Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7399

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
200.154.556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgesproken faillissement bekrachtigd. Summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht. Voorts is sprake van pluraliteit van schuldeisers en is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat appellante in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.154.556

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/14/728 F)

arrest van de eerste civiele kamer van 25 september 2014

inzake

[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. M.M. Olthoff-Worst,

tegen:

mr. R.H. Smink,
in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Regge Vastgoed B.V.,
kantoorhoudende te Amersfoort,

geïntimeerde,
hierna: mr. Smink q.q.,
advocaat: mr. G.H. Smink.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 augustus 2014 is [appellante] op verzoek van mr. Smink q.q. in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. H.C.M. Hendriks tot curator. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 22 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof primair verzocht dat vonnis te vernietigen en subsidiair haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met één bijlage van 12 september 2014 en het faxbericht met bijlagen (waaronder nadere gronden van het hoger beroep; [appellante] heeft daarin het onder 1. genoemde subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingetrokken) van 16 september 2014 van mr. G. van Atten, kantoorgenoot van mr. Olthoff-Worst, een faxbericht met bijlagen van
16 september 2014 van de curator, een faxbericht met bijlagen van mr. Smink q.q. van
16 september 2014 en een faxbericht met bijlagen van 18 september 2014 van mr.
Van Atten.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2014, waarbij [appellante] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Atten, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde schriftelijke aantekeningen. Mr. Smink q.q. is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De eveneens ter zitting verschenen curator heeft het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen.

2.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Smink q.q. uit juni en juli 2004 daterende afschriften van de ondernemersrekening van Regge Vastgoedlease B.V.
(later genaamd Regge Vastgoed B.V.) bij ABN AMRO Bank overgelegd.

2.5

Na afloop van de mondelinge behandeling, op 22 september 2014, heeft mr. Van Atten nog een faxbericht met bijlage aan het hof, de curator en mr. Smink q.q. toegezonden. Vervolgens heeft mr. Smink q.q. bij faxbericht met bijlagen van 23 september 2014 gereageerd, waarop mr. Van Atten bij faxbericht van 24 september 2014 een reactie heeft gegeven.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Nu ook in hoger beroep niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van [appellante] zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin de plaats van de statutaire zetel is gelegen, gaat het hof, evenals de rechtbank, op grond van het bepaalde in artikel 3 van de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

3.2

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellante], geboren op [geboortedatum], is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [partner] (hierna: [partner]). In 2004 heeft [appellante] in [woonplaats] een stuk grond gekocht waarop zij een woning heeft laten bouwen. De woning, die als echtelijke woning wordt gebruikt, is volledig eigendom van [appellante]. Mr. Smink q.q. heeft ter zitting onweersproken gesteld dat met de aankoop en de bouw van die woning een bedrag van ongeveer € 400.000,- was gemoeid en dat [appellante] voor een bedrag van € 250.000,- een hypothecaire geldlening heeft afgesloten bij CMIS.
[appellante] is tot 16 december 2009 (mede) bestuurder en enig aandeelhouder geweest van Regge Vastgoed B.V.; [partner] is tot 6 september 2012 bestuurder geweest van deze B.V.
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 augustus 2014 is ook [partner] in staat van faillissement verklaard. Het namens hem tegen dat vonnis bij dit hof ingestelde hoger beroep is kort voor de mondelinge behandeling op 18 september 2014 ingetrokken.

3.3

De rechtbank heeft [appellante] in staat van faillissement verklaard op grond van het hierna volgende.
Aan het verzoek ligt een opeisbare vordering ten grondslag van de boedel van Regge Vastgoed B.V. uit hoofde van geldlening van € 92.728,04. Deze vordering is door [appellante]

betwist. De advocaat van [partner] heeft bij brief van 18 december 2013 de juistheid van deze vordering wel erkend. Nu [appellante] en [partner] beiden ter zitting hebben verklaard dat [appellante] nooit inhoudelijk betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering en [partner] de geldzaken van zowel Regge Vastgoed B.V. als [appellante] voor zijn rekening nam, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de in voormelde brief opgenomen erkenning. [partner] heeft bovendien ter zitting bevestigd dat het saldo van de lening op 18 december 2013 € 92.728,04 bedroeg. De stelling van [appellante] dat zij na 18 december 2013 nog betalingen ten behoeve van Regge Vastgoed B.V. zou hebben gedaan die deze vordering overstijgen, achtte de rechtbank zonder nadere onderbouwing weinig geloofwaardig.

Na summier onderzoek is - nog steeds volgens de rechtbank - gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Vast is komen te staan dat [appellante] meerdere schulden heeft, waaronder een geldlening van CMIS van € 225.000,- waarvoor een recht van hypotheek op het woonhuis is verleend, een negatief saldo uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Rabobank van € 2.010,- en een vordering van de Belastingdienst van € 67.325,-. Of deze vorderingen al dan niet opeisbaar zijn is, anders dan [appellante] heeft betoogd, geen vereiste om tot steunvordering te kunnen dienen.

Voorts is de rechtbank gebleken dat [appellante] zelf geen inkomsten genereert en dat op alle

vermogensbestanddelen van haar en [partner] beslag is gelegd. Voor de voor het levensonderhoud noodzakelijke betalingen zijn zij en [partner] afhankelijk van hun kinderen. Daarmee staat vast dat [appellante] in de toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen, aldus de rechtbank.

