Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:757

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
200.119.282-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lening door vader aan dochter en schoondochter. Na beëindiging van het huwelijk van laatstgenoemde wil vader het geleende bedrag terugvorderen. Bewijsproblemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.119.282/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 86821 / HA ZA 11-0364)

arrest van de tweede kamer van 4 februari 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J.L.M. Johannink, kantoorhoudend te Coevorden, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
27 juli 2011, 14 maart 2012, 4 juli 2012 en 26 september 2012 van de rechtbank Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 december 2012 hersteld bij exploit van
19 december 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord tevens principaal verweer inzake niet-ontvankelijkheid,
tevens wijziging van eis (met producties),

- de akte houdende uitlating in principaal appel, alsmede memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties),

- een antwoordakte,

- de comparitie waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd (deze zijn gehecht aan het proces-verbaal).

2.2

Na afloop van de comparitie hebben beide partijen afgezien van nadere memories en hebben zij het hof verzocht arrest te wijzen op basis van het voor de comparitie overgelegde procesdossier.

2.3

Ten slotte heeft het hof arrest bepaald.

2.4

De vordering van [appellante] luidt:

"te vernietigen de vonnissen d.d. 14 maart 2012, 4 juli 2012 en 26 september 2012 door de rechtbank te Assen gewezen en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] in zijn vorderingen
niet-ontvankelijk te verklaren met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties."

2.5

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, al dan niet met verbetering van de gronden die de rechtbank Assen daartoe heeft gebezigd in de vonnissen van 14 maart, 4 juli en
26 september 2012:

[appellante], appellante, te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van € 80.735,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te berekenen met ingang van 11 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van [appellante] in de kosten van dit hoger beroep, en met het voor het overige in stand houden van de vonnissen van de rechtbank Assen d.d. 14 maart, 4 juli en 26 september 2012 voor zover:

a. het G.[geïntimeerde], gedaagde 1 in eerste aanleg betreft, en

b. het de kostenveroordeling en de veroordeling tot betaling van de beslagkosten betreft, waarbij ten aanzien van dit alles heeft te gelden, dat voor zover G.[geïntimeerde] heeft betaald met betrekking tot hetgeen G.[geïntimeerde] en [appellante] als hoofdelijke schuldenaren verschuldigd zijn, [appellante] bevrijd is."

3 Feiten

3.1

Tussen partijen staat, als gesteld en niet dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast.

3.2

[dochter van geïntimeerde](hierna: [dochter van geïntimeerde]) is de dochter van [geïntimeerde]. Zij heeft vanaf augustus 1984 samengewoond met [appellante]. Van 7 juli 2007 tot 6 december 2010 waren [appellante] en [dochter van geïntimeerde] gehuwd.

3.3

[appellante] en [dochter van geïntimeerde] verkregen in 2001 de eigendom van een woning met ondergrond aan [adres] te [woonplaats] voor fl. 440.000,- (hierna: de woning). In 2002 hebben zij een aansluitend stuk grond gekocht voor een koopprijs van fl. 35.000,-. De totale koopprijs bedroeg derhalve fl. 475.000,- (€ 215.545,60).

3.4

In 2010 eindigde het huwelijk van [appellante] en [dochter van geïntimeerde]. Hun samenwoning eindigde op 28 maart 2010. [appellante] bewoonde vanaf dat moment de woning alleen.

3.5

De woning is door [appellante] en [dochter van geïntimeerde] verbouwd. Zij hebben daartoe een bedrag geleend van € 45.000,- in de vorm van een verhoging van de lening voor welke de woning als hypothecaire zekerheid diende.

3.6

Op 19 februari 2008 is de woning met bijbehorende grond getaxeerd door makelaar [makelaar]. Opdracht tot deze taxatie is verstrekt door de Rabobank Emmen in opdracht van [appellante]. Het doel van de taxatie was het verkrijgen van inzicht in de waarde van de woning met grond ter verkrijging van een (hypothecaire) geldlening. De waarde van de woning met grond is door [makelaar] getaxeerd op:
- een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 260.000;
- een executiewaarde vrij van huur en gebruik van € 227.500,-
- een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik na verbouw van € 345.000,-.

3.7

[geïntimeerde] heeft op 13 mei 2011 conservatoir beslag doen leggen op de woning tot zekerheid van betaling van zijn in deze procedure geldend te maken vordering. De woning is op 22 februari 2012 verkocht aan derden en op 20 juni 2012 aan hen geleverd. Onder de notaris is, na aftrek van de kosten, ter verdeling een depotbedrag inzake de verkoopopbrengst betaald van € 104.565,26.

