Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7520

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
200.118.453-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na een jaren durende samenleving (geen huwelijk of geregistreerd partnerschap) overlijdt één van de partners. De overblijvende partner wil vermogensrechtelijke afwikkeling en richt zich daarvoor tot de erfgenamen van zijn overleden partner. Hij baseert zijn vordering tot verdeling geheel op een tussen hem en wijlen zijn partner tot stand gekomen samenlevingsovereenkomst. Daartoe overlegt hij geschriften die hij kwalificeert als onderhandse akten. In de procedure worden uiteindelijk drie versies van het geschrift overgelegd. Het hof gaat in op de vraag wanneer sprake is van een geschrift, wanneer van een akte en hoe de inhoud van een akte (bestaande uit meerdere bladen) dient te worden vastgesteld. Uiteindelijk komt niet vast te staan dat het deel van het geschrift dat volgens de man tot de akte behoort ook geauthentificeerd is door de handtekening op het slotblad. Het betreffende deel van het geschrift heeft daarmee slechts vrije bewijskracht en het bestaan van een samenlevingsovereenkomst met de door de man gestelde inhoud komt niet vast te staan. Zijn daarop gebaseerde vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.453/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 114697/ HA ZA 11-613)

arrest van de tweede kamer van tweede kamer van 30 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.W.F. van Horssen, kantoorhoudend te Leek.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
25 april 2012 en 15 augustus 2012 van (destijds) de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 november 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in de dagvaarding luidt:
"EIS: bij beslissing uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Te vernietigen het vonnissen waarvan beroep;

  2. Alsnog te beslissen dat de vordering van appellant wordt toegewezen;

  3. Geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties."

2.4

De vordering van [appellant] in de memorie van grieven luidt:

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft in haar vonnis van 25 april 2012 onder 2 (2.1 t/m 2.3) een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins van bezwaren is gebleken. Deze feiten dienen daarom, samen met wat verder is komen vast te staan, in hoger beroep tot uitgangspunt bij beoordeling van het geschil.

3.2

[appellant] heeft gedurende een periode van 11 jaar een affectieve relatie gehad met mevrouw [geïntimeerde 1], gedurende die periode hebben zij samengewoond zonder dat zij waren gehuwd of dat van een geregistreerd partnerschap sprake was. [geïntimeerde 1] is [in 2008] overleden. Geïntimeerden zijn de wettelijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde 1]. Zij hebben de nalatenschap van [geïntimeerde 2] zuiver aanvaard.

3.3

Tijdens haar leven heeft [geïntimeerde 1] een woning staande en gelegen te [woonplaats] aan [adres] (hierna: de woning) in eigendom gekregen. Zij heeft met [appellant] in die woning samengewoond tot aan haar overlijden.

4 Het geschil en beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in de inleidende dagvaarding (sterk verkort weergegeven) gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot:

  1. afgifte van de inboedelgoederen gespecificeerd in de dagvaarding (hierna: de inboedelgoederen), onder verbeurte van een dwangsom;

  2. betaling van € 1500,- met rente, voor het gedurende zes maanden niet kunnen bewonen van de woning;

  3. betaling van € 21.891,99 voor door [appellant] in de woning geïnvesteerde bedragen;

  4. afgifte van bescheiden waaruit de hypothecaire schuld op de datum van overlijden van [geïntimeerde 2] blijkt en de nota van afrekening door de notaris betreffende de verkoop en levering van de woning c.a. door [geïntimeerden], onder verbeurte van een dwangsom;

  5. verrekening van de opbrengst uit de verkoop en levering van de woning;

  6. vermelding op de grafsteen van wijlen [geïntimeerde 2]: ‘Partner van [appellant]’, onder verbeurte van een dwangsom;

  7. het verstrekken van dagafschriften van de rekening(en) van wijlen [geïntimeerde 1], over de periode waarin [appellant] en wijlen [geïntimeerde 2] samenwoonden en van verzekeringspolissen, onder verbeurte van een dwangsom;

  8. betaling van het overgespaarde berekend aan de hand van de dagafschriften.

