Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7522

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
200.124.632-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst. Misbruik van omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.632/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 132358/HA ZA 12-90)

arrest van de tweede kamer van 30 september 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. H.G.B. van der Wal, kantoorhoudend te Winschoten,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.C. Winter, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 20 juni 2012 en 19 december 2012 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 maart 2013,

- de memorie van grieven (met productie),

- de memorie van antwoord (met producties),
- een akte van [appellante] (met producties),

- een antwoordakte van [geïntimeerde].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"Dat het uw gerechtshof moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] haar vorderingen te ontzeggen en de reconventionele vorderingen van [appellante] toe te wijzen, althans een zodanige beslissing zoals uw gerechtshof in goede justitie redelijk en billijk acht, met de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties."

3 De feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staat het volgende vast.

3.1.1

Op 24 september 2008 is het hotel van [appellante], genaamd ‘[A]’,

verwoest door brand. De verzekeraar van [appellante] heeft vooralsnog geweigerd om daarvoor

verzekeringspenningen uit te keren. [appellante] is daarom een procedure gestart tegen haar verzekeraar.

3.1.2

In afwachting van de uitkomst van deze procedure heeft [appellante] zich tot [geïntimeerde]

gewend in verband met de mogelijke herbouw van het hotel. Partijen zijn overeengekomen

dat [geïntimeerde] in samenwerking met architect [architect] het vergunningtraject zou begeleiden. Omtrent hetgeen exact is overeengekomen verschillen partijen van mening (zie hierna onder 6.5).

3.1.3

[geïntimeerde] en de architect hebben een bouwplan en tekeningen gemaakt

ten behoeve van de herbouw van het hotel. Voorts heeft [geïntimeerde] een

gebruiksvergunning, een sloopvergunning en een bouwvergunning aangevraagd. Deze

vergunningen zijn afgegeven op naam van [geïntimeerde].

3.1.4

[geïntimeerde] heeft op 1 oktober 2010 een factuur aan [appellante] verzonden van

€ 81.499,99. Per e-mailbericht van 18 oktober 2010 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen

die factuur en zij heeft deze niet voldaan.

3.1.5

[appellante] heeft [geïntimeerde] verzocht om de vergunningen over te laten schrijven op haar naam. [geïntimeerde] heeft hieraan niet voldaan. [appellante] heeft vervolgens aangifte gedaan tegen de heer [geïntimeerde] van valsheid in geschrifte.

3.1.6

Op 22 maart 2011 hebben partijen tijdens een bespreking een vaststellingovereenkomst gesloten, die schriftelijk is vastgelegd. In deze overeenkomst (hierna ook te noemen: het besprekingsverslag) is onder meer het volgende opgenomen:

Afspraak:

*1 gespecificeerde factuur t. b. v. Verzekeringspolis herbouw [A], voor

Univé. Wordt door [geïntimeerde] naar [appellante] [adres]

[adres].

Totaal incl. BTW € 81.499.99

*2 Wanneer bovengenoemd bedrag door [geïntimeerde] is ontvangen

draagt [geïntimeerde] via het formulier van Gemeente Coevorden

Omgevingsvergunning okt. 2010 over: Bouwvergunning, sloop vergunning,

gebruiksvergunning, en alle bijbehorende stukken en tekeningen incl. het nog te

vervaardigen bestek, nodig voor de herbouw van hotel [A] [adres]

[adres]

Alles wordt overgedragen binnen 7 dagen nadat het bedrag door [geïntimeerde]

[geïntimeerde] ontvangen is.

*3 Indien mevr. [appellante] overgaat tot realisatie van de herbouw van de

[A], heeft [geïntimeerde] het recht een prijsaanbieding te

maken conform de volgende voorwaarde:

Er worden bij 3 aannemers offertes opgevraagd, volgens bestek en tekeningen,

daarna mag [geïntimeerde] bouwen voor maximaal 5% meer dan de laagste prijs.

*4 Wanneer de stukken over en weer ontvangen zijn, en de vergunningen

overgeschreven op naam van mevr. [appellante] als eigenaar van de grond zal zij de

aangifte tegen [geïntimeerde] intrekken.

3.1.7

[geïntimeerde] heeft een factuur van € 68.497,39 (exclusief btw) aan [appellante] verzonden. [appellante] heeft de factuur niet voldaan.

4 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor

zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] veroordeelt tot betaling van € 81.499,99,

vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 7 mei 2011 en proceskosten. Deze vordering strekt tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst als genoemd onder 3.1.6.

4.2

[appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair de overeenkomst die op 22 maart 2011 tussen partijen is gesloten vernietigt omdat deze door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen is, subsidiair die overeenkomst aan te passen met dien verstande dat [appellante] slechts gehouden is tot betaling van € 8.000,00;
- [geïntimeerde] veroordeelt de overeenkomst die tussen partijen omstreeks maart 2009 is gesloten in het kader van de vergunningsaanvraag alsnog deugdelijk na te komen, met dien verstande dat de vergunningen alsnog op naam van [appellante] worden gezet;
- [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 10.499,18, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente;
- Met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toegewezen, met dien verstande dat niet de wettelijke handelsrente is toegewezen maar de wettelijke rente (artikel 6:119 BW), en de vorderingen in reconventie afgewezen.

5 Met betrekking tot de nieuwe verweren en gronden voor de vorderingen

5.1

[appellante] heeft bij haar na haar memorie van grieven genomen akte (de gronden voor) haar verweer in de oorspronkelijke conventie respectievelijk de grondslag van haar vorderingen in oorspronkelijke reconventie in meerdere opzichten aangevuld. [geïntimeerde] heeft hiertegen bij antwoordakte uitdrukkelijk bezwaar gemaakt.