3.8

In een onderhandse akte, gedateerd 8 juli 2011, verklaart [dochter van geïntimeerde] onder meer:

“Vervolgens hebben wij een architect ingeschakeld, deze kwam met een oplossing waarbij het voorhuis alleen van nieuwe dakpannen zou worden voorzien, en het achterhuis inclusief entree, compleet nieuw gebouwd zou worden.

Voor bovenstaande oplossing waren er geen voldoende financiële middelen. Bovendien bleek dat de vloeren van de begane grond van het voorhuis niet meer goed waren en het dak verrot en daarom deze ook vernieuwd moesten worden. Daarnaast hadden wij betaalde hulp, wat voorheen niet meegerekend was.

Na overleg met mevrouw [appellante] en mijzelf hebben wij mijn vader [geïntimeerde] gevraagd om zowel financieel alsook met mankracht bij te springen. Onder afspraak van duidelijke voorwaarden, waaronder het flink sparen en terugbetaling bij tussentijdse verkoop of bij uitkering van overlijdensverzekering, in het bijzijn van mevrouw [appellante], ikzelf en mijn vader, is mijn vader akkoord gegaan. Tussentijds is regelmatig stand van de schuld doorgegeven.

Er is nooit twijfel geweest over de intentie van mijn vader. Er is altijd overleg geweest met mevrouw [appellante] en zij was dan ook te allen tijde volledig op de hoogte van zowel de bouwwerkzaamheden/kosten als de financiële situatie.”

3.9

Na het tussen partijen in eerste aanleg gewezen vonnis (zie onder 4.2.) heeft
[dochter van geïntimeerde] een bedrag van € 42.644,52 aan [geïntimeerde] voldaan ter voldoening van het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag. Ter comparitie heeft [geïntimeerde] verduidelijkt dat dit bedrag is voldaan vanuit het depot bij de notaris.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] - verkort weergegeven - veroordeling des de een betalende de ander zal zijn gekweten van [appellante] en [dochter van geïntimeerde] betaling van een bedrag van € 80.735,-, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf
1 mei 2011 alsmede veroordeling van [appellante] en [dochter van geïntimeerde] in de proceskosten en de beslagkosten. [geïntimeerde] baseert zijn vordering primair op een tussen hem enerzijds en [appellante] en [dochter van geïntimeerde] anderzijds bestaande geldlening en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

4.2

In haar eindvonnis van 26 september 2012 heeft de rechtbank [dochter van geïntimeerde] en [appellante] veroordeeld hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 80.735,- vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). Verder heeft de rechtbank [dochter van geïntimeerde] en [appellante] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten (€ 3.102,81) en de beslagkosten (€ 1.451,02).

5 Ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1

[geïntimeerde] beroept zich erop dat [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk is. Daartoe voert hij het volgende aan.

5.2

[appellante] en [dochter van geïntimeerde] zijn hoofdelijke (mede)schuldenaren zodat tussen hen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Omdat [appellante] heeft nagelaten [dochter van geïntimeerde] in het hoger beroep “op te roepen” kan het hof niet over het hoger beroep (door uitsluitend [appellante]) oordelen, aldus [geïntimeerde].

5.3

Het hof oordeelt dienaangaande als volgt. Nog afgezien van de omstandigheid dat de grieven in het principaal appel, gezien hun ruime strekking, mede gericht zijn tegen de hoofdelijkheid van de vordering leidt de vordering jegens hoofdelijke medeschuldenaren van een geldvordering niet tot “processuele ondeelbaarheid”.

5.4

Kennelijk bedoelt [geïntimeerde] dat bij hoofdelijke medeschuldenaren die als gedaagden betrokken zijn in een procedure verweren en stellingen van of oordelen betreffende de ene gedaagde (schuldenaar) tevens de andere (gedaagde) schuldenaar zouden binden. Dit standpunt is onjuist. De materieelrechtelijke posities van hoofdelijke medeschuldenaren zullen vaak nauw verband houden. In een procedure zijn zij echter zelfstandige procespartijen die ieder in een eigen procesrechtelijke verhouding jegens de (schuld)eiser staan. Dat hun zaken gevoegd worden behandeld en/of in één uitspraak worden afgedaan doet daaraan niet af. De schuldenaren kunnen ieder hun eigen verweren voeren en stellingen aanvoeren op basis waarvan de tegen ieder van hen geldend gemaakte vordering beoordeeld wordt. Denkbaar is zelfs dat dit leidt tot verschillende uitspraken jegens ieder van hen.

5.5

Daaruit vloeit voort dat ieder van gedaagden onafhankelijk van haar medegedaagde zelfstandig in hoger beroep kan komen. [appellante] miste bovendien, anders dan [geïntimeerde] aanvoert, naar geldend appelrecht zelfs de mogelijkheid [dochter van geïntimeerde], die in de procedure in eerste aanleg haar medegedaagde was, in hoger beroep te dagvaarden.

