Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7517

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
200.098.190-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uiterste wilsbeschikking. Uitlegging. Art. 4:46 leden 1 en 2 BW. Overgangsrecht. Legaat van vruchtgebruik van de nalatenschap. Keuzelegaat.

Afd. 4.3.1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0270
ERF-Updates.nl 2015-0055
RN 2014/107

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.098.190/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 106906 / HA ZA 10-807)

arrest van de tweede kamer van 30 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.H. Elgersma, kantoorhoudende te Steenwijk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Jeulink, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 24 augustus 2011 van de rechtbank Leeuwarden (ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5881), hierna te noemen de rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 november 2011;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord;

- de fournering van de procesdossiers door partijen en arrestbepaling door het hof.

De conclusie van de memorie van grieven luidt als volgt:

'bij arrest, (…) uitvoerbaar bij voorraad,

het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, op 24 augustus 2011 onder nummer 106906/HA ZA 10-807 tussen partijen gewezen, te vernietigen,

en te beslissen overeenkomstig de conclusie van antwoord in conventie en tevens overeenkomstig de conclusie van eis in reconventie met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties zowel in conventie als in reconventie.'

[appellant] heeft veertien benoemde grieven en één onbenoemde grief opgeworpen. Van de veertien benoemde grieven heeft [appellant] niet alleen de negende grief, maar ook - kennelijk abusievelijk - de veertiende grief als grief IX aangeduid. Het hof zal hierna de veertiende benoemde grief als grief XIV aanduiden.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

1.

[appellant] heeft onweersproken gesteld dat het door hem ingestelde hoger beroep op vrijdag 2 december 2011 in het rechtsmiddelenregister is ingeschreven. Het hof constateert dat, nu de appeldagvaarding is uitgebracht op woensdag 23 november 2011, van een overschrijding van de in art. 3:301 lid 2 BW bedoelde termijn van acht dagen sprake is.

Gelet op het bepaalde in het dictum van het beroepen vonnis onder 6.4 (zie hierna rechtsoverweging 9), is [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover het beroepen vonnis de rechtstoestand van het tot de nalatenschap van de erflater behorende registergoed betreft. Zelfs indien het onderhavige hoger beroep tijdig in het rechtsmiddelenregister was ingeschreven, zou dat [appellant] niet baten, omdat hetgeen hierna zal worden overwogen, zich dan ook zou uitstrekken tot de rechtstoestand van het tot de nalatenschap van de erflater behorende registergoed.

De vaststaande feiten

2.

Niet is gegriefd of anderszins bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in overweging 2 (2.1 tot en met 2.8) van het genoemde vonnis van 24 augustus 2011, hierna te benoemen het beroepen vonnis, behoudens dat een onbenoemde grief is opgeworpen tegen hetgeen de rechtbank in overweging 2.7 heeft vastgesteld.

3.

De hiervoor genoemde grief behelst dat de rechtbank ten onrechte geen andere passages uit de conceptakte als bedoeld in overweging 2.7 van het beroepen vonnis heeft overgenomen dan die over de waardering.

4.

De bedoelde grief treft geen doel, omdat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

5.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld:

"2.1. [geïntimeerde] woonde vanaf juni 1992 samen met[de erflater] (hierna: de erflater). Zij voerden een gezamenlijke huishouding.

2.2.

Bij uiterste wilsbeschikking van 29 december 1992 (hierna: het testament) heeft de erflater onder meer het volgende bepaald:

' B. Als ik kom te overlijden zonder achterlating van één of meer nakomelingen benoem ik tot enig erfgenaam van mijn gehele nalatenschap [geïntimeerde], hierna te noemen “mijn vrouw”, geboren [in 1950], met wie ik duurzaam samenwoon.

Ik verzoek mijn ouder(s) geen beroep op hun wettelijk erfdeel te doen.

