Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7580

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
200.140.966-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaarbaarheidstoets; zorgkorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.966/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/127332 FA RK 13-908)

beschikking van de familiekamer van 30 september 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Hofstra, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J. de Boer, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 24 januari 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht met bijlagen van mr. Hofstra van 6 maart 2014, ingekomen op 7 maart 2014;

- een journaalbericht met bijlagen van mr. De Boer van 24 juli 2014, ingekomen op 25 juli 2014;

- een journaalbericht met bijlage van mr. De Boer van 8 augustus 2014, ingekomen op 11 augustus 2014;

- een journaalbericht met bijlagen van mr. Hofstra van 12 augustus 2014, ingekomen op dezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw hebben tot januari 2013 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [in] 2012 de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift van 27 mei 2013 heeft de vrouw - voor zover hier van belang - de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met een bedrag van € 500,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De man heeft zich daartegen verweerd.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat de man met ingang van 27 mei 2013 een bedrag van € 113,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige].

3.4

Bij beroepschrift heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beslissende te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van 27 mei 2013 een bedrag van € 281,- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3.5

Bij verweerschrift heeft de man verzocht het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren c.q. dit af te wijzen.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en verzocht de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen door het beroep op de aanvaardbaarheidstoets alsnog te honoreren en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding alsnog op nihil te stellen, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag te stellen.

3.6

Bij verweerschrift heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en wel op de volgende punten:

- de behoefte van [minderjarige];

- de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen;

- de aanvaardbaarheidstoets;

- de zorgkorting.

4.2

Niet in geschil is dat als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 27 mei 2013 dient te worden gehanteerd. Tevens is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw op € 25,- per maand dient te worden gesteld.

5 De motivering van de beslissing

De behoefte van [minderjarige]

5.1

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van hun samenwoning.

5.2

Niet in geschil is dat de vrouw in de laatste periode van de samenwoning geen inkomsten genereerde. Voor de bepaling van het netto gezinsinkomen is derhalve alleen het inkomen van de man van belang. Nu partijen in januari 2013 uit elkaar zijn gegaan, zal het hof - evenals de vrouw - uitgaan van het inkomen van de man zoals blijkt uit zijn jaaropgaaf over 2012 inzake [bedrijf]. Uit deze jaaropgaaf blijkt dat de man over de periode van 1 april 2012 tot 1 januari 2013 een bedrag van € 17.132,- bruto heeft gegenereerd. Geëxtrapoleerd naar een jaar bedroeg zijn inkomen (€ 17.132,- / 9,16 maanden (9 maanden + 0,16 maanden wegens ontvangen vakantiegeld over de maanden april en mei van 2012) x 12 maanden = afgerond) € 22.444,- bruto per jaar, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld ten bedrage van € 1.795,-, derhalve in totaal € 24.239,- bruto per jaar.

5.3

Het hof zal tevens rekening houden met een bedrag van € 2.400,- per jaar aan netto inkomsten, nu vast staat dat tegenover de reiskostenvergoeding die de man ontvangt geen reële kosten woon-werkverkeer staan.

5.4

Ter zitting is naar voren gekomen dat de man een bedrag van € 525,- aan 'zwarte inkomsten' heeft gegenereerd in verband met werkzaamheden die hij, zoals hij heeft gesteld, enkele keren in het weekend heeft verricht. Het hof ziet geen aanleiding om bij de bepaling van de behoefte rekening te houden met 'zwarte' inkomsten, nu de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat de man ten tijde van hun relatie nooit in het weekend werkte.

5.5

Op grond van het voorgaande berekent het hof het netto inkomen van de man in de laatste periode van de samenwoning op € 1.692,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening. Het hof merkt op dat daarbij rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

5.6

Aangezien ter zitting naar voren is gekomen dat partijen in de laatste periode van de samenwoning het maximale bedrag aan kindgebonden budget ontvingen, zal het hof rekening houden met een kindgebonden budget van € 1.017,- per jaar, ofwel afgerond € 85,- per maand.

5.7

Het voorgaande betekent dat het netto gezinsinkomen van de man en de vrouw in de laatste periode van de samenwoning in totaal (€ 1.692,- + € 85,- =) € 1.777,- per maand bedroeg.