5.2

Het hof stelt voorop dat alle gronden die appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, dienen te worden aangemerkt als grieven.
De in artikel 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (ECLI:NL:HR: 2009:BI8771). Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Het hof oordeelt dat daarvoor in dit geval geen aanleiding bestaat. De nieuwe grieven zijn derhalve tardief, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

6 Met betrekking tot de grieven

6.1

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.2

Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag of de vaststellingsovereenkomst d.d. 22 maart 2011 (zie onder 3.1.6) is tot stand gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden. [appellante] stelt dat zij onder evenredig grote druk van [geïntimeerde] akkoord is gegaan met het besprekingsverslag waarin is weergegeven dat [appellante] een bedrag van € 81.499,99 aan [geïntimeerde] dient te betalen, waarna [geïntimeerde] de door de gemeente aan [geïntimeerde] verstrekte vergunningen aan [appellante] zal afgeven. [appellante] voert in dit verband aan dat zij zich geen verder uitstel van de herbouw kon permitteren vanwege de strakke termijnen voor herbouw die golden op basis van de verzekeringsovereenkomst met Univé en op basis van de regelgeving van de gemeente Coevorden, reden waarom zij er groot belang bij had om de vergunningen op eigen naam te laten overschrijven, waarvoor zij de toestemming van [geïntimeerde] nodig had, aangezien [geïntimeerde] - in strijd met de gemaakte afspraken - de vergunningen op eigen naam had aangevraagd. Tevens voert [appellante] aan dat [geïntimeerde], die van dit spoedeisende belang op de hoogte was, hiervan misbruik heeft gemaakt door de vergunningen pas aan haar te willen afgeven nadat zij zich bereid had verklaard om genoemd bedrag van € 81.499,99 aan [geïntimeerde] te betalen, terwijl zij conform de tussen partijen gemaakte afspraken slechts een bedrag van € 8.000,- aan [geïntimeerde] diende te betalen.

6.3

Artikel 3:44 lid 5 BW omschrijft misbruik van omstandigheden als volgt:

"Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden."

6.4

Het hof stelt voorop dat krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ter zake van het beweerdelijke misbruik van omstandigheden op [appellante] rusten.

6.5

Uit het over en weer gestelde blijkt dat partijen op 22 maart 2011 van mening verschilden over wat er tussen hen was overeengekomen. Kort gezegd stelde [appellante] zich op het standpunt dat partijen waren overeengekomen dat zij voor het voorbereidings- en vergunningentraject in geval van herbouw een bedrag van € 24.000,- verschuldigd zou zijn en in geval herbouw niet zou plaatsvinden een bedrag van € 8.000,-. [geïntimeerde] stelde zich op het standpunt dat deze afspraak niet op zichzelf stond maar deel uitmaakte van een geheel aan afspraken die ook zagen op het vervolg (de herbouw) en die door haar zijn neergelegd in een bouwteamovereenkomst, welke [appellante] echter weigerde te ondertekenen. Voorts stelde [geïntimeerde] zich op het standpunt dat partijen bij bedoelde afspraak uitgingen van een gefaseerde vergunningenaanvraag waarbij het bedrag van € 24.000,- alleen betrekking zou hebben op de eerste fase, doch dat in de praktijk bleek dat de gemeente niet akkoord ging met een gefaseerde aanvraag waarna alsnog een volwaardige aanvraag is ingediend, met alle kosten van dien. Door het ondertekenen van het besprekingsverslag verplichtte [appellante] zich het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag te voldoen in ruil voor het op haar naam stellen van de vergunningen. Hoewel het [geïntimeerde] daarbij duidelijk moet zijn geweest dat [appellante] sterk werd gedreven door haar belang om zo spoedig mogelijk de vergunningen op haar naam gesteld te krijgen en [appellante] zonder dat belang zich wellicht niet had verbonden tot betaling van het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag, acht het hof die omstandigheid onvoldoende om van misbruik van omstandigheden te kunnen uitgaan. Het hof neem daarbij in aanmerking dat het hier gaat om twee zakelijk handelende partijen. Om misbruik van omstandigheden te kunnen aannemen zijn bijkomende feiten en omstandigheden vereist. Deze zijn naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate gesteld of gebleken. In het bijzonder heeft [appellante] haar stelling dat [geïntimeerde] onevenredige druk op haar heeft uitgeoefend om het besprekingsverslag van 22 maart 2011 te ondertekenen onvoldoende concreet onderbouwd en heeft [appellante] evenmin toereikend onderbouwd dat [geïntimeerde] het tot stand komen van de overeenkomst heeft bevorderd ofschoon hetgeen zij wist of had moeten begrijpen haar daarvan zou hebben behoren te weerhouden. De stelling van [appellante] dat sprake was van een vooropgezet plan waarbij [geïntimeerde] in strijd met de afspraken opzettelijk de vergunningen op haar naam heeft doen stellen om zo een machtspositie tegenover haar te creëren en waarbij [geïntimeerde] aldus onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is geworden, is door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Nu van die stelling geen concreet en gespecificeerd bewijs door [appellante] is aangeboden, gaat het hof daaraan voorbij.

6.6

De conclusie uit het voorgaande luidt dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om misbruik van omstandigheden te kunnen aannemen, zodat de grieven falen. Het hof passeert het in hoger beroep in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod van [appellante] als zijnde onvoldoende concreet en gespecificeerd.

Slotsom

6.7

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.862,- aan verschotten en € 2.446,50 (1 ½ punt in tarief IV).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Groningen van 19 december 2012;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.862,- voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 september.