Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7469

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
13/00912
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:3296, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:752, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zuiveringsheffing. Diverse formele grieven. Calamiteit. Beschadigde opslagtanks.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2438
Belastingblad 2014/450
V-N Vandaag 2014/2024

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00912

uitspraakdatum: 30 september 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, van 23 juli 2013, nummer AWB ZWO 12/1632 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Oost Nederland (Lococensus) (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onroerende zaak [a-straat] 22 te [L] een aanslag in de zuiveringsheffing van waterschap Groot-Salland opgelegd tot een bedrag van € 1.044.052,74.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. De rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank), de uiteindelijke rechtsopvolger van de rechtbank Zwolle-Lelystad, heeft het beroep bij uitspraak van 23 juli 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door

[B], mr. [C] en [D], alsmede mr. [E] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door ir. [F], [G], [H] en [I].

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De onroerende zaak [a-straat] 22 te [L] (hierna: de onroerende zaak) is gelegen op het bedrijventerrein [J] en bestaat onder andere uit opslagtanks die zijn geplaatst in een lekbak. De onroerende zaak en de opslagtanks werden gehuurd door en waren in gebruik bij belanghebbende.

2.2

Op 18 december 2009 zijn door een uiteindelijk naar GRIP-1 opgeschaalde calamiteit opslagtanks 3 en 4 beschadigd geraakt en is uit deze opslagtanks Urean30 (een vloeibare meststof) gestroomd. Met de aanduiding “30” wordt aangegeven dat 30% van het gewicht uit stikstof bestaat. De lekbakken waarin de tanks 3 en 4 waren geplaatst, waren door middel van een afsluiter aangesloten op het gemeenteriool. Elke tank had een maximale capaciteit van 2.200 ton. Een deel van de Urean30 is in eerste instantie in deze lekbakken gestroomd.

2.3

De lekbakken waren recent aangesloten op het riool. De gemeente Kampen en het Waterschap Groot Salland (hierna: het Waterschap) waren hiervan nog niet op de hoogte gesteld. De hulpdiensten die bij de calamiteit waren ingeschakeld, waren van dit feit evenmin op de hoogte. Op 21 december 2009 bleek de werking van de zuivering binnen de RWZI te verslechteren, omdat het ammoniumstikstofgehalte sterk opliep. Hierop zijn door het Waterschap maatregelen getroffen. Deze maatregelen hebben niet kunnen voorkomen dat de gehele waterzuiverende werking van de RWZI is komen stil te liggen.

2.4

De heffingsambtenaar onderbouwt het aantal VE waarvan in de aanslag wordt uitgegaan met een rapport van Tauw van 31 maart 2011 (hierna: het Tauw-rapport). In dit rapport wordt de hoeveelheid Urean30 die in de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) terecht is gekomen, geanalyseerd aan de hand van de gegevens van de debietmeter voor het influent (instroom in RWZI) vanuit de kern [L], de pompgegevens van de rioolgemalen die het bedrijventerrein [J] bedienen en de hoeveelheid stikstof in het effluent (uitstroom) van de RWZI. In dit rapport is rekening gehouden met de reguliere instroom van stikstof in de RWZI.

2.5

Bij het opleggen van de in onderdeel 1.1 bedoelde aanslag is de heffingsambtenaar uitgegaan van 22.266 vervuilingseenheden (hierna: VE) tegen een tarief van € 46,89 per VE. 22.266 VE staat gelijk aan 1.214 m³ Urean30. Voordien was reeds met betrekking tot dezelfde feiten en omstandigheden aan [K] B.V. (een andere rechtspersoon dan belanghebbende) een aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd naar 20.096 VE tot een bedrag van € 932.301,44. Deze aanslag is bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2011 vernietigd.

2.6

Het Algemeen bestuur van het Waterschap heeft op 27 november 2008 de Verordening op de zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland (hierna: de Verordening) vastgesteld. In de Verordening is onder meer het volgende bepaald.

