Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.117.282-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Particulier onderzoeksbureau betrekt de inhoud van een digitaal dagboek/jaarboek van werknemer in zijn onderzoek en verstrekt inzage aan werkgever. In casu niet geoorloofd, schade als gevolg daarvan aannemelijk. Verwijzing naar schadestaatprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/69
JBP 2014/76
AR-Updates.nl 2014-0118
JBP 2015/25
NJF 2014/146
JAR 2014/69
RAR 2014/101

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.117.282/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 185649/HL ZA 11-625)

arrest van de eerste kamer van 4 februari 2014

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te Almere,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R. Kuizenga, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.H. Blok, kantoorhoudend te Veenendaal.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 3 augustus 2011 en 4 juli 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector civiel recht, locatie Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 oktober 2012,

- de memorie van grieven d.d. 5 februari 2013 (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep d.d. 4 juni 2013(met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Uit de roladministratie van het hof blijkt dat de zaak, nadat de memorie van antwoord was genomen, naar de rol is verwezen voor beraad. Op 18 juni 2013 hebben beide partijen vervolgens arrest gevraagd. Uit dit verloop moet worden afgeleid dat [appellante] in de gelegenheid is geweest uit eigen beweging een memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel te nemen, maar dat zij daar kennelijk van heeft afgezien. Het hof ziet, gelet op de inhoud van de grief in het voorwaardelijk incidenteel appel, geen aanleiding haar ambtshalve in de gelegenheid te stellen alsnog een memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel te nemen (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD9117).

2.4

De vordering van [appellante] luidt:

(..) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d.
4 juli 2012 (…) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.5

[geïntimeerde] heeft zijn memorie van antwoord vergezeld doen gaan van een negental nieuwe producties. Aangezien [appellante] niet in de gelegenheid is gesteld op deze stukken te reageren, laat het hof ze buiten beschouwing. Zoals uit het hierna volgende zal blijken, wordt [geïntimeerde] daardoor niet in zijn belangen geschaad.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.2

[geïntimeerde] is van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 2008 werkzaam geweest bij Education International en haar rechtsvoorgangers. Education International (hierna: EI) is een internationale vakorganisatie voor onderwijspersoneel met een hoofdkantoor in Brussel, België. De werkzaamheden van [geïntimeerde] bestonden uit het ondersteunen van vakorganisaties in met name ontwikkelingslanden en het vertegenwoordigen van EI op internationale fora. In verband met deze werkzaamheden verbleef [geïntimeerde] veelvuldig en langdurig in het buitenland en had hij een laptop van EI tot zijn beschikking.

3.3

[geïntimeerde] heeft de laptop mede gebruikt voor contact met zijn thuisfront en voor het bijhouden van een dagboek/jaarboek. In 2007 gaf [geïntimeerde] het desbetreffende document de titel “EI Jaarboek” mee (hierna: het jaarboek). In het jaarboek heeft
[geïntimeerde] persoonlijke bedenkingen omtrent het (financiële) reilen en zeilen van EI genoteerd.

3.4

In de periode van 22 tot en met 26 juli 2007 heeft in Berlijn een EI-congres plaatsgevonden dat door [geïntimeerde] is bijgewoond. Op of omstreeks 21 juli 2007 is er vanaf een anoniem e-mailadres een e-mailbericht (hierna: het anonieme e-mailbericht) verstuurd aan deelnemers van dit congres. In het anonieme e-mailbericht werd de algemeen secretaris van EI onder meer beschuldigd van malversaties. [geïntimeerde], die het anonieme e-mailbericht zelf niet heeft ontvangen, heeft dit op 22 juli 2007 op de Blackberry van een van de andere congresdeelnemers gelezen.

3.5

De tekst van het anonieme e-mailbericht luidt als volgt:

Power corrupts – also in EI

Dear Reader of this. If this wasn’t such a sad and horrific story we wouldn’t take your time. However the mismanagement of finances now going on for years must stop. All too often trade unions have been involved in scandals and unfortunately this is also the case in EI.