5.6

[appellante] zal derhalve worden ontvangen in het hoger beroep.

6 Eiswijziging

6.1

In hoger beroep wijzigt [geïntimeerde] zijn vordering. Hij vordert thans uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van uitsluitend [appellante] tot betaling van € 80.735,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2012 en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en beslagkosten.

6.2

[appellante] heeft bezwaar tegen de uitvoerbaar verklaring bij voorraad. De door haar aangevoerde argumenten kunnen, nu het uitsluitend gaat om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring door het hof van zijn in deze zaak te geven beslissing, eventueel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde] maar staan aan de eiswijziging niet in de weg. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis nu het ook anderszins geen redenen heeft om op grond van een goede procesorde de wijziging van eis te weigeren.

7 De grieven

7.1

In het principaal appel heeft [appellante] zeven grieven naar voren gebracht die er alle toe strekken dat de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte is toegewezen. De grieven in hun onderlinge samenhang gelezen, leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Zij lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.

7.2

De overeenkomst van geldlening

7.2.1

Ter onderbouwing van een overeenkomst van geldlening stelt [geïntimeerde] het volgende.

  1. [geïntimeerde] zou zijn dochter en [appellante] op voorwaarde van terugbetaling helpen. Volgens [geïntimeerde] gingen zijn dochter en [appellante] daarmee “akkoord”. Volgens [geïntimeerde] deelde hij “geregeld” mee hoeveel geld er ten behoeve van zijn dochter en [appellante] was uitgegeven (inleidende dagvaarding onder 4 en 5).

  2. Ter comparitie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] verklaard (zie proces-verbaal), dat hij niet meer weet wanneer de overeenkomst van geldlening is gesloten, en verder:

    “Het ging als volgt. Mijn dochter en haar toenmalige echtgenote hadden een woning gekocht, die zou worden verbouwd. Ze hadden alleen geen geld. Zij kwamen bij mij en vroegen om hulp. Ik wou wel helpen, maar onder uitdrukkelijke voorwaarden. Ik heb daarom gezegd dat zij flink moeten sparen en hun schuld aan mij bij tussentijdse verkoop moeten terugbetalen. Ook heb ik besproken dat als ik dood ga het geld moet worden verrekend met de erfenis.
    Ik heb nooit gesproken over een concreet bedrag. Mijn dochter en haar toenmalige echtgenote kwamen steeds bij mij als zij facturen hadden die moesten worden betaald. Ik gaf dan contant geld. Ik noteerde in mijn agenda wat ik betaalde. Dat overzicht van betalingen dat als productie 7 is gehecht aan de brief van mijn advocaat van 26 oktober 2011 is aan de hand van mijn agenda opgesteld.”

  3. In zijn memorie van grieven stelt [geïntimeerde] onder 3.5.) voorts:

    “Een en ander resulteerde in een mondelinge overeenkomst van geldlening (wellicht in meerdere mondelinge afzonderlijke overeenkomsten van geldlening, namelijk per het geval dat gedaagde weer om geld vroegen). De afspraak was, dat het niet zou gaan om een schenking, maar om een door gedaagden aan [geïntimeerde] terug te betalen bedrag.
    Terugbetaling zou moeten plaatsvinden bij verkoop c.q. levering door gedaagden van de woning, dan wel in geval [geïntimeerde] zou overlijden door middel van verrekening met hetgeen gedaagden zouden verkrijgen uit de nalatenschap van [geïntimeerde].”

7.2.2

[appellante] heeft gemotiveerd weersproken dat tussen [geïntimeerde] en haar afspraken zijn gemaakt aangaande een geldlening. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

7.2.3

De stellingen van [geïntimeerde] komen erop neer dat voorafgaande aan daadwerkelijke betaling(en) een afspraak tussen partijen is gemaakt dat [geïntimeerde] door zijn dochter en [appellante] te maken kosten zou betalen dan wel daartoe geld ter beschikking zou stellen onder de voorwaarde dat dit geld aan [geïntimeerde] zou worden terugbetaald bij verkoop van de woning. Op grond van die afspraak konden [dochter van geïntimeerde] en [appellante] vervolgens in voorkomend geval bij [geïntimeerde] betaling van concrete kosten ontvangen, volgens [geïntimeerde] in het totaal een bedrag van € 80.735,-.