C. Als ik tegelijk met of na mijn vrouw kom te overlijden zonder achterlating van één of meer nakomelingen benoem ik tot enige erfgenamen van mijn nalatenschap: voor de helft mijn erfgenamen volgens de wet en voor de andere helft de erfgenamen volgens de wet van mijn vrouw alsof deze tegelijk met mij was overleden en beide kategorieën voor de delen als door de wet bepaald, onder de voorwaarden dat ik enig erfgenaam ben van mijn vrouw en haar ouder(s) schriftelijk hebben berust in haar testament. Als niet aan beide voorwaarden wordt voldaan benoem ik tot mijn enige erfgenamen: mijn erfgenamen volgens de wet.

D. Voor het geval ik overlijd met achterlating van één of meer nakomelingen, legateer ik aan mijn vrouw:

1.

alle goederen van mijn nalatenschap met inbegrip van mijn woning aan [adres], of zoveel zij daarvan kiest, onder de verplichting om de waarde daarvan in mijn nalatenschap in te brengen. De inbreng is pas opeisbaar bij het einde van het hierna gelegateerde vruchtgebruik.

2.

het vruchtgebruik van mijn nalatenschap; dit vruchtgebruik omvat ook de hiervoor genoemde in te brengen waarde.

Ik maak deze beschikkingen omdat ik mij verplicht voel er voor te zorgen dat mijn

vrouw na mijn overlijden verzorgd achterblijft.

Met betrekking tot dit vruchtgebruik bepaal ik:

Het vruchtgebruik:

- gaat in op de dag van mijn overlijden;

- dient binnen twaalf maanden na mijn overlijden bij notariële akte te worden geleverd;

- omvat alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren na aftrek van alle schulden, begrafenis- of crematiekosten, boedel- en taxatiekosten;

- eindigt zoals de wet dat regelt en bovendien als vruchtgebruikster in staat van faillissement wordt verklaard of hertrouwt zonder het maken of handhaven van huwelijksvoorwaarden die uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en verrekeningen inhouden met uitzondering van die van onverteerde inkomsten, tenzij voldoende zekerheid wordt gesteld.

De vruchtgebruikster:

- is vrijgesteld van de verplichting tot zekerheidsstelling tenzij zij is opgenomen in een bejaarden- of verzorgingstehuis, dan wel tot de datum waarop positief is geadviseerd tot opname in zo’n tehuis, en in alle andere gevallen wanneer zij ten laste van een overheidslichaam een uitkering gaat genieten, die geheel of gedeeltelijk op haar vermogen verhaalbaar is;

- is bevoegd over alle aan het vruchtgebruik onderworpen goederen te beschikken, heeft het vergader- en/of stemrecht op aandelen, is vrij in de wijze van beleggen en herbeleggen;

- is verplicht voor eigen rekening het vruchtgebruik vermogen te verzekeren en verzekerd te houden - zoals gebruikelijk is en schade te herstellen, tenzij de eigenaren haar van die verplichtingen ontslaan;

- is bevoegd tot inning van de onder vruchtgebruik vallende vorderingen en het geven van kwijting;

- is bevoegd tot gehele of gedeeltelijke vervreemding of vertering van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen;

- is niet toegestaan haar recht over te dragen of te bezwaren.

Noch bij de aanvang, noch bij het einde van vruchtgebruik vindt enige verrekening of restitutie van vruchten plaats.'

2.3.

Het testament is nadien niet gewijzigd.

2.4.

[in 1996] zijn [geïntimeerde] en de erflater een

samenlevingsovereenkomst met elkaar aangegaan.

2.5.

[in 2001] zijn [geïntimeerde] en de erflater een geregistreerd

partnerschap aangegaan. Er zijn geen partnerschapsvoorwaarden opgesteld, zodat tussen hen een gemeenschap van goederen is ontstaan.

2.6.

De erflater is [in 2005] overleden. [appellant] was toen enig kind van de erflater.

2.7.

In opdracht van [geïntimeerde] heeft notaris [de notaris] (hierna: de notaris) een concept akte afgifte legaten/verdeling opgesteld ter uitvoering van het testament van de erflater. Hierin is, voor zover relevant voor de beoordeling van deze zaak, het volgende bepaald:

'WAARDERING

5.