5.8

Aangezien [minderjarige] in de laatste periode van de relatie 0 jaar oud was, levert dit volgens de CBS-Nibudtabel (2012, tweede helft) 4 kinderbijslagpunten op. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 1.777,- en 4 kinderbijslagpunten, bedragen de kosten van [minderjarige] op grond van het voormelde rekenmodel afgerond € 244,- per maand. Geïndexeerd naar 2013 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 248,15 per maand.

5.9

Op het aldus gevonden (geïndexeerd) tabelbedrag van € 248,15 per kind per maand dient in mindering te worden gebracht het bedrag aan kindgebonden budget waarop de vrouw thans recht heeft. Aangezien niet in geschil is dat de vrouw thans € 84,- per maand aan kindgebonden budget ontvangt, zal het hof van dit bedrag uitgaan.

Het voorgaande betekent dat de behoefte van [minderjarige] kan worden gesteld op (€ 248,15,- -
€ 84,- = ) afgerond € 164,- per maand.

De draagkracht van de man

* het inkomen

5.10

Uitgangspunt in de nieuwe richtlijn is dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige.

5.11

Het bedrag aan draagkracht van de man wordt in deze vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Daarbij houdt het hof rekening met het huidige NBI (netto besteedbaar inkomen) van de man. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.12

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

5.13

Nu als ingangsdatum 27 mei 2013 wordt gehanteerd, zal het hof uitgaan van het inkomen van de man zoals blijkt uit de jaaropgaaf over 2013, te weten € 22.254,- bruto. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om met een hoger bedrag aan inkomsten rekening te houden. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man, die bij het bedrijf van zijn vader werkzaam is, met zijn vader heeft afgesproken het bruto salaris van de man in 2013 naar beneden te brengen om de kinderalimentatie zo laag mogelijk te houden, is het hof van oordeel dat zij haar stelling, in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat het hof het inkomen van de man over 2012 op een lager bedrag - te weten € 24.239,- - heeft berekend dan de vrouw, zodat het verschil tussen het inkomen van de man over 2012 en 2013 minder groot is dan waarvan de vrouw is uitgegaan. Daarbij komt dat het bruto inkomen van de man over 2013 (deels) lager is dan over 2012 als gevolg van de omstandigheid dat de werkgeversbijdrage premie Zorgverzekeringswet per 1 januari 2013 is vervallen. De man heeft ter zitting nog gesteld dat hij 36 in plaats van 38 uur per week is gaan werken, omdat er minder werkzaamheden waren te verrichten, welke stelling de vrouw heeft betwist. Wat hier verder ook van zij, het hof ziet hierin geen aanleiding rekening te houden met een hoger inkomen, nu er - mede in het licht van het voorgaande - geen sprake is van een substantieel lager inkomen van de man over 2013 ten opzichte van 2012.

5.14

Tevens zal het hof rekening houden met een bedrag van € 2.400,- per jaar aan netto inkomsten, nu vast staat -zoals ook overwogen onder 5.3- dat tegenover de reiskostenvergoeding die de man ontvangt geen reële kosten woon-werkverkeer staan.

5.15

Het hof berekent het netto inkomen van de man op € 1.667,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met onder meer de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.

5.16

Het hof berekent de draagkracht van de man op 70% [€ 1.667,- - (0,3 x € 1.667,- + 850)], ofwel afgerond € 222,- per maand. Inclusief fiscaal voordeel heeft de man een bedrag van (€ 222,- + € 41,- =) € 263,- per maand beschikbaar.

De aanvaardbaarheidstoets

5.17

De man is van mening dat in het kader van de aanvaardbaarheidstoets rekening dient te worden gehouden met de aflossingen van de man op een lening aan [dochteronderneming], een dochteronderneming van de onderneming waarvan zijn vader enig aandeelhouder is. Deze lening zou betrekking hebben op verbouwingswerkzaamheden (badkamer, riolering) in de echtelijke woning van partijen, uitgevoerd door vermelde B.V. in oktober 2012.

De vrouw heeft betwist dat sprake is van een lening. Zij heeft ter zitting verklaard dat partijen, tot hun beider verrassing en schrik, in december 2012 terzake deze werkzaamheden een rekening ontvingen. Daarop heeft de man zijn vader opgebeld met de vraag/mededeling dat er “toch” sprake was van een schenking, waarop de vader heeft geantwoord dat de rekening enkel is toegestuurd wegens fiscale redenen, aldus de vrouw.