7.2.4

Nu [geïntimeerde] op die stellingen zijn vorderingen baseert, rust op hem de bewijslast daarvan. De omstandigheid dat het rechtstreekse bewijs van de betalingen moeilijk zal zijn is onvoldoende voor een omkering van die bewijslast. Of, en zo ja in hoeverre, door [dochter van geïntimeerde] en [appellante] geleende bedragen ontoereikend waren om de kosten van de verbouwing te voldoen, kan een aanwijzing vormen voor de omstandigheid dat zij op andere wijze geld moesten verkrijgen. Het is echter onvoldoende bewijs van de stelling dat [geïntimeerde] geld aan hen heeft geleend.

7.2.5

[geïntimeerde] zal derhalve dienen te bewijzen dat door hem met [appellante] een voorafgaande terugbetalingsafspraak is gemaakt. Een dergelijke afspraak met alleen
[dochter van geïntimeerde] is daartoe onvoldoende, nu daaruit niet volgt dat ook [appellante] tegenover [geïntimeerde] gebonden is door die afspraak. Gesteld noch gebleken is dat het hier gaat om de voldoening van een verbintenis aangegaan voor de gewone gang van de huishouding (art. 1:85 BW).

7.2.6

Het enkele bewijs van die voorafgaande afspraak is echter onvoldoende. Daarnaast zal [geïntimeerde] per door hem verrichte betaling (volgens zijn specificatie in productie 7 bij comparitie in eerste aanleg) moeten bewijzen dat deze, zoals [geïntimeerde] stelt maar [appellante] weerspreekt, met instemming van [appellante] is verricht.

7.2.7

Dit geldt te meer daar de genoemde specificatie slechts ten dele steun vindt in de onderhandse verklaring van [dochter van geïntimeerde] (zie onder 3.8.). Zij verklaart immers dat er een nieuw dak en vloeren van het voorhuis nodig waren, alsmede een complete vernieuwing van het achterhuis inclusief entree en dat voor die oplossing geen voldoende financiële middelen voorhanden waren. In de specificatie worden echter ook een keuken, kachels, graszoden, terraszand en een grasmaaier genoemd. Zonder nadere verklaring, welke ontbreekt, is de specificatie niet te herleiden tot de omvang van de afspraak zoals
[dochter van geïntimeerde] die omschrijft.

7.2.8

Voor wat betreft de door hem te geven onderbouwing is [geïntimeerde] tot dusver weinig helder geweest. Een voldoende concreet bewijsaanbod ontbreekt. [geïntimeerde] heeft weliswaar in de inleidende dagvaarding (onder 17) en in de memorie van grieven onder 13 bewijs aangeboden maar dit aanbod mist concretisering aangaande de feiten waarop zij betrekking heeft. [geïntimeerde] heeft vooral aandacht besteed aan zijn standpunt dat de bewijslast op [appellante] zou rusten. Nu het hof dat standpunt heeft verworpen, resteert de vraag of [geïntimeerde] een gespecificeerd en geconcretiseerd bewijsaanbod heeft gedaan. Het hof beantwoord die vraag in de licht van de daarvoor in ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005, 270 gegeven norm ontkennend. Op grond van het vorenstaande slagen de grieven.

7.3

Ongerechtvaardigde verrijking

7.3.1

[geïntimeerde] baseert zijn vordering subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking. Die grondslag wordt genoemd (dagvaarding in eerste aanleg onder 16) en in hoger beroep (memorie van antwoord onder 3.7) en ter comparitie (pleitaantekeningen onder 2.1. en 2.2) herhaald. De onderbouwing van de grondslag is echter zeer summier. In het bijzonder voor de ongerechtvaardigdheid van de gestelde verrijking ontbreekt een deugdelijke onderbouwing, terwijl [appellante] mede tegen die ongerechtvaardigdheid gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

7.3.2

[geïntimeerde] stelt zelf dat hij de door hem genoemde bedragen vrijwillig en bewust heeft besteed aan de woning. Indien een geldlening niet komt vast te staan (en slechts dan komt de ongerechtvaardigde verrijking als grondslag aan de orde), valt zonder nadere toelichting welke ontbreekt niet in te zien waarom de verrijking ongerechtvaardigd zou zijn.

8 Slotsom

Nu de grieven slagen en de grondslag van de vordering van [geïntimeerde] niet is komen vast te staan, zal het vonnis waarvan beroep voor wat betreft [appellante] worden vernietigd en zal het hof de vordering van [geïntimeerde] afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg (3 punten, tarief IV) en in hoger beroep in zowel het principaal als het incidenteel appel (2,5 punten, tarief IV).

De beslissing

Het gerechtshof

in het principaal appel: vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende: wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot die aan de zijde van [appellante] op € 1.185,- aan verschotten en € 2.682,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

in het incidenteel appel: wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [appellante] op in het principaal en incidenteel appel € 775,17 aan verschotten en € 4.077,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 februari 2014.