Now the General Secretary is up for re-election we find it necessary to bring in all his qualifications and creativity that are necessary for this job.

EI-Watch is a group that over some time have been following the activities of EI and especially the General Secretary. But also other members of the leadership are under scrutiny. Even though our network is well informed it has taken years to gather all necessary information and evidence as they tend to disappear or being tampered. There is no reason to blame or suspect current staff of EI for lacking information. Already too many has over the years been dismissed for trying to get transparency and justice.

EI claims to be the biggest trade union at world level. No doubt it is a big organisation, but as in many big organisations evolving a critical eye is necessary.

The power corrupts as we say. Certainly, and EI is no exception. There is absolutely no political-democratically control with major finance decisions at all. They are all-in the hands of one man; the general secretary.

EI-Watch is deeply concerned about several issues and we will raise questions to be adressed by the proper authorities within EI drawing the consequences.

In case nothing happens, we will release the information and the heavy documentation we have in our possession to the official authorities and the press.

Why are we doing this? We are true believers in fair, just and con-corruptive management of trade unionism.

In this mail we will write about:

Management and finances.

Has anybody ever seen a contract regulating salary, benefits and working conditions for the General Secretary or for that sake for the other members of the management?

No of course not. Such contracts never existed.

Over the years salaries, benefits and other working conditions have developed into a take your self table.

Big sums in 1000s of EURO are regularly transferred to management’s private accounts without any notice to taks inspection. No taks is paid and taks evasion is a criminal act.

Apart from covering a horrific range of private expenses, nobody knows what happens with money in the foundations like Besian or the Tsunami programme. No body is controlling these millions of Euros and any reports from the activities are scarcely telling anything.

Big sums are also sometimes transferred through accounts in other countries and/or either coming back like fresh or ending up in private accounts. Clearly behaviour we see by white washing of money.

Do you for example know that the General Secretary over the last years are personally taking control over one of the many EI foundations. By paying in some of the own untaxed money he is now alone controlling the foundation with an amount of nearly 1 million Euro, which of course will be paid out to him when he decides…

How can it come so far?

Clearly the answer is like in other scandals: greed and no control.

One should assume that at least the external auditor Ernest and Young would provide some guarantee that everything is ok, but that is not the case. Other the years the external auditors has been “bought” to accept an increasing number of irregularities and the amount of money involved made the auditors nervous….. But what to do, they already approve same things going on during the last many years….

There is clearly no control. EI doesn’t have a treasurer and there is only one member of the so called finance committee, what ever he must be doing there…or maybe he is already bought for a job later inside…

The reports given to the Executive Board are clearly misleading as they only give a very superificial overview of the state of the finances, and any question is rebuffed strongly by the general secretary. So nobody knows anything.

This situation has been like this for years and even from the start of EI it would be interesting to reveal who paid out his mortgage in his house at that time? Unfortunately many of these questions can be raised but nobody ever dared as the General Secretary aggressively attacks anyone asking for more specific information.

There is an immediate and clear need for an independent external investigation, as well as a criminal investigation into the ways funds have been managed for personal benefits.

An investigation should take place swiftly keeping the evidence in place.

3.6

Naar aanleiding van het anonieme e-mailbericht heeft EI een opdracht tot onderzoek naar de herkomst van het anonieme e-mailbericht gegeven aan [appellante]. Onderzoek door [appellante] aan het bericht zelf en in het computernetwerk van EI leverde vervolgens geen aanwijzingen omtrent de auteur of verzender op.

3.7

Op 17 september 2007 heeft een vergadering plaatsgevonden op het hoofdkantoor van EI te Brussel. Tijdens deze vergadering zijn alle teamleden, waaronder [geïntimeerde], toegesproken door de algemeen secretaris van EI over het anonieme e-mailbericht. Hierbij is gesproken over een onderzoek van de laptops van de medewerkers door een Nederlands onderzoeksbureau (naar later bleek: [appellante]) naar de herkomst (bron, auteur en afzender) van het anonieme e-mailbericht. Naar aanleiding van deze vergadering hebben diverse medewerkers, onder wie [geïntimeerde], hun laptop ingeleverd.