Op basis van meergemelde aangifte- en aanslag recht van successie, is het saldo van:

(…)

B. De nalatenschap:

tweehonderdzestienduizend zevenhonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent

(€ 216.747,50). Dit saldo dient nog te worden verminderd met de ten laste van de nalatenschap gekomen uitvaartkosten, ten bedrage van twaalfduizend zesenvijftig euro (€ 12.056,00). Resteert een te verdelen saldo van tweehonderdvierduizend zeshonderdeenennegentig euro en vijftig eurocent (€ 204.691,50).'

2.8.

De akte afgifte legaten/verdeling is tot op heden niet gepasseerd."

6.

Voorts heeft [appellant] in hoger beroep onweersproken gesteld dat het beroepen vonnis op de voet van het bepaalde in het dictum ervan onder 6.4 (zie hierna rechtsoverweging 9) is ingeschreven op 14 oktober 2011 in de openbare registers is ingeschreven.

Het geding in eerste aanleg

7.

Het petitum van de inleidende dagvaarding luidt als volgt:

'gedaagde bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht te verklaren dat eiseres erfgenaam is in de nalatenschap van de heer[de erflater];

II te bepalen dat het saldo van de nalatenschap € 204.691,50 bedraagt;

III gedaagde te veroordelen tot medewerking aan het passeren van de notariële akte conform de conceptakte gehecht aan de inleidende dagvaarding en inhoudende de afgifte van het legaat van vruchtgebruik en de vestiging van het vruchtgebruik op de in de conceptakte genoemde onroerende zaak binnen twee weken nadat in deze zaak door uw rechtbank vonnis is gewezen, althans binnen een door uw rechtbank te stellen redelijke termijn, op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat gedaagde hiertoe in gebreke blijft;

IV te bepalen dat het vonnis in de plaats zal treden van de conceptakte indien gedaagde niet aan de voormelde veroordelingen zal voldoen binnen drie weken nadat in deze zaak door uw rechtbank vonnis is gewezen, althans binnen een door uw rechtbank te stellen redelijke termijn.'

8.

Bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie is geconcludeerd tot:

'IN CONVENTIE:

(…) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van eiseres af te wijzen door eiseres in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans eiseres haar vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van eiseres in de kosten van deze instantie.

IN RECONVENTIE:

I voor recht te verklaren dat [appellant] enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater en dat [geïntimeerde] slechts vruchtgebruikster is, indien en voorzoveel zij het legaat aanvaardt;

II te bepalen dat het woonhuis en de inboedelgoederen voor rekening van

[geïntimeerde] dienen te worden getaxeerd alvorens het saldo van de nalatenschap kan worden vastgesteld;

III eiseres te veroordelen tot het betalen van een nader in onderling overleg danwel door uw Rechtbank vast te stellen bedrag als som ineens tegen finale kwijting, danwel tot het stellen van zekerheid ten behoeve van gedaagde voor de voldoening van zijn erfdeel;

IV eiseres te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan een notariële akte houdende afgifte van het legaat van vruchtgebruik en de vestiging van het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de genoemde onroerende zaak, met inachtneming van het nader vast te stellen saldo van de nalatenschap en het enig erfgenaamschap van gedaagde, binnen twee weken nadat in deze zaak door uw

Rechtbank vonnis is gewezen, althans binnen een door uw Rechtbank te stellen redelijke termijn, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat eiseres hiertoe in gebreke blijft, met veroordeling van gedaagde in reconventie in de kosten van deze instantie.'

9.

Het dictum van het beroepen vonnis luidt als volgt:

'De rechtbank

in conventie

6.1. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] erfgenaam is in de nalatenschap van de heer[de erflater],

6.2. bepaalt dat het saldo van de nalatenschap € 204.691,50 bedraagt,

6.3. veroordeelt [appellant] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan het passeren van de notariële akte conform de conceptakte gehecht aan de inleidende dagvaarding en inhoudende de afgifte van het legaat van vruchtgebruik en de vestiging van het vruchtgebruik op de in de conceptakte genoemde onroerende zaak,

6.4. bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van die conceptakte indien [appellant] niet binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan de veroordeling onder 6.3 zal voldoen,

6.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar voor zover het de beslissingen onder 6.3 en 6.4 betreft,

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.'