4.2

[appellant] heeft bij akte van 6 maart 2012 zijn onder 4.1 omschreven eis (verkort weergegeven) als volgt gewijzigd:

4.2.1

als de afgifte van inboedelgoederen niet (volledig) mogelijk is:
vergoeding van de waarde van de inboedelgoederen, te weten € 75.000,- dan wel op een door de rechter te bepalen bedrag”

4.2.2

ten aanzien van de verkoopopbrengst van de woning:
te betalen 50% van de meerwaarde van de woning (het verschil tussen de verkoopprijs en de hypothecaire schuld [in 2008])

4.2.3

[appellant] heeft zijn vordering, tot de afgifte van dagafschriften van de rekeningen van [geïntimeerde 1] betreffende de periode dat hij met haar heeft samengewoond ingetrokken.

4.3

De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeelt in de kosten van de procedure.

5 De omvang van de vordering in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in eerste aanleg zijn eis vermeerderd zoals weergegeven onder 4.2. In de appeldagvaarding heeft [appellant] gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat “de vordering” van appellant wordt toegewezen. In zijn memorie van grieven heeft [appellant] onder het kopje “vordering” betoogt dat het hof moet “oordelen zoals bij inleidende dagvaarding is gevorderd”

5.2

In dat laatste ligt een eiswijziging besloten. Uit de memorie van grieven zou kunnen volgen dat [appellant] in tegenspraak met deze eiswijziging heeft bedoeld zijn in eerste aanleg gewijzigde eis te handhaven. In die overige tekst van de memorie van grieven wordt daarover echter met geen woord gerept.

5.3

Een redelijke uitleg van de gedingstukken brengt mee dat [appellant] daarmee zijn vordering in hoger beroep nader heeft afgebakend, zodat deze gelijkluidend is aan het petitum van de inleidende dagvaarding. Dat geldt te meer nu ook [geïntimeerden] hun verweer, op de aldus afgebakende vordering in hoger beroep, hebben moeten baseren. Op basis van de aldus in hoger beroep afgebakende vordering zal het hof recht doen op de vordering zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding.

6 De beoordeling van de vordering en de grieven

6.1

[appellant] heeft tegen de vonnissen van 25 april 2012 en 15 augustus 2012 vijf grieven opgeworpen. De grieven I en II zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet heeft bewezen dat tussen hem en wijlen [geïntimeerde 2] een samenlevingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan aan [appellant] de aan hem en wijlen [geïntimeerde 2] gezamenlijk toebehorende inboedelgoederen toekomen. De grieven III t/m V zijn gericht tegen een door de rechtbank gegeven bewijsopdracht, de waardering van het op grond daarvan geleverde bewijs en het passeren van door [appellant] aangeboden getuigenbewijs. Het hof zal eerst de grieven I en II gezamenlijk en daarna de laatste drie grieven gezamenlijk beoordelen.

6.2

De grieven I en II

6.2.1

[appellant] vordert afgifte van de inboedelgoederen die aan hem en wijlen [geïntimeerde 2] gezamenlijk toebehoorden. Daartoe beroept hij zich op een tussen hem en wijlen [geïntimeerde 2] gesloten overeenkomst die, aldus [appellant], is vastgelegd in een door hen beiden ondertekende akte. Artikel 5 lid 1 van de daartoe door [appellant] overgelegde akte luidt voor zover hier van belang:

"Ingeval één van de partners komt te overlijden, verblijven alle gemeenschappelijke goederen aan de langstlevende partner zonder dat een vergoeding verschuldigd is, …"

6.2.2

Om het bestaan van de overeenkomst te onderbouwen heeft [appellant] (drie versies van) een geschrift overgelegd dat volgens hem de akte is waarop hij zich beroept. [geïntimeerden] hebben de authenticiteit van de overgelegde (versies van die) akte gemotiveerd weersproken, althans de bladen daarvan waarop onder meer artikel 5 staat. De drie overgelegde versies van de akte verschillen onderling naar inhoud, aantal pagina’s en dagtekening. Een origineel van de akte is niet overgelegd. Het hof beschrijft eerst de drie overgelegde versies van het geschrift dat volgens [appellant] de akte is.