3.8

In een memo/e-mailbericht van 20 september 2007 heeft een aantal stafleden onder meer het volgende geschreven aan het management van EI:

EI staff are shocked to learn from the General Secretary about the anonymous email sent during Congress. Like you, we care about the integrety of EI and are concerned to maintain the excellent reputation of our organization. That is why we all cooperated with the directive to hand over our laptops for purpose of the investigation.

On reflection since Monday’s meeting, however, staff have expressed concerns about privacy issues. The General Secretary give his assurance that no personal files would be examined, and we accept that. However, the very fact of the investigation casts a certain cloud over every staff member and leaves an atmosphere of mistrust. Questions have arisen, for example, about wether anything uncovered in the course of this investigation, but unrelated to the controversial mail, could result in disciplinary action in the future. In this context, we have the following questions:

Are any personal files being examined?

Are our files being copied?

How will staff be informed of the outcome of the investigation? (…)”.

3.9

In antwoord hierop heeft [een lid van het managementteam] (een lid van het managementteam van EI) dezelfde dag namens het management van EI geschreven:

(…)

The investigation of the laptops by an independent Dutch company had been undertaken to establish that no EI equipment was used in the drafting or transmission of the email. (…)

The process which the company has followed has been to scan the laptops for activity during the periode when the email was sent. Where activity took place on the day in question a copy of the hard disk has been made and a more precise scan of the hard disk will be undertaken with sophisticated equipment designed to find any traces of the email. (…)

If relevant material is found by the scan on personal files the material will be examined. Otherwise personal files will not be examined. (…)

3.10

[appellante] heeft, in het kader van de door EI aan haar verstrekte opdracht, de inhoud van de harde schijf van de laptop van [geïntimeerde] gekopieerd en onderzocht.

3.11

Op 30 oktober 2007 heeft er op initiatief van EI een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en enkele medewerkers van [appellante] en vervolgens tussen [geïntimeerde] en managementleden van EI. Van het eerste gesprek is door [appellante] een verslag gemaakt (hierna: het gespreksverslag) en aan [geïntimeerde] verstrekt. In het gespreksverslag staat onder meer vermeld:

Voor aanvang van het gesprek stelden onze medewerkers zich voor als medewerkers van [appellante] te Almere en werd de reden van het onderzoek bekengemaakt. Tevens deelden zij mee dat medewerking aan het onderzoek op basis van vrijwilligheid plaatsvond. De heer [geïntimeerde] verklaarde zich bereid aan het onderzoek mee te werken.

Bij het voeren van het gesprek is de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksburaus van de VPB in acht genomen. Onze medewerkers deelden mede dat [appellante] in het kader van het onderzoek persoonsgegevens van de heer [geïntimeerde] zal verwerken conform de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

(…)

Desgevraagd deelde de heer [geïntimeerde] onder meer het volgende, of woorden van gelijke strekking mee: “(…) Verder wil ik opmerken dat de laatste vier weken veel bij mij bekend is geworden over het onderzoek. Dat vind ik niet juist. Ik heb namelijk te horen gekregen van twee verschillende personen dat zij zijn geconfronteerd met stukken uit mijn jaarboek. (…)”

(…).

3.12

[appellante] heeft EI medegedeeld dat het bij het anonieme e-mailbericht gebruikte
IP-adres niet op de laptop van [geïntimeerde] is aangetroffen en dat niet is vastgesteld en ook niet kon worden vastgesteld dat [geïntimeerde] de auteur of verzender van het bericht is geweest. [appellante] heeft aan EI medegedeeld dat diverse trefwoorden uit het anonieme
e-mailbericht wel voorkomen in het jaarboek en dat uit het jaarboek blijkt dat [geïntimeerde] zich zorgen maakte over de financiële situatie van EI. Zij heeft de gekopieerde bestanden aan EI ter beschikking gesteld.