Toepasselijk recht

10.

Aangezien de erflater na de invoering van het huidige erfrecht, welke invoering op 1 januari 2003 heeft plaatsgehad, is overleden, is op grond van art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek behoudens uitzonderingen het huidige erfrecht te dezen van toepassing.

Met betrekking tot de grieven IV tot en met XI

11.

In de kern richten de grieven IV tot en met grief XI - mede blijkens de toelichting erop - zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] - tezamen met [appellant] - als erfgenaam bij versterf tot de nalatenschap van de erflater is geroepen.

12.

Voorop gesteld moet worden dat tussen partijen niet in geschil is dat van geen van de omstandigheden, zoals vermeld onder B. respectievelijk C. van de uiterste wil (zie hiervoor rechtsoverweging 5), sprake is en dat daarom de voor die omstandigheden gemaakte erfstellingen geen effect sorteren.

13.

Het hof zal met partijen ervan uitgaan dat de omstandigheid dat de erflater [geïntimeerde] niet als degene met wie hij (informeel) duurzaam samenwoonde, maar als geregistreerd partner heeft achterlaten, de onder D. ten behoeve van [geïntimeerde] gemaakte legaten niet heeft doen vervallen.

14.

Gelet op de aard van de door de erflater onder vigeur van het oude erfrecht ten behoeve van [geïntimeerde] gemaakte beschikkingen brengt naar het oordeel van het hof een redelijke wetstoepassing mee dat afd. 4.3.1 BW buiten toepassing blijft.

15.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de uiterste wil niet een uitdrukkelijk gemaakte erfstelling behelst voor het geval dat de erflater zou overlijden met achterlating van één of meer afstammelingen, zoals te dezen het geval is.

16.

Resteert derhalve de vraag of in de door de erflater ten behoeve van [geïntimeerde] gemaakte legaten, meer in het bijzonder in het legaat van vruchtgebruik van de nalatenschap, een stilzwijgend gemaakte onterving van [geïntimeerde] besloten ligt.

17.

Daarbij tekent het hof aan dat er geen rechtsregel bestaat, die inhoudt dat in een legaat van het vruchtgebruik van de nalatenschap een stilzwijgend gemaakte onterving van de legataris (als erfgenaam) wordt vermoed besloten te liggen, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.

18.

Het hof zal thans - binnen dit kader - onderzoeken of de uiterste wil van de erflater een stilzwijgend gemaakte onterving van [geïntimeerde] behelst. Het hof tekent hierbij aan dat iedere wilsverklaring - en derhalve ook de uiterste wil van de erflater - uitlegging behoeft.

19.

De wet reikt voor de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking in art. 4:46 lid 1 BW de maatstaf aan. Volgens dit artikellid dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Met de woorden 'uiterste wil' wordt bedoeld het geheel van de in een akte in neergelegde beschikkingen. In aansluiting op lid 1 bepaalt lid 2 van art. 4:46 BW dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

20.

Het hof is van oordeel dat met toepassing van de uitleggingsmaatstaf van

art. 4:46 lid 1 BW de uiterste wil van de erflater een duidelijke zin heeft. De erflater heeft [geïntimeerde] die ten tijde van het maken van de uiterste wil zijn - informele - samenlevingspartner was, door het maken van de in de uiterste wil onder D. vermelde legaten verzorgd willen achterlaten. Uit de uiterste wil valt naar het oordeel van het hof evenwel niet af te leiden dat de erflater beoogd heeft om een verdergaande verzorging van [geïntimeerde] op voorhand uit te sluiten voor het geval dat hij met haar een huwelijk of een geregistreerd partnerschap zou aangaan en haar als echtgenote respectievelijk geregistreerd partner zou achterlaten, waarbij het hof nog aantekent dat de wet ten tijde van het maken van de uiterste wil door de erflater het geregistreerd partnerschap nog niet kende.

21.