Artikel 1 Begripsbepalingen

De verordening verstaat onder:

a. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;

b. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij een gemeente;

c. zuiveringstechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;

d. afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap;

e. (…)

Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht

1 Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van het direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.

2 Aan de heffing worden onderworpen:

a ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

(…)

4 Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degen bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing onderworpen.”

2.7

Belanghebbende heeft rapporten door [M] B.V. laten opstellen. Deze rapporten hebben als datum, 6 september 2010, november 2010 en 10 april 2012 (alle rapporten hierna tezamen: het [M]-rapport). In dit rapport wordt geanalyseerd hoeveel Urean30 via een aftapbuis en een op het terrein aanwezig drainagesysteem rechtstreeks in de rivier de IJssel kan zijn gestroomd. Ook is in dit rapport geanalyseerd in hoeverre het ureum in Urean30 is omgezet in vluchtig ammoniakgas, zodat een geringere concentratie stikstof de RWZI heeft bereikt.

2.8

Belanghebbende heeft verder een rapport met datum 25 september 2012 door [N] laten opstellen (hierna: het [N]-rapport). In dit rapport wordt geconcludeerd dat het Waterschap meer had kunnen doen om de instroom van de Urean30 in de RWZI te beperken en dat de kosten gemoeid met het herstel van de RWZI een fractie zijn van de hoogte van de in geding zijnde aanslag. Namens de heffingsambtenaar is door Tauw een reactie op het [N]-rapport opgesteld met datum 17 december 2012.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft daartoe het volgende aangevoerd.

  1. de zuiveringsheffing biedt geen grondslag voor heffing bij een calamiteit als de onderhavige;

  2. de afsluiters zijn na de ramp ten onrechte geopend door medewerkers van het Waterschap, het Rijk, de gemeente, dan wel een andere overheidsfunctionaris; door dit handelen heeft de heffingsambtenaar het recht verloren aan belanghebbende de onderhavige aanslag op te leggen;

  3. de hoogte van de heffing is onaanvaardbaar in het licht van de kosten die het Waterschap in verband met de zuivering heeft moeten maken;

  4. e heffingsambtenaar heeft onbehoorlijk gehandeld door eerst een aanslag op te leggen aan de verkeerde rechtspersoon en vervolgens een hogere aanslag aan belanghebbende;

  5. de heffingsambtenaar heeft onbehoorlijk gehandeld door het Tauw-rapport eerst op 1 december 2011 (twee weken voor een geplande hoorzitting op 15 december) aan belanghebbende over te leggen en vervolgens stukken achter te houden;

  6. gelet op de tekst van de Verordening kan slechts worden geheven over de afvalstoffen die terecht zijn gekomen in de RWZI;

  7. door onzorgvuldig handelen van het Waterschap heeft belanghebbende niet (volop) de kans gekregen in (een zijtak van) het riool terechtgekomen Urean30 (geheel) terug te pompen en af te voeren;

  8. gelet op het feit dat het Waterschap niet tijdig de juiste maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de in het riool terechtgekomen Urean30 de RWZI zou bereiken, kan alleen worden geheven over de Urean30 die gedurende de eerste twaalf uren na de ramp de RWZI heeft bereikt;

  9. de in het Tauw-rapport gehanteerde effluentmethode is te onnauwkeurig om als onderbouwing van de aanslag te worden gebruikt.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de heffingsambtenaar en tot vernietiging van de aanslag, subsidiair tot vermindering van de aanslag.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Formele grieven

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat uiteindelijk op 18 april 2012 een hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat belanghebbende vanaf 1 december 2011 beschikte over het Tauw-rapport en aldus op de hoorzitting voldoende in staat was geweest kennis te nemen van dit rapport. Het Hof ziet in de omstandigheid dat het Tauw-rapport wellicht eerder aan belanghebbende ter hand had kunnen worden gesteld geen reden om aan te nemen dat daardoor het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden.