3.13

In een brief van 31 oktober 2007 van EI aan [geïntimeerde] staat onder meer vermeld:

After due consideration of the issues which where highlighted in the course of the investigation of the sending of the anonymous mails on 21st July, and in your discussions with representatives of the management group yesterday, we have concluded that there are substantial grounds for the most serious disciplinary action against you. (…)

You have made false allegations against the General Secretary and others, including other members of the management group, of fraud and financial mismanagement. (…)

In all of these circumstances the trust and confidence which the organisation should have in an employee has been seriously and, perhaps irreparably, damaged. There appears to be little basis for an ongoing employment relationship between yourself and EI. However, you have made a significant contribution to the development of the organisation since its foundation and provided services on a satisfactory basis in a number of areas. We also recognise that, considering your age and years of services, the consequenses of dismissal may not be in proportion to the damage caused to EI.

We have decided therefore to issue you with a formal warning with regard to your future behaviour and to impose sanctions as described below. (…)

(i) You will be demoted from senior coordinator to coordinator.

(ii) You will work exclusively on the implementation of the SALIN project (…)

(iii) You will work under the direct supervision of a SALIN project manager (…)

(iv) You will refrain from contact with any member organisation which is not associated withe the SALIN project and then only with the specific permission of the SALIN project manager of General Secretary.

(v) You will refrain from contacting any member of the Executive Board of Regional Committee without the specific permission of the SALIN managerof General Secretary.

(vi) These measures will come into effect from 17th November, 2007. In the interim you will remain at home on special paid leave and will refrain from contact with staff of members of affiliated organisations.

Failure to adhere to any of these measures will result in immediate dismissal. (…)”.

3.14

Vanaf 31 januari 2008 was [geïntimeerde] met ziekteverlof.

3.15

De arbeidsovereenkomst tussen EI en [geïntimeerde] is met ingang van 31 december 2008 met wederzijds goedvinden beëindigd.

3.16

Sinds 1 januari 2009 is [geïntimeerde] werkzaam als beleidsmedewerker bij de Algemene Onderwijsbond.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat – voor recht te verklaren dat [appellante] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door kennis te nemen van en zijn (voormalige) werkgever in staat te stellen tot kennisname van de inhoud van zijn dagboeknotities en/of andere persoonlijke documenten en aansprakelijk is voor de door
[geïntimeerde] daardoor geleden schade, met veroordeling van [appellante] tot vergoeding van die geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.

4.2

[appellante] heeft verweer gevoerd.

4.3

Bij het bestreden vonnis d.d. 4 juli 2012 heeft de rechtbank de vordering toegewezen, onder overweging – kort gezegd – dat [appellante] zich aan schending van [geïntimeerdes] privacy heeft bezondigd en dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] daarvan schade heeft ondervonden.

5 De grieven en de beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellante] heeft zes grieven tegen het bestreden vonnis opgeworpen.

Er is geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Waar de grieven I tot en met III de onvolledigheid van de in eerste aanleg vastgestelde feiten aan de orde stellen, falen zij daarom. Voorts zij erop gewezen dat het hof de feiten in het voorgaande zelfstandig heeft vastgesteld, zodat dit punt ook reeds om die reden niet opgaat.

Op de – eveneens in de genoemde grieven besloten liggende – vraag of de rechtbank aan de omstandigheden van dit concrete geval het juiste gewicht heeft toegekend, wordt hierna bij de behandeling van de grieven IV en V, die de vraag naar de onrechtmatigheid van Hoffmanns handelwijze betreffen, ingegaan. Grief VI ziet op de aannemelijkheid van met de handelwijze van [appellante] in verband staande schade.

5.2

Kern van het geschil in hoger beroep is allereerst de vraag of het [appellante] was toegestaan om de inhoud van het jaarboek van [geïntimeerde] in haar onderzoek te betrekken en aan EI beschikbaar te stellen.

5.3

Dat [appellante] aan de in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) opgenomen restricties ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens is gebonden, staat niet ter discussie. Dat zij zich daarenboven aan de door de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties opgestelde Privacycode Sector Particuliere Onderzoeksbureau’s (hierna: de Gedragscode) onderwerpt, is tussen partijen evenmin in geschil.

