Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7440

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
200.150.772-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.772/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131843/FJ RK 14-17)

beschikking van de familiekamer van 25 september 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 maart 2014 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is voor zover van belang, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 1], geboren [in] 2009 in de gemeente [gemeente] (verder te noemen: [minderjarige 1]), verlengd met ingang van 15 maart 2014 tot 15 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juni 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof - zakelijk weergegeven - de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 1] alsnog te weigeren, althans de duur ervan te beperken tot drie maanden, althans een zodanige periode als het hof juist acht. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten naar de mogelijkheden en benodigdheden voor thuisplaatsing van [minderjarige 1].

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 juli 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder het journaalbericht van mr. Crozier van 27 juni 2014 met bijlagen en de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) van 18 juni 2014 waarin desgevraagd is meegedeeld dat de raad niet beschikt over relevante rapportages/adviezen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 september 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens BJZ [A] (juridisch medewerkster) en [B] (namens de gezinsvoogd [C] die wegens vakantie verhinderd is de zitting bij te wonen) en voorts is de advocaat van de vader verschenen.

3 Feiten en achtergronden

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof onder meer het volgende gebleken.

3.2

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De moeder is samen met haar drie kinderen uit een eerdere relatie bij de vader ingetrokken. De betreffende kinderen van de moeder uit haar eerdere relatie zijn vervolgens uit huis geplaatst.

3.3

De vader en de moeder hebben samen twee kinderen, namelijk voornoemde [minderjarige 1] (thans vijf jaar oud) en haar oudere zus [minderjarige 2], geboren op 1 september 2000 (thans dus veertien jaar oud). De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.4

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de kinderrechter met ingang van 15 maart 2013 onder toezicht gesteld van BJZ. Aan de basis van die maatregel ligt een rapport van de raad van 27 februari 2013, waaruit blijkt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd in de thuissituatie bij de moeder. Er zijn problemen in het gezin op meerdere gebieden.

3.5

Rond het uitspreken van de ondertoezichtstelling hebben de vader en de moeder hun relatie verbroken. Op of omstreeks 30 april 2013 heeft de moeder met [minderjarige 1] (vanwege huiselijk geweld) de woning verlaten. Na een tijdelijk onderdak in het eigen netwerk van de moeder zijn zij in de crisisopvang in [plaats] opgevangen.

3.6

Na een tijdelijk verblijf in een netwerkpleeggezin is [minderjarige 1] tijdelijk bij de vader in de ouderlijke woning (terug) geplaatst, alwaar ook [minderjarige 2] verbleef, in afwachting van een geschikt pleeggezin. In deze periode is ambulante spoedeisende hulp ingezet en heeft er psychodiagnostisch onderzoek met betrekking tot [minderjarige 1] plaatsgevonden door het diagnostiekteam Friesland van BJZ, waarbij ook de ouders zijn betrokken. Uit dat psychodiagnostisch onderzoek, waarvan verslag is gedaan bij rapport van 27 juni 2013 dat is ondertekend door de GZ-psycholoog [GZ-psycholoog], blijkt onder meer dat bij [minderjarige 1] sprake is van een ontwikkelingsachterstand op cognitief en sociaal-emotioneel niveau en dat zij een vermijdende hechtingsstijl heeft ontwikkeld.

3.7

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 augustus 2013 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de (niet met het gezag belaste) vader, verlengd met ingang van 31 augustus 2013 tot 31 november 2013. Blijkens de stukken is die machtiging verleend in afwachting van een geschikte plek voor [minderjarige 1] in een (neutraal) pleeggezin.

3.8

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2013 is tevens machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend, die bij de hier bestreden beschikking laatstelijk is verlengd. [minderjarige 1] verblijft sinds 20 september 2013 in haar huidige pleeggezin op basis van die (verlengde) machtiging. Tevens is in de bestreden beschikking de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlengd.

3.9

De moeder kan zich niet vinden in de bestreden beschikking voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.