4.2

Belanghebbende heeft verder gesteld dat de heffingsambtenaar bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft ingebracht. De heffingsambtenaar heeft zulks gemotiveerd betwist en belanghebbende heeft niet concreet kunnen aangeven welke stukken de heffingsambtenaar achter zou houden. Gelet hierop acht het Hof het niet aannemelijk dat de heffingsambtenaar op de zaak betrekking hebbende stukken niet zou hebben ingebracht.

4.3

Belanghebbende heeft gesteld dat de afsluiters van de lekbakken ten tijde van de ramp gesloten moesten zijn, omdat zulks in de werkinstructie stond. De heffingsambtenaar heeft dit gemotiveerd betwist en erop gewezen dat de werkinstructie ten tijde van de ramp niet op de werkplek aanwezig was en dat het bestaan van een werkinstructie niet betekent dat de werkinstructie ook altijd wordt gevolgd. Verder heeft de heffingsambtenaar betwist dat, indien de afsluiters eerst na de calamiteit zijn geopend, zulks door een overheidsfunctionaris moet zijn gebeurd.

4.4

Naar het oordeel van het Hof drukt de bewijslast dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden -en derhalve dat de afsluiters door overheidsfunctionarissen zijn geopend- op belanghebbende. Met hetgeen zij heeft aangevoerd heeft zij, gelet op de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, zulks niet aannemelijk weten te maken.

4.5

Het feit dat met betrekking tot dezelfde feitenconstellatie eerst aan de verkeerde rechtspersoon een aanslag tot een lager bedrag was opgelegd, brengt naar het oordeel van het Hof niet mee dat de heffingsambtenaar de onderhavige aanslag niet meer kon opleggen. Immers, aan belanghebbende was nog geen aanslag opgelegd, zodat het de heffingsambtenaar vrijstond met betrekking tot dezelfde feitenconstellatie een tweede aanslag op te leggen, en nu aan de juiste rechtspersoon. Bij belanghebbende is nimmer het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat deze aanslag aan de juiste rechtspersoon niet hoger zou zijn dan de in eerste instantie aan de verkeerde rechtspersoon opgelegde aanslag.

4.6

Het bovenstaande brengt mee dat de hogerberoepsgronden genoemd in onderdeel 2 onder b), d) en e) belanghebbende niet kunnen baten.

Zuiveringsheffing biedt geen grondslag bij calamiteit

4.7

Belanghebbende heeft bepleit dat de zuiveringsheffing geen grondslag biedt voor heffing bij een calamiteit als de onderhavige, waarbij buiten de wil van belanghebbende om afvalstoffen in het riool en vervolgens (gedeeltelijk) in de RWZI terechtkomen. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Het begrip “brengen” zoals gehanteerd in de definitie van het begrip “afvoeren” impliceert, anders dan belanghebbende blijkbaar meent, niet een op een wilsbesluit van de belastingplichtige gebaseerde handeling. Zulks zou ook niet stroken met de doelstelling van de zuiveringsheffing, te weten het genereren van inkomsten teneinde de kosten die zijn verbonden aan de waterzuivering te bestrijden.

4.8

Gelet op het bovenstaande kan ook de hogerberoepsgrond genoemd in onderdeel 2 onder a) belanghebbende niet baten.

Beperking van de heffing tot dat gedeelte van de afvalstoffen die de RWZI hebben bereikt

4.9

Volgens belanghebbende blijkt uit de tekst van de in artikel 1, onder c, van de Verordening gegeven definitie dat een riolering wordt uitgesloten van een zuiveringstechnisch werk. Dit brengt volgens belanghebbende mee, dat enkel de afvalstoffen die de RWZI hebben bereikt in de heffing mogen worden betrokken. Nu de tekst van artikel 1, onder c in verbinding met artikel 3, eerste lid, van de Verordening duidelijk is kan volgens belanghebbende niet meer worden toegekomen aan een eventuele bedoeling van het Waterschap zonder het legaliteitsbeginsel te schenden.