5.4

Art. 1 Wbp definieert het begrip persoonsgegeven als elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Het jaarboek, waarin zowel individuele activiteiten als persoonlijke ideeën en gedachten waren genoteerd, voldoet aan die definitie.

Voor zover [appellante] bedoeld heeft te betogen dat het enkele feit dat het jaarboek zich op een zakelijke en niet voor privé-doeleinden te gebruiken laptop bevond, afbreuk doet aan het persoonlijke karakter in de door de Wbp bedoelde zin, snijdt dit gelet op deze ruime definitie geen hout. Overigens is de stelling dat het [geïntimeerde] niet zou zijn toegestaan om privé-documenten op de laptop op te slaan niet onderbouwd: uit de te dier zake overgelegde stukken blijkt slechts dat de medewerkers van EI restricties waren opgelegd ten aanzien van het gebruik van internet en e-mail.

De mogelijk zakelijk aandoende benaming “EI-jaarboek” maakt naar ’s hofs oordeel evenmin dat het hier niet om persoonsgegevens gaat.

5.5

Ingevolge art. 8 aanhef en sub a Wbp mogen persoonsgegevens worden verwerkt indien de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend, waarbij het begrip toestemming in art. 1 sub i Wbp gedefinieerd is als vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

In paragraaf 5.3 van de Gedragscode is op dit punt vermeld:

“Voor het vaststellen of er sprake is van toestemming is essentieel dat de onderzochte persoon in vrijheid heeft kunnen bepalen dat de gegevensverwerking diens toestemming heeft. Bij twijfel over de vraag of de onderzochte persoon zijn toestemming heeft verleend, dient te worden geverifieerd of er terecht van uitgegaan wordt dat de onderzochte persoon er mee heeft ingestemd dat diens persoonsgegevens worden verwerkt.

Met grief IV legt [appellante] de vraag of hier van de vorenbedoelde toestemming sprake is aan het hof voor.

5.6

Dat [geïntimeerde] nimmer expliciet toestemming heeft verleend om de inhoud van zijn jaarboek bij het onderzoek te betrekken en aan EI ter inzage te geven, staat vast.

Gelet op de definiëring van het begrip toestemming in de Wbp, in de Gedragscode nog aangescherpt met een expliciete vergewisplicht, dient voorzichtigheid te worden betracht bij de conclusie dat deze impliciet werd gegeven. Het enkele feit dat [geïntimeerde] op dit punt geen vragen heeft gesteld of niet heeft geprotesteerd, is dan ook niet voldoende. Bovendien is niet uit te sluiten dat zijn positie als werknemer de assertiviteit in dit opzicht neerwaarts beïnvloedt.

Voor het aannemen van zijn stilzwijgende toestemming is - in ieder geval - nodig dat het [geïntimeerde] bij het afgeven van de laptop zonder meer duidelijk moest zijn dat de naspeuringen van [appellante] ook een onderzoek naar (en: in) zijn persoonlijke documenten zouden omvatten. Dat nu is hier naar ’s hofs oordeel niet het geval. Daargelaten of door EI tijdens de bijeenkomst waarbij om afgifte van de laptops werd verzocht is gegarandeerd dat persoonlijke bestanden niet zouden worden geopend (zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellante] heeft betwist), blijkt uit de door de stafleden nadien op 20 september 2007 gestelde vragen dat daaromtrent misverstand kon bestaan. Het standpunt dat het voor [geïntimeerde] zonneklaar moest zijn dat hij met het inleveren van de laptop ook de inhoud van zijn jaarboek vrijgaf, stuit daarop af. Dat [geïntimeerde] vervolgens naar aanleiding van het door EI gegeven antwoord niet alsnog bezwaren heeft geuit, kan hem alleen al niet worden tegengeworpen omdat dat antwoord niet rechtstreeks aan hem was gericht. Verder ligt, zoals uit het voorgaande volgt, de bal in deze niet bij [geïntimeerde], maar bij [appellante]. [appellante] had zich, overeenkomstig haar zelfopgelegde gedragscode, ervan moeten vergewissen dat [geïntimeerde] de vereiste toestemming had verleend. Nu zij dat heeft nagelaten, kan zij de vorderingen van [geïntimeerde] niet met een beroep op gegeven toestemming afwenden.