De standpunten

3.10

De moeder is blijkens het beroepschrift van mening dat de onderhavige machtiging ten onrechte is verlengd. Zij heeft daartoe onder meer opgemerkt dat sprake is van een tegenstrijdigheid in die zin dat enerzijds volgens BJZ de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] voor haar rekening te nemen, terwijl anderzijds BJZ heeft ingestemd met de terugkeer van [minderjarige 2] naar de moeder. De moeder is van mening dat het in het belang van [minderjarige 1] is om op te groeien bij familie in het gezin bij de moeder. De moeder verzoekt het hof om een onderzoek door de raad te gelasten teneinde de mogelijkheid van thuisplaatsing van [minderjarige 1] te onderzoeken. De moeder stelt dat zij goed in staat is om [minderjarige 1] de nodige geborgenheid, veiligheid en zorg te bieden. De moeder merkt op dat zij open staat voor vrijwillige hulpverlening en dat de eerdere onderzoeken niet representatief zijn omdat die zijn afgenomen in een voor de minderjarige stressvolle situatie. Ter zitting van het hof heeft de moeder haar standpunt nader toegelicht mede aan de hand van vragen van het hof.

3.11

BJZ heeft het standpunt van de moeder gemotiveerd bestreden en is van mening dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg nog onverkort aanwezig zijn. BJZ is van mening dat een nieuw onderzoek geen toegevoegde waarde heeft omdat de onderzoeken die reeds zijn verricht een heldere diagnostiek geven en een goede leidraad bieden voor beleid ten aanzien van het toekomstperspectief van [minderjarige 1]. BJZ acht voortzetting van het verblijf in het pleeggezin noodzakelijk in het belang van [minderjarige 1].

3.12

De vader is met BJZ van mening dat de opvoedingssituatie bij de moeder ontoereikend is voor [minderjarige 1]. Hij schaart zich dan ook eveneens achter de bestreden beschikking. Wel is de vader het eens met de moeder dat de onderzoeken die vorig jaar hebben plaatsgevonden niet geheel representatief zijn omdat die zijn afgenomen in een stressvolle situatie.

4 De motivering van de beslissing



Ten aanzien van de positie van de vader in deze procedure

4.1

Ambtshalve overweegt het hof allereerst dat de vader door het hof in deze procedure als belanghebbende wordt aangemerkt, ondanks dat hij niet mede is belast met het gezag over [minderjarige 1], omdat [minderjarige 1] voordat zij in het pleeggezin werd geplaatst geruime tijd door de vader als behorend tot zijn gezin is verzorgd en opgevoed.


De inhoudelijke beoordeling

4.2

Ter beoordeling staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 maart 2014 tot 15 maart 2015.

4.3

Overeenkomstig de artikelen 1:261 lid 1 en 1:262 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging als de onderhavige verlenen en zo nodig verlengen voor telkens ten hoogste een jaar, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.4

Het hof is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat [minderjarige 1] (evenals [minderjarige 2]) in de thuissituatie bij de moeder jarenlang en structureel is blootgesteld aan verwaarlozing waardoor zij in haar ontwikkeling ernstig is beschadigd. Er waren problemen in het gezin bij de moeder op meerdere gebieden waaronder financiële problemen, huiselijk geweld en mogelijke alcoholproblematiek. De kinderen zijn veelvuldig getuige geweest van ruzies en geweld tussen hun ouders. Bij aankomst in het pleeggezin op 20 september 2013 was bij [minderjarige 1] sprake van ernstig ondergewicht en spraakproblemen en maakte zij een zeer kwetsbare en soms angstige indruk.

4.5

Met betrekking tot [minderjarige 1] is in het voormelde psychodiagnostisch onderzoek in juni 2013 onder meer vastgesteld dat zij zowel op cognitief niveau als op sociaal-emotioneel niveau een achterstand heeft in haar ontwikkeling. Door een chronisch tekort aan veiligheid en geborgenheid lijkt [minderjarige 1] een vermijdende hechtingsstijl te hebben ontwikkeld. Omdat zij te weinig steun heeft ervaren van beide ouders bij het omgaan met stress of het uiten van emoties, heeft zij geleerd dat zij zelf dingen moet oplossen in plaats van een beroep te doen op anderen. Vertrouwen in haar ouders ontbreekt. Er is geen sprake van een veilige hechting aan de ouders.

4.6

[minderjarige 1] heeft behoefte aan continuïteit, structuur en voorspelbaarheid, zorg, aandacht en geborgenheid. De rust, voorspelbaarheid en stabiliteit in het pleeggezin doen haar dan ook goed. In relatief korte tijd is [minderjarige 1] aangekomen, doordat zij gezonde maaltijden leert eten, en er is sprake van een toenemend vertrouwen tussen [minderjarige 1] en met name haar pleegmoeder. [minderjarige 1] leert zich in het pleeggezin te uiten en is minder bedeesd. De zindelijkheidsproblemen van [minderjarige 1] zijn nog actueel maar de pleegouders trachten hier niet teveel nadruk op te leggen. Er wordt vooralsnog vooral ingezet op stabilisatie, het op gang brengen van hechting en het stimuleren van de ontwikkeling. Het pleeggezin krijgt daarbij professionele ondersteuning van ‘Zo! Zorgoplossingen’.