Nu de uiterste wil van de erflater een duidelijke zin heeft, is toepassing van art. 4:46 lid 2 BW niet aan de orde en moet het hof voorbijgaan aan het bewijsaanbod van [appellant] dienaangaande.

22.

Vorenstaande overwegingen leiden - onder verwerping van de hiermee strijdige stellingen van [appellant] - tot de slotsom dat de grieven IV tot en met XI geen doel treffen.

Met betrekking tot de grieven I, II en II

23.

In de kern richten de grieven I, II en III - mede blijkens de toelichting erop - zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de in de inleidende dagvaarding onder III genoemde vordering (zie hiervoor rechtsoverweging 7) van [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiseres in conventie toewijsbaar is. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het petitum van de inleidende dagvaarding in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig en daardoor rechtens onuitvoerbaar is. Hij heeft daarbij met name de volgende passage van de bedoelde vordering van [geïntimeerde] op het oog: ''medewerking aan het passeren van de notariële akte conform de conceptakte gehecht aan de inleidende dagvaarding en inhoudende de afgifte van het legaat van vruchtgebruik en de vestiging van het vruchtgebruik op de in de conceptakte genoemde onroerende zaak''.

24.

Het hof is van oordeel dat aan [appellant] weliswaar kan worden toegegeven dat in het petitum de inhoud van de conceptakte niet geheel zuiver wordt weergegeven, nu in de conceptakte ook sprake is van uitvoering van het onder D.1. van de uiterste wil vermelde keuzelegaat, maar dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat de vordering ertoe strekt om [appellant] te veroordelen tot medewerking aan het verlijden van een notariële akte conform bedoelde conceptakte, waarbij de vermelding van de inhoud ervan (een samenvatting) overbodig is.

25.

De grieven I, II en III moeten derhalve het lot van de grieven IV tot en met XI delen.

Met betrekking tot grief XII:

26.

Grief XII klaagt er - mede blijkens de toelichting - over dat de rechtbank aan hetgeen zij ten aanzien van de inboedelzaken van de erflater heeft beslist, geen boedelbeschrijving, waaronder een schatting van die inboedelzaken, ten grondslag heeft gelegd.

27.

De grief miskent naar het oordeel van het hof dat [appellant] de weg van art. 672 Rv. had kunnen volgen om een aldus tot stand gekomen boedelbeschrijving tijdig in het geding te brengen. Het doel van het hoger beroep is herstel van de door partijen of de rechter in eerste aanleg begane verzuimen. Het door hem ingestelde hoger beroep had [appellant] derhalve kunnen benutten om alsnog in hoger beroep een boedelbeschrijving als hiervoor bedoeld in het geding te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten.

28.

Ook grief XII kan daarom geen doel treffen.

Met betrekking tot grief XIII:

29.

Grief XIII richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie onder III vermelde vordering van [appellant] als oorspronkelijk eiser in reconventie.

30.

Het hof is van oordeel dat er geen gehoudenheid van [geïntimeerde] uit hoofde van de wet of anderszins bestaat om aanstonds tot afrekening ter zake van de nalatenschap van de erflater met [appellant] te komen, terwijl de erflater [geïntimeerde] - behoudens uitzonderingen ten aanzien waarvan niet is gesteld of gebleken dat die zich te dezen voordoen - van de verplichting tot zekerheidstelling heeft vrijgesteld.

31.

Grief XIII is eveneens tevergeefs opgeworpen.

Met betrekking tot grief XIV:

32.

Aangezien grief XIV geen zelfstandige betekenis heeft, kan verdere behandeling ervan achterwege blijven.

De slotsom

33.

[appellant] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep, voor zover het beroepen vonnis de rechtstoestand van het tot de nalatenschap van de erflater behorende registergoed betreft. Voor het overige moet het beroepen vonnis worden bekrachtigd.

Gelet op de betrekking tussen de erflater en ieder van partijen, moeten de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep, voor zover het beroepen vonnis de rechtstoestand van het tot de nalatenschap van de erflater behorende registergoed betreft;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L. Fikkers en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 september 2014.