4.10

Het standpunt van belanghebbende berust op een onjuiste lezing van artikel 1, onder c, van de Verordening. Dit artikelonderdeel maakt onderscheid tussen enerzijds een werk voor het zuiveren van afvalwater en anderzijds een werk voor het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering. De toevoeging “niet zijnde een riolering” voorkomt dat een voorziening voor het transport van afvalwater die in beheer bij een gemeente is (artikel 1, onder b, van de Verordening), onder een zuiveringstechnisch werk wordt geschaard. Door het gebruik van de begrip “afvoeren” in artikel 3, eerste lid, van de Verordening moet het “het brengen van stoffen op een riolering” mede als belastbaar feit worden aangemerkt. Dit is immers de in artikel 1, onder d, van de Verordening gegeven definitie van het begrip “afvoeren”.

4.11

Belanghebbende gaat ervan uit dat 1.278 m³ Urean30 in het riool is gebracht en bestrijdt derhalve niet dat minimaal 1.214 m³ Urean30 -de hoeveelheid waarvan de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan- in de riolering is gebracht. Belanghebbende heeft ook niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden dat 1.214 m³ Urean30 neerkomt op 22.266 vervuilingseenheden (hierna: VE). Ten slotte heeft belanghebbende bevestigd dat het juiste tarief per VE (€ 46,89) is toegepast.

4.12

Gelet op het bovenstaande kunnen ook de hogerberoepsgronden genoemd in onderdeel 2 onder f), g), h) en i) belanghebbende niet baten.

De heffing is onredelijk hoog

4.13

Belanghebbende baseert zijn standpunt dat de heffing onredelijk hoog is op drie gronden:

1. Voor zover de heffing het gevolg is van het openen van de afsluiters van de lekbakken door derden, kan de heffing niet bij belanghebbende plaatsvinden.

2. Belanghebbende had schadebeperkende maatregelen kunnen treffen als zij na de calamiteit eerder bij het beperken van de gevolgen van de calamiteit was betrokken.

3. De hoogte van de heffing is onaanvaardbaar in het licht van de kosten die het Waterschap in verband met de zuivering heeft moeten maken.

ad 1 en 2. Het Hof kan belanghebbende in haar stellingen niet volgen. Blijkens de Verordening wordt ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte aan de heffing onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte, dat wil zeggen degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Niet in geschil dat belanghebbende de gebruiker is van de bedrijfsruimte van waaruit is afgevoerd. Voor zover overheidsfunctionarissen inderdaad de afsluiters vlak na de calamiteit zouden hebben geopend, hetgeen belanghebbende heeft gesteld maar naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk is geworden, zou deze omstandigheid niet meebrengen dat belanghebbende hierdoor niet langer als gebruiker van de bedrijfsruimte is aan te merken. De vraag of belanghebbende anderen aansprakelijk kan stellen voor deze heffing kan niet door het Hof in deze procedure beantwoord worden. Evenmin is in geschil dat daadwerkelijk minimaal 1.214 m³ Urean30 in de riolering is gebracht. Het belastbare feit heeft zich voorgedaan.

ad 3. Ook deze stelling van belanghebbende wordt door het Hof niet gevolgd. Het feit dat een zuiveringsheffing kan worden geheven om de kosten die zijn verbonden aan de waterzuivering te bestrijden, betekent niet dat ter zake van iedere aanslag slechts die kosten kunnen worden verhaald die gemoeid zijn met dat belastbare feit. De tariefstelling van de zuiveringsheffing is naar het oordeel van het Hof verder niet zodanig hoog, dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing.

4.14

Gelet op het bovenstaande kan ook de hogerberoepsgrond genoemd in onderdeel 2 onder c) belanghebbende niet baten.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 30 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

( A. Vellema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 september 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.