van uitgegaan dat een blootstelling van 8 MAC-jaren (dit was eerder 5 MAC-jaren) niet de oorzaak kan zijn van cognitieve functiestoornissen en dus van CTE. De door de deskundige totale berekende blootstelling is beperkt (waarschijnlijk niet hoger dan 0,5 tot 1,3 MAC-jaren) ten opzichte van de hiervoor genoemde grens van 8 MAC-jaren. Hoewel er serieuze aanwijzingen zijn dat piekblootstelling meer dan proportioneel bijdraagt aan het ontstaan van CTE, kan dit nog steeds niet worden bewezen noch ontkend. Dat [appellant] last heeft gehad van acute intoxicatieverschijnselen, heeft hij niet gesteld en is ook niet gebleken.

2.5

Het voorgaande - met inbegrip van de overwegingen van het hof in de in deze zaak gewezen tussenarresten - betekent dat de door [appellant] tegen het bestreden vonnis van

13 januari 2005 aangevoerde grieven niet tot vernietiging van dat vonnis kunnen leiden.

3 Slotsom

3.1

Nu de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden, moet dat vonnis worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van BASF zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 244,-

- getuigentaxen € 25,-

subtotaal verschotten € 269,-

- salaris advocaat € 2.582,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 2.851,-.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, (toen) locatie Terborg) van 13 januari 2005;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot heden aan de zijde van BASF begroot op

€ 269,- aan verschotten en € 2.582,- aan salaris volgens het liquidatietarief;

bepaalt dat de kosten van het deskundigenbericht, die zijn vastgesteld op € 13.068,- inclusief BTW, voor rekening van [appellant] komen;

verklaart dit arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.