De man heeft het voorgaande niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken, zodat het hof op dit punt van de juistheid van de stellingen van de vrouw uitgaat. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij een aantal schenkingen van zijn vader heeft ontvangen, te weten in een jaar tijd in totaal € 2.500,-. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de betaling van de lasten inzake de gestelde lening bij de bepaling van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van [minderjarige] buiten beschouwing moet worden gelaten. Overige extra lasten die aanleiding zouden kunnen geven tot toepassing van de aanvaardbaarheidstoets zijn gesteld noch gebleken, zodat het daartoe strekkend verzoek moet worden afgewezen.

Conclusie

5.18

Het hof zal bij de bepaling van het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] tevens rekening houden met het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen van € 41,- per maand, waarop de man aanspraak kan maken. Aangezien deze persoonsgebonden aftrekpost - naar verwachting per 1 januari 2015 - waarschijnlijk zal komen te vervallen, zal het hof eveneens het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen berekenen zonder rekening te houden met het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen.

5.19

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 222,- per maand zonder fiscaal voordeel en € 263,- per maand inclusief fiscaal voordeel. De vrouw heeft een draagkracht van € 25,- per maand.

5.20

Aangezien de totale draagkracht van de vrouw en de man groter is dan de behoefte van [minderjarige] (€ 164,- per maand) zal het hof het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking.

5.21

Indien rekening wordt gehouden met het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen, wordt de verdeling van de kosten over beide ouders berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 288,- x € 164,- = afgerond € 14,-

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 263,- / € 288,- x € 164,- = afgerond € 150,-

samen € 164,-.

5.22

Derhalve komt van de behoefte van [minderjarige] € 14,- per maand voor rekening van de vrouw, en € 150,- per maand voor rekening van de man.

5.23

Indien geen rekening wordt gehouden met het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen, wordt de verdeling van de kosten over beide ouders als volgt berekend:

ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 247,- x € 164,- = afgerond € 17,-

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 222,- / € 247,- x € 164,- = afgerond € 147,-

samen € 164,-.

5.24

Derhalve komt van de behoefte van [minderjarige] € 17,- per maand voor rekening van de vrouw, en € 147,- per maand voor rekening van de man.

5.25

Ten aanzien van de zorgkorting overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat de kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind zijn hoofdverblijf niet heeft. De zorgkosten worden uitgedrukt in een percentage van de behoefte. De zorgkorting bedraagt ten minste 15 % van de behoefte, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. Maken de ouders andere afspraken over de kosten- en zorgverdeling, dan kunnen zij een ander percentage hanteren. Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

5.26

Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geen zorgkorting van 15 % dient te worden toegepast. Het enkele feit dat er thans geen omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsvindt, is daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van het hof valt niet uit te sluiten dat omgang tussen hen in de toekomst (weer) zal worden opgestart. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij de bestreden beschikking de beslissing is aangehouden ten aanzien van - onder meer - de omgang tussen de man en [minderjarige]. De rechtbank heeft de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar - onder meer - de mogelijkheden om een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige]. Uit de stukken komt naar voren dat de raad inmiddels heeft geadviseerd de ouders te verwijzen naar het Omgangscentrum voor bemiddelingsgesprekken en de behandeling ten aanzien van de omgang aan te houden voor een periode van zes maanden. De omstandigheid dat het traject inmiddels is afgebroken doet aan het voorgaande niet af. Dit te minder nu ter zitting naar voren is gekomen dat het de vrouw is geweest die niet meer wilde meewerken aan de bemiddelingsgesprekken. Dat de aanleiding daarvan voor de vrouw een arbeidsrechtelijk conflict tussen haar vader en de vader van de man is geweest, maakt dat niet anders, nu op haar een inspanningsplicht rust om omgang tussen [minderjarige] en de man te bewerkstelligen. Gelet op het voorgaande zal het hof een zorgkorting van 15 % in aanmerking nemen.

5.27

Nu de behoefte € 164,- bedraagt, beloopt de zorgkorting (afgerond) € 25,-. Dit bedrag wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige], omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.

5.28

Het voorgaande betekent dat de man (rekening houdend met fiscaal voordeel) over de periode van 27 mei 2013 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 125,- per maand (€ 150,- -
€ 25,-) dient te betalen als bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en over de periode vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 122,- per maand (€ 147,- - € 25,-).

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient de bestreden beschikking te worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 27 mei 2013 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 125,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 januari 2015 een bedrag van
€ 122,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, voorzitter, mr. W. Foppen en
mr. D. van Emden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 september 2014 in het bijzijn van de griffier.