4.7

Het hof is ervan overtuigd dat beide ouders niet aan de hiervoor genoemde bijzondere opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] tegemoet kunnen komen. Dat blijkt niet alleen uit de voorgeschiedenis van de zaak maar ook uit de rapportage van het diagnostiekteam van BJZ, waarin ook over deze onvoldoende opvoedcapaciteiten van de ouders is gerapporteerd. Daarbij blijkt uit het intelligentieonderzoek dat op 19 maart 2014 door de GZ-psycholoog[GZ-psycholoog] ten aanzien van de moeder is afgenomen dat de moeder laag begaafd is (TIQ 75). Naast de kindfactoren en met name het feit dat de positieve ontwikkeling van [minderjarige 1] in het pleeggezin niet dient te worden doorbroken, zijn er dus ook ouderfactoren die in de weg staan aan terugkeer van [minderjarige 1]. De terugkeer van [minderjarige 1] naar de moeder zou, gelet op haar bijzondere opvoedingsbehoeften, een te grote draaglast voor de moeder impliceren. Bovendien verloopt ook de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] nog niet zonder problemen. Uit het verslag van de begeleide omgangsmomenten blijkt in dit verband dat de moeder interesse toont en zich betrokken toont bij [minderjarige 1], maar dat zij grote moeite heeft om zich in de belevingswereld van [minderjarige 1] te verplaatsen. De moeder stelt zichzelf en haar eigen belevenissen centraal.

4.8

Dat de onderzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] en de moeder niet representatief zouden zijn is niet nader onderbouwd door de moeder met relevante bescheiden, zoals een contra-expertise, zodat het hof de moeder niet volgt in die stelling. Het hof acht die stelling ook niet aannemelijk nu sprake is van langdurige en structurele problematiek bij de ouders blijkens de stukken.

4.9

Voor zover de moeder erop heeft gewezen dat BJZ met terugkeer van [minderjarige 2] naar de moeder heeft ingestemd, wijst het hof erop dat ter zitting van het hof is gebleken dat de terugkeer van [minderjarige 2] naar de moeder inmiddels is beëindigd wegens ernstige conflicten tussen [minderjarige 2] en de moeder. Dit kan reeds daarom geen steun bieden voor de stelling van de moeder dat zij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weer (met hulp) op zich te nemen. Daarnaast verschilt de situatie van [minderjarige 1] aanzienlijk van die van [minderjarige 2]. [minderjarige 1] is nog zeer jong en erg kwetsbaar. Dat BJZ daarom een andere weging heeft gemaakt ten aanzien van het perspectief van [minderjarige 2] acht het hof op voorhand niet onbegrijpelijk. In dit verband heeft BJZ voorts toegelicht dat de plaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder uit nood was geboren en dat [minderjarige 2], anders dan [minderjarige 1], een grote loyaliteit had jegens de ouders. De voorgeschiedenis toont daarbij dat de ouders de oorzaken buiten zichzelf legden en consequent zorgmijdend waren. Het hof is niet gebleken dat daarin een wezenlijk verandering is opgetreden. Terecht heeft de kinderrechter daarom BJZ gevolgd in zijn standpunt dat het perspectief van [minderjarige 1] in het pleeggezin ligt in de periode in geding.

4.10

Gelet op het bovenstaande is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk. Het hof ziet geen aanleiding een nader onderzoek te gelasten en ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst van de reeds verrichte onderzoeken of de zorgvuldigheid van die onderzoeken. De moeder stelt dat haar situatie is verbeterd sinds zij samenwoont met haar nieuwe partner. Het hof is van oordeel dat ook al zou sprake zijn van een positieve ontwikkeling, dit niet leidt tot een ander oordeel. De gestelde positieve ontwikkeling is, zo al reëel, van recente datum en van de stabiliteit daarvan is niets bekend.

4.11

Aangezien ook overigens niets is aangevoerd dat tot een ander oordeel kan leiden volgt uit het voorgaande dat het hoger beroep van de moeder faalt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2014 waarvan beroep;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. J.G. Idsardi en mr. I.A. Vermeulen en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014 in bijzijn van de griffier.