De grief faalt.

5.7

Met grief V betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zich hier een situatie als bedoeld in art. 8 sub f Wbp voordoet. Daarin is bepaald dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

In de Gedragscode is daarbij nog uitdrukkelijk vermeld dat de particuliere onderzoeker daarbij rekening houdt met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (paragraaf 5.3 van de Gedragscode).

5.8

Het hof stelt voorop dat het door [geïntimeerde] gestelde schadeveroorzakende feit niet zozeer in het raadplegen door [appellante] van zijn jaarboek is gelegen, maar het vrijgeven van de inhoud ervan aan EI betreft. De vraag die hier moet worden beantwoord is dan ook of [appellante] zich te dier zake op de bedoelde bepaling kan beroepen.

Daarbij is allereerst van belang dat betrokkenheid van [geïntimeerde] bij het anonieme
e-mailbericht, hetgeen de kernvraag van het onderzoek was, niet kon worden vastgesteld. Dat [appellante] deze ontlastende conclusie in de richting van haar opdrachtgever niet anders dan door inzage van (delen van) het jaarboek kon motiveren, zoals zij heeft aangevoerd, vermag het hof niet in te zien.

Van een gerechtvaardigd belang van EI bij kennisname van het jaarboek, zodanig dat de belangen van [geïntimeerde] daarvoor zouden moeten wijken, is het hof niet gebleken. Dat EI zonder kennis te dragen van de persoonlijke notities van [geïntimeerde] in haar voortbestaan zou worden bedreigd of dat haar bedrijfsvoering daardoor zou worden ontwricht, is door [appellante] niet voldoende onderbouwd. In het bijzonder is niet aangegeven welke reguliere bedrijfsactiviteiten zonder het vrijgeven van deze informatie aan EI niet ongestoord zouden hebben kunnen plaatsvinden. Dat het diffamerende e-mailbericht tot grote onrust op de werkvloer (en mogelijk zelfs tot een verstoring van het bedrijfsproces) heeft geleid, wil het hof wel aannemen. Echter, waarom het vrijgeven van [geïntimeerdes] persoonlijke notities nodig was om deze situatie het hoofd te kunnen bieden, is door [appellante] niet duidelijk gemaakt. Hoewel te begrijpen valt dat EI na ontvangst van het anonieme e-mailbericht mogelijke tegenstanders binnen de eigen organisatie wilde opsporen, gaat dat belang niet zover dat het privacy-belang van [geïntimeerde] daarvoor moet wijken. De vraag of de door EI gegeven onderzoeksopdracht slechts het achterhalen van de auteur/verzender van het anonieme e-mailbericht betrof (zoals [geïntimeerde] heeft gesteld), dan wel ook het vaststellen van diens bron omvatte (zoals [appellante] betoogt), kan daarbij in het midden blijven. Uit het oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit had [appellante] ook in het laatste geval met een aanmerkelijk minder ernstige inbreuk op [geïntimeerdes] privacy kunnen volstaan. Door het gewraakte bestand geheel buiten [geïntimeerde] om en voorafgaand aan het met hem gevoerde gesprek aan EI af te geven, heeft [appellante], mede gelet op de door haarzelf gehanteerde gedragsnormen, de grenzen van het betamelijke overschreden. Het hof kent daarbij gewicht toe aan het gegeven dat [appellante] zich met haar onderzoek in de verhouding tussen een werkgever en zijn werknemers begaf, waarbij de ergernis bij EI klaarblijkelijk hoog genoeg was opgelopen om een recherchebureau in de arm te nemen: [appellante] had zich er daarom rekenschap van moeten geven dat het vrijgeven van de persoonlijke grieven van [geïntimeerde] diens relatie met EI ingrijpend zou kunnen beïnvloeden.