De eerste versie (prod. 1 inleidende dagvaarding) bestaat uit acht bladen. Het (voor)blad bevat de aanhef "SAMENLEVINGSREGELING" gevolgd door de partijgegevens en een korte considerans. Het achtste blad vermeldt als aanhef: "Staat van aanbreng" en heeft bovenaan een paginanummer: "-3-". Per partij zijn vervolgens vermeld de "Niet-gemeenschappelijke inboedelzaken". Daaronder een datum (19 oktober 1999) en bij de namen van [appellant] en wijlen [geïntimeerde 2] twee handtekeningen. Daartussen bevinden zich het tweede tot en met zevende blad, waarbij het tweede blad een inhoudsopgave van het derde t/m zevende blad bevat. Op het derde tot en met het zevende blad zijn vijf artikelen (genummerd 1 t/m 5) afgedrukt. Artikel 5 heeft daarbij twee leden. Het lettertype van de bladen 2 t/m 7 wijkt af van het lettertype van het voorblad en het achtste blad. Het lettertype van het voorblad en achtste blad zijn gelijk. Alle bladen vertonen een kopregel met de tekst:

"0516513196 De Werven Netwerk Notar 13:38:00 25-11-2008"
en een voetregel met de tekst: "Ontvangst tijd 25. Nov. 2008 12:19 Nr. 9671"

6.2.3

De tweede versie (prod. 2 inleidende dagvaarding) bestaat uit negen bladen. Het voorblad is gelijk aan dat van de eerste versie. Het achtste blad met paginanummer: "-2-" bevat drie algemene bepalingen en na de woorden "Aldus ondertekend te [woonplaats], op
28 december 1999" zijn bij de namen van [appellant] en wijlen [geïntimeerde 2] handtekeningen geplaatst. Het negende blad bevat dezelfde tekst als de staat van aanbreng in de eerste versie. In afwijking van de eerste versie is op dit blad echter als datum van ondertekening 28 december 1999 vermeld. Het tweede tot en met het zesde blad geven vijf artikelen weer (gelijk aan de eerste versie) echter zonder inhoudsopgave. Daarna volgt in afwijking van de eerste versie een zevende blad met de leden 3 t/m 5 van artikel 5. Het lettertype van het tweede tot eh met het zevende blad wijkt af van dat van het voorblad en het achtste en negende blad. Het lettertype van het achtste en negende blad is gelijk aan die van het voorblad.

6.2.4

De derde versie (prod. 1 memorie van grieven) bestaat uit tien bladen. Het voorblad is gelijk aan de eerste en tweede versie. Het negende en tiende blad zijn voor wat betreft de tekst gelijk aan het achtste en negende blad van de tweede versie, zij het dat als datum van ondertekening thans weer 19 oktober 1999 wordt vermeld. De lettertypen van deze drie bladen is gelijk maar wijkt af van dat gebruikt op het eerste tot en met het achtste blad waarop weer de vijf artikelen volledig zijn vermeld nu weer voorafgegaan door een inhoudsopgave.

6.2.5

De vraag is of de overgelegde geschriften akten zijn in de zin van artikel 156 Rv en indien die vraag bevestigend wordt beantwoord of het blad waarop artikel 5 is vermeld onderdeel van die akte uitmaakt. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.2.6

Geschriften zijn dragers van verstaanbare leestekens die een gedachteninhoud vertolken. Een geschrift is een akte als het is ondertekend en bestemd om tot bewijs te dienen (art. 156 lid 1 Rv). Dat het stuk waarop [appellant] zich beroept is bedoeld om tot bewijs te dienen, is niet in debat. Evenmin hebben [geïntimeerden] “stellig” in de zin van art. 159 lid 2 Rv ontkend dat de handtekening op de laatste bladen van de geschriften afkomstig is van wijlen [geïntimeerde 2]. De opmerking (zie o.m. memorie van grieven onder 9): “Zou [geïntimeerde 2] al een handtekening hebben geplaatst” is voor een dergelijke ontkenning onvoldoende. Daarmee staat vast dat de overgelegde geschriften een akte vormen, althans de door wijlen [geïntimeerde 2] ondertekende bladen daarvan.