3.4

Het hof stelt het volgende voorop. Een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag daarvan bestaand vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser alsmede van het (thans) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bestaan van meerdere schulden is weliswaar een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand; ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

3.5

Het hof is van oordeel dat in hoger beroep summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de boedel van Regge Vastgoed B.V. op [appellante]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] niet voldoende gemotiveerd de stelling van mr. Smink q.q. heeft weersproken (waarbij hij heeft gewezen op de ter zitting door hem overgelegde rekeningafschriften van ABN AMRO Bank) dat Regge Vastgoed B.V. in juni 2004 ten behoeve van de aankoop en de bouw van [appellante] woning te [woonplaats] circa € 300.000,-, heeft overgemaakt aan onder meer de transporterende notaris en de aannemer (telkens onder vermelding van “hypotheek [appellante]”). Die betalingen ondersteunen de juistheid van de in de jaarstukken van Regge Vastgoed B.V. opgenomen geldlening van Regge Vastgoed B.V. aan [appellante] (waarop [appellante] volgens het jaarverslag over 2011 op dat moment € 341.591,- schuldig was). De juistheid van de jaarstukken wordt tevens ondersteund door het feit dat [partner], degene die volgens [appellante] verklaring ter zitting in hoger beroep alle financiële zaken
- waaronder ook de bekostiging van de aankoop en de bouw van haar woning - regelde, ter zitting in eerste aanleg (waar de faillissementsrekesten tegen [partner] en [appellante] gelijktijdig werden behandeld) heeft erkend dat Regge Vastgoed B.V. een bedrag heeft geleend aan [appellante]. Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien met de mededeling (namens [partner]) van mr. Van Atten bij brief van 18 december 2013 aan mr. Smink q.q. dat van de oorspronkelijke lening van Regge Vastgoed B.V. aan [appellante] - in verband met gedeeltelijke overname van de lening door drie andere partijen - op dat moment nog resteerde een bedrag van € 92.728,04, acht het hof summierlijk gebleken dat de boedel van Regge Vastgoed B.V. in ieder geval een vorderingsrecht op [appellante] toekomt. [appellante] heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom de in de jaarstukken van Regge Vastgoed B.V. opgenomen geldlening aan haar moet worden beschouwd als een spookvordering. Het had op haar weg gelegen tenminste te verklaren hoe zij de aankoop en de bouw van haar woning - waarvoor € 400.000,- benodigd was - dan wel gefinancierd heeft (naast de hypothecaire geldlening van € 250.000,-). Dit heeft zij echter nagelaten.

Bij zijn na de mondelinge behandeling verstuurde faxbericht heeft mr. Van Atten een hypotheekakte van 21 juni 2004 toegezonden waaruit blijkt dat Regge Vastgoedlease B.V. in juni 2004 inderdaad een (hypothecaire) lening heeft verstrekt aan [appellante]; de hoofdsom bedroeg € 277.500,-. In dat faxbericht is (voor het eerst) betoogd dat die lening nog niet opeisbaar is. Uit de bijgevoegde hypotheekakte blijkt echter dat de hoofdsom met rente (ad 5,4% per jaar) direct opeisbaar is (onder meer) zodra de schuldenaar in verzuim is ten aanzien van enige verplichting uit hoofde van de akte en bij faillissement van de schuldenaar, of de aanvraag daartoe. Ondanks dat mr. Smink q.q. gemotiveerd heeft gesteld dat [appellante] in ieder geval in verzuim was ten aanzien van haar verplichting rente te betalen, heeft [appellante] noch bij het faxbericht noch eerder gesteld dat zij die renteverplichtingen heeft voldaan. Haar verweer was er enkel op gericht dat er geen sprake was van een geldlening van Regge Vastgoed B.V. aan haar. Die stelling heeft zij na afloop van de mondelinge behandeling kennelijk verlaten. Gelet op het voorgaande had het echter op haar weg gelegen te stellen dat en waarom de lening thans nog niet opeisbaar zou zijn. Nu zij dat heeft nagelaten (ook uit haar nadere reactie van 24 september 2014 blijkt dat onvoldoende) passeert het hof dit nadere verweer. Niet valt in te zien waarom mr. Smink q.q. met de onderhavige faillissementsaanvraag misbruik van recht zou maken, zoals [appellante] bij voormeld faxbericht nog heeft gesteld. Het hof passeert dus ook dat verweer.

3.6

Tevens is gebleken dat naast de vordering van de boedel van Regge Vastgoed B.V. van ten minste ongeveer € 92.000,- in elk geval CMIS een vordering van € 225.000,- op [appellante] heeft. Dat die vordering nog niet opeisbaar is, doet niet af aan het gegeven dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Bovendien heeft [appellante] in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij over voldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, dan wel met hen een afdoende regeling te treffen (de omstandigheid dat één van haar kinderen voor haar de vaste lasten betaalt en bereid is zo nodig enkele - overigens relatief kleine - vorderingen van [appellante] op eigen naam te zetten, is onvoldoende). Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Het vonnis waarvan beroep dient dan ook te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 augustus 2014.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, S.M. Evers en H.L. Wattel, en is op 25 september 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.