Het betoog dat het persoonlijke karakter van het bestand [appellante] niet duidelijk behoefde te zijn aangezien het zich op een zakelijke laptop bevond en onder de noemer “EI-jaarboek” was opgeslagen, acht het hof weinig serieus, aangezien het [appellante] bij eerste lezing helder moet zijn geweest dat het document persoonlijke gevoelens en ideeën van [geïntimeerde] bevatte. Aldus had zij eenvoudig van het vrijgeven van die gegevens aan zijn werkgever af kunnen zien.

Gelet op het voorgaande treft ook deze grief geen doel.

5.9

Grief VI berust op een onzorgvuldige lezing van het bestreden vonnis. Anders dan de grief veronderstelt heeft de rechtbank namelijk niet het verweer verworpen dat de beëindiging van het dienstverband van [geïntimeerde] geen verband houdt met de verwerking van zijn persoonsgegevens door [appellante]. Het oordeel van de rechtbank zag op het verband tussen de onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens en de tegen
[geïntimeerde] getroffen disciplinaire maatregelen: dat verband achtte de rechtbank gelet op de brief van 31 oktober 2007 aanwezig. In die brief wordt immers, zo constateert de rechtbank, in de eerste zin al het verband gelegd met het onderzoek van [appellante], terwijl uit dat onderzoek nu juist naar voren was gekomen dat niet is en niet kon worden vastgesteld dat [geïntimeerde] de auteur of verzender van het anonieme e-mailbericht is geweest en [appellante] naar aanleiding van dat onderzoek wel melding heeft gemaakt van de in het jaarboek aangetroffen notities. Het hof sluit zich bij dit oordeel – waartegen [appellante] niet met zoveel woorden heeft gegriefd – aan en maakt het tot het zijne, en voegt daar nog aan toe dat ook het moment waarop de disciplinaire maatregelen werden genomen (te weten: daags na de met hem over het onderzoek gevoerde gesprekken) het verband tussen een en ander aantoont.

Zelfs al het zo zou zijn dat, zoals [appellante] in eerste aanleg heeft betoogd, er ook klachten van bestuursleden en medewerkers over [geïntimeerdes] loyaliteit aan EI bestonden, dan doet dit nog niet af aan de conclusie dat – blijkens de aanhef van de brief van 31 oktober 2007 – de van [appellante] verkregen informatie de aanleiding was om daar disciplinaire gevolgen aan te verbinden.

5.10

Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is allereerst vereist dat aansprakelijkheid vaststaat. Aan dat vereiste is gelet op het vorenoverwogene voldaan. Voorts is vereist dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Ook aan dat vereiste is voldaan, nu het hof heeft vastgesteld dat de disciplinaire maatregelen, waaronder een demotie, als gevolg van de door [appellante] vrijgegeven informatie zijn getroffen. Of en in hoeverre het handelen van [appellante] ook reputatieschade, psychische klachten, arbeidsongeschiktheid, de beëindiging van de arbeidsrelatie en een structurele achteruitgang in inkomen en positie heeft veroorzaakt, zoals [geïntimeerde] stelt, is in deze procedure onduidelijk gebleven. Het hof acht dit gelet op de inhoud van de disciplinaire maatregelen en mede gelet op de duur van zijn arbeidsverleden en het onweersproken gegeven dat hij kort voordien nog promotie had gemaakt, niet op voorhand uitgesloten. Een en ander vergt een onderzoek waarbij naar het zich laat aanzien deskundigen zullen moeten worden betrokken. Om die reden is de begroting van de schade op dit moment niet mogelijk. De vordering tot verwijzing naar de schadestaat is dan ook toewijsbaar (vgl HR 16 april 2010 ECLI etc BL2229).

Daarmee faalt ook grief VI.

6 De slotsom

6.1

De slotsom is dat de grieven falen. Het door [geïntimeerde] voorwaardelijk ingestelde incidenteel appel kan dan ook onbesproken blijven.

6.2

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellante], als de in het ongelijk gestelde partij, in de aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen kosten van het hoger beroep verwijzen (geliquideerd salaris advocaat1 punt tarief II), een en ander zoals hierna in het dictum vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 juli 2012 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 291,- voor verschotten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 februari 2014.