6.2.7

[geïntimeerden] stellen echter dat de handtekening van wijlen [geïntimeerde 2] geen betrekking heeft op de bladen waarop de artikelen 1 tot en met 5 zijn vermeld. In art. 157 Rv is bepaald dat een onderhandse akte dwingend bewijs oplevert “ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen”. De vraag is derhalve welke van de niet van een handtekening voorziene bladen van het door [appellant] overgelegde geschrift, wijlen [geïntimeerde 2] door haar handtekening op de laatste bladen heeft willen authentificeren en daarmee tot akte heeft doen behoren.

6.2.8

Het is in beginsel aan [appellant], die zich op de bewijskracht van de akte beroept, om aannemelijk te maken op welke bladen de handtekening betrekking heeft. Die vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van het uiterlijk van het als onderhandse akte overgelegde geschrift als geheel. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de inhoud, de vorm en het uiterlijk van het geschrift als geheel van belang zijn. Zo dient er bijvoorbeeld op te worden gelet of sprake is van een naar vorm en inhoud doorlopende tekst, of de bladen een doorlopende nummering bevatten, of op de wel ondertekende bladen op enige wijze wordt verwezen naar de niet ondertekende bladen van het geschrift, of er parafen zijn geplaatst op alle bladen of bij correcties op de niet ondertekende bladen en of alle bladen zijn gesteld op hetzelfde papier en de daarop vermelde tekst van gelijke opmaak en lettertype is.

6.2.9

Bij de beoordeling van de door [appellant] overgelegde stukken valt in de eerste plaats op dat de eerste versie geen slotblad ter ondertekening van het voorafgaande bevat. Weliswaar bevat deze versie een ondertekend blad met een Staat van aanbrengen maar zoals volgt uit de tweede en derde versie, is daarmee kennelijk niet beoogd de voorafgaande bladen te authentificeren. De eerste versie (de bladen een tot en met zeven) dient daarom te worden aangemerkt als een niet ondertekend geschrift en voldoet derhalve niet aan het vereiste van een akte.

6.2.10

Van belang zijn derhalve slechts de tweede en derde versie. Het hof is van oordeel dat in deze geschriften de niet ondertekende bladen op geen enkele wijze zijn te herleiden tot de handtekening op het achtste respectievelijk het negende blad. Er is geen sprake van een tekst die doorloopt van het voorblad naar blad twee en volgende, er is geen sprake van een doorlopende bladnummering, de wel ondertekende bladen missen iedere verwijzing naar de voorafgaande bladen en parafen onderaan het blad dan wel bij tekstcorrecties ontbreken evenzeer. Wel is er sprake van een opvallend onderscheid naar opmaak en gebruikt lettertype op die bladen die de contractsbepalingen bevatten waarop [appellant] zich beroept.

6.2.11

De indruk dat geen sprake is van één doorlopend stuk wordt versterkt doordat in de drie versies die [appellant] heeft overgelegd telkens een ander aantal bladen is gevoegd tussen het voorblad en de slotbladen met de handtekeningen, terwijl ook de datum van ondertekening per overgelegde versie verschilt.

6.2.12

Het hof is daarom van oordeel dat de handtekening van wijlen [geïntimeerde 2] niet kan dienen tot authentificatie van de niet ondertekende bladen met daarop de contractuele bepalingen. [appellant] voegt per versie kennelijk naar believen niet ondertekende bladen tussen het voor/ en slotblad. De daaruit voortvloeiende onzekerheid en onduidelijkheid maakt dat [appellant] zich jegens [geïntimeerden] niet kan beroepen op een aan de inhoud van de niet ondertekende bladen toe te kennen dwingende bewijskracht.

6.2.13

[appellant] biedt aan te bewijzen dat [X] bij de ondertekening van de door hem overgelegde geschriften aanwezig was (MvG onder 11). Dat wijlen [geïntimeerde 2] de slotbladen heeft ondertekend staat echter als onvoldoende weersproken vast, en bewijs daarvan is niet nodig. [appellant] stelt voorts niet op de ondertekening van welke van de door hem drie overgelegde versies zijn bewijsaanbod ziet.

