Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
200.127.836-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na onttrekking advocaat arrest gevraagd bij vervroeging. De gevolgen van een tussentijdse onttrekking van de advocaat zijn in de wet niet met zoveel woorden geregeld en art. 6.4 van het Landelijke Procesreglement vult niet alle lacunes op. Appellante is in dit geval niet op de hoogte van de vervroeging, zodat de zaak terug wordt verwezen naar de rol, ambtshalve peremptoir.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.836/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/341895 / KL ZA 13-141)

arrest van de eerste kamer van 7 oktober 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: voorheen mr. B.Y. Pije, kantoorhoudend te Amsterdam, die zich heeft onttrokken,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

kantoorhoudend te [woonplaats],

hierna: de notaris,

advocaat: mr. L.A.L. Westerwoudt, kantoorhoudend te Amsterdam,

2. ABN Amro Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: de bank,

advocaat: mr. L.A.L. Westerwoudt, kantoorhoudend te Amsterdam,

3. [geïntimeerde 2] in haar hoedanigheid van executeur met afwikkelingsbewind,

wonende te [woonplaats],

hierna: de executeur,

advocaat: mr. J.M. Stevers, kantoorhoudend te Leiden,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in twee kort geding vonnissen, beide gedateerd op 12 april 2013, gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter). In het eerste vonnis van genoemde datum (van twee pagina's) is de beslissing gegeven, waarbij is aangetekend dat de nadere schriftelijke uitwerking zal volgen op 22 april 2013. Het tweede vonnis van 12 april 2013 beslaat zes pagina's en sluit af met hetzelfde dictum als het verkorte vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 13 mei 2013 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het (tweede) vonnis van 12 april 2013, met dagvaarding van geïntimeerden tegen de zitting van

4 juni 2013. De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"(...) het vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van (...) 12 april 2013 (...) te vernietigen en opnieuw bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover mogelijk volgens de wet, geïntimeerden alsnog in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hen, de vordering te ontzeggen, alles met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties."

2.2

Op de rol van 23 juli 2013 heeft de rolraadsheer beslist dat de "Incidentele memorie houdende verzoek tot nietigverklaring van de dagvaarding" zijdens de executeur wordt geweigerd. Op deze memorie, die zich wel in het gefourneerde dossier bevindt, zal het hof dan ook geen acht slaan.

2.3

Aan [appellante] is op de rol van 20 augustus 2013 vier weken uitstel verleend voor de memorie van grieven, waartoe de zaak is verwezen naar de rol van 17 september 2013.

2.4

Op de rol van 17 september 2013 heeft de eerste advocaat van [appellante], mr. R.G.E. de Vries, kantoorhoudend te Diemen, zich onttrokken en heeft mr. Pije zich gesteld voor [appellante]. Voor het nemen van de memorie van grieven is de zaak aangehouden tot 15 oktober 2013.

2.5

[appellante] heeft niet van grieven gediend op de rol van 15 oktober 2013. Vervolgens is de zaak 53 weken aangehouden voor het nemen van de memorie van grieven tot

21 oktober 2014, ambtshalve peremptoir.

2.6

De zaak is door de notaris en de bank in verband met een partij-peremptoirstelling vervroegd naar de rol van 25 februari 2014. Gebleken is, dat de notaris en de bank de peremptoirstelling abusievelijk aan mr. R.G.E. de Vries hebben uitgebracht in plaats van aan mr. Pije, zodat de peremptoirstelling geen effect heeft gesorteerd.

2.7

Ter rolle van 25 februari 2014 heeft mr. Pije aangegeven zich te willen onttrekken aan de zaak, in welk verband hij zes weken uitstel heeft gevraagd voor het dienen van grieven en het opnieuw stellen van een advocaat door [appellante]. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 8 april 2014.

2.8

Op laatstgenoemde roldatum heeft mr. Pije zich onttrokken aan de zaak en zijn cliënte schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. Er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [appellante]. Bijgevolg is de memorie van grieven niet genomen. De zaak is verwezen naar de rol van 22 april 2014 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [appellante].

2.9

Ter rolle van 22 april 2014 heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [appellante], waarna de zaak opnieuw verwezen is naar de rol van 22 oktober 2014, ambtshalve peremptoir.

2.10

Bij vervroeging hebben de notaris en de bank op de rol van 9 september 2014 de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Op laatstgenoemde roldatum heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [appellante].

3 De beoordeling

3.1

In art. 251 Rv is bepaald dat indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum bepaalt waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten, of om vonnis te vragen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een roldatum bepalen.

3.2

De notaris en de bank hebben arrest gevraagd, kennelijk met het oog op art. 6.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr). Die bepaling houdt in - voor zover hier relevant en gelezen in samenhang met art. 6.2 Lpr - dat, indien zich op de roldatum twee weken na de onttrekking geen nieuwe advocaat stelt, het recht van die partij vervalt om de proceshandeling waarvoor zij staat, te verrichten.

De wederpartij kan alsdan verzoeken arrest te wijzen.

3.3

In de arresten van 29 november 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6258) en 6 december 2011 (ECLI:NL:GHARN:2011:BU7104) hebben de voormalige gerechtshoven te Leeuwarden respectievelijk Arnhem gewezen op de spanning tussen het bepaalde in de artikelen 251 Rv en 6.4 Lpr. Kort gezegd komt het er op neer dat de gevolgen van een tussentijdse onttrekking van de advocaat in de wet niet met zoveel woorden zijn geregeld en dat art. 6.4 Lpr niet alle lacunes opvult.

3.4

In de onderhavige zaak heeft [appellante] nog niet van grieven gediend. Strikte toepassing van art. 6.4 Lpr dient naar 's hofs oordeel in dit geval achterwege te blijven vanwege de verstrekkende gevolgen voor [appellante], aangezien zulks zou leiden tot verwerping van het hoger beroep van [appellante] op de grond dat [appellante] haar recht heeft verspeeld om van grieven te dienen. [appellante] stond op de rol van 9 september 2014 niet ambtshalve peremptoir, noch is door de notaris en/of de bank en/of de executeur partij-peremptoir aangezegd, zodat uit niets blijkt dat [appellante] van die roldatum op de hoogte was.

3.5

Het hof zal de zaak daarom aanhouden en opnieuw verwijzen naar de rol van 21 oktober 2014, ambtshalve peremptoir. Indien niet voordien na (partij-)peremptoir aanzegging akte niet dienen is verleend, kunnen geïntimeerden op genoemde roldatum verval van instantie, een laatste uitstel of arrest vragen op de wijze als bepaald in art. 251 Rv.

3.6

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 oktober 2014 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [appellante] en voor het nemen van de memorie van grieven door [appellante], ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 7 oktober 2014.