6.2.14

Aangaande hetgeen [X] kan verklaren verwijst [appellant] nog naar diens brief van 20 februari 2012. Daarin schrijft [X] dat de overeenkomst twee maal op verschillende data is ondertekend en dat dit kwam omdat [appellant] de eerste keer niet aanwezig was en tweede keer wel. Het gaat zoals overwogen echter niet om het bewijs van de ondertekening maar om het bewijs dat de contractuele bepalingen deel uitmaakten van het ondertekende stuk. Hetgeen [X] schrijft verdraagt zich overigens niet met de omstandigheid dat zowel de versie van 19 oktober 1999 als die van 28 december 1999 is voorzien van de handtekening van [appellant] en wijlen [geïntimeerde 2].

6.2.15

De door [appellant] overgelegde stukken hebben vrije bewijskracht, het vrijelijk tussenvoegen van wisselende aantallen niet ondertekende bladen, maakt dat een dergelijk stuk onvoldoende is om daaraan dwingend bewijs jegens [geïntimeerden] te kunnen ontlenen.

6.2.16

De door [appellant] gestelde overeenkomst is niet, althans niet met de door hem gestelde inhoud, komen vast te staan. De daarop gebaseerde vordering tot afgifte van inboedelzaken is terecht afgewezen. De grieven I en II falen.

6.3

De grieven III en IV

6.3.1

In de grieven III en IV klaagt [appellant] erover dat de rechtbank hem in de rechtsoverwegingen 4.15 t/m 4.18 ten onrechte een bewijsopdracht heeft gegeven betreffende de bankopnames en vervolgens ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] aan die opdracht niet heeft voldaan.

6.3.2

De grieven berusten op een onjuiste lezing van het vonnis nu de rechtbank in de bestreden overwegingen niet rept over het verstrekken van een bewijsopdracht en zij deze ook overigens niet heeft verstrekt. De rechtbank heeft in het kader van de haar toekomende vrije bevoegdheid [appellant] op grond van zijn exhibitieplicht, opgedragen stukken over te leggen. Het staat de rechter vrij dergelijke opdrachten aan ieder van partijen te geven zonder dat de partij aan wie de opdracht verstrekt wordt met bewijs moet zijn belast. Artikel 22 Rv bevat geen bepaling van bewijsrecht.

6.3.3

De overweging in het eindvonnis dat [appellant] de genoemde stukken niet heeft overgelegd en niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 22 Rv gegeven opdracht is een juiste constatering van feitelijke aard en zegt niets over het wel of niet leveren van bewijs. De grieven III en IV falen.

6.4

Grief V

6.4.1

In grief V klaagt [appellant] erover dat de rechtbank hem niet de gelegenheid heeft geboden zijn stellingen te bewijzen door middel van de verklaringen van [X] en [Y]. [appellant] licht die grief als volgt (kort) toe:

“[X] kan verklaren dat de samenlevingsregeling die overgelegd is, de regeling is zoals hij die aan [appellant] en mevrouw [geïntimeerde 2] verstrekt heeft, dat hij die regeling met hen heeft besproken en dat hij aanwezig geweest is bij het tekenen van de regeling en de staat van aanbreng. [Y] kan verklaren dat de nota´s correct zijn en dat die voldaan zijn.”

6.4.2

De feiten waarvan bewijs wordt aangeboden zijn onvoldoende om het hof tot een ander oordeel te brengen dan de rechtbank. Voor de verklaring door [X] verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.2 (zie vooral 6.2.13 en 6.2.14). Voor wat betreft de verklaring van [Y] wordt bewijs aangeboden van het feit dat de nota’s correct zijn en voldaan. Waar het echter op aan komt is dat de nota’s ten laste van het privévermogen van [appellant] zijn gekomen. Zie in dit verband de uitdrukkelijk betwisting door [geïntimeerden] in hun conclusie van antwoord onder 14. Daarop ziet het bewijsaanbod niet. Grief V faalt.

7 Slotsom

Nu alle grieven falen zal het hoger beroep worden verworpen en zullen de vonnissen waarvan beroep worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de procedurekosten in hoger beroep voor zover gevallen aan de zijde van [geïntimeerden] (1 punt, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep en bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van procedure in hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 291,- aan verschotten en op € 452,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door. mr. G. van Rijssen, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 september 2014.