Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7395

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
13/01309
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:4479, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid hof. Vaststelling beschikking zorgtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2372
V-N Vandaag 2014/1980
V-N 2015/14.23.3
Mr.drs. A.J. Meijer annotatie in NTFR 2014/2677

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01309

uitspraakdatum: 23 september 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 november 2013, nummer AWB ZWO 13/1389, in het geding tussen belanghebbende en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Bij besluiten van 30 januari 2009, 12 januari 2010, 15 oktober 2010 en 24 augustus 2012 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag voor belanghebbende voor respectievelijk de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 definitief vastgesteld. Bij besluiten van respectievelijk 31 december 2012, 28 december 2012, 7 januari 2013 en 2 januari 2013 heeft de Belastingdienst de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag voor deze jaren herzien en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 8 januari 2013 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag voor belanghebbende voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 836 teruggevorderd.

1.2

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 mei 2013 heeft de Belastingdienst de tegen deze besluiten gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Oost-Nederland. Bij brief van 11 september 2013 heeft de Belastingdienst de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de jaren 2007 tot en met 2010 ingetrokken en de bezwaren met betrekking tot deze jaren gegrond verklaard. De rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) heeft, als rechtsopvolger van de rechtbank Oost-Nederland, bij uitspraak van 11 november 2013 de beroepen gericht tegen de herziene uitspraken op bezwaar van 11 september 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 8 mei 2013 met betrekking tot het jaar 2011 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder bepaald dat de Belastingdienst het door belanghebbende in verband met de beroepen verschuldigde griffierecht dient te vergoeden.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A], de zoon van belanghebbende. Namens de Belastingdienst is, met voorafgaande kennisgeving, niemand verschenen.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De feiten

2.1

Belanghebbende staat vanaf 1 december 2000 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: gba) ingeschreven op het adres [a-straat] 37, [Z]. Op datzelfde adres staat sinds 1 januari 2004 mevrouw [B] (hierna: [B]) ingeschreven in de gba. Uit de relatie tussen belanghebbende en [B] zijn vóór 2011 twee kinderen geboren, te weten [C] en [D].

2.2

Onder de uitspraak van de Rechtbank staat vermeld dat belanghebbende tegen die uitspraak hoger beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In de aan belanghebbende gerichte begeleidende brief bij de uitspraak van de Rechtbank staat vermeld dat belanghebbende tegen die uitspraak in hoger beroep kan gaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

3 Geschil

3.1

In geschil is of het Hof bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep en zo ja, of belanghebbende tijdig hoger beroep heeft ingesteld (ontvankelijkheid).

Materieel is in geschil het antwoord op de vraag of [B] bij het vaststellen van de definitieve berekening zorgtoeslag voor het jaar 2011 door de Belastingdienst terecht op grond van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) als toeslagpartner van belanghebbende is aangemerkt.

3.2

De Belastingdienst beantwoordt de materiële vraag bevestigend en de formele vragen ontkennend; belanghebbende heeft tegengestelde standpunten ingenomen.

3.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid

4.1

Belanghebbende heeft de griffier van het Hof in een telefoongesprek op 13 januari 2014 laten weten dat hij niet wenste dat zijn hogerberoepschrift op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zou worden doorgezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbende heeft deze wens ter zitting herhaald en daaraan toegevoegd dat, ook na een eventuele onbevoegdverklaring door het Hof, zijn bij het Hof ingediende hogerberoepschrift niet moet worden doorgezonden op de voet van artikel 6:15 van de Awb. Derhalve zal het Hof beoordelen of het bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van belanghebbende.

4.2

Artikel 8:105 van de Awb bepaalt dat het hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. Op grond van artikel 12 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan bij het gerechtshof hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit omschreven in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De in onderdeel 1.1 van deze uitspraak genoemde besluiten zijn geen ingevolge de belastingwet genomen besluiten als bedoeld in artikel 26 van de AWR. Nu voorts het toetsingsinkomen van belanghebbende tussen partijen niet in geschil is, brengt zulks mee dat belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 11 november 2013 geen hoger beroep bij het Hof kan instellen. Er is geen ander wettelijk voorschrift – als hiervoor bedoeld – dat leidt tot een andere conclusie. Anders dan belanghebbende meent, brengt de omstandigheid dat bij de beslechting van het materiële geschil het partnerbegrip als bedoeld in artikel 3 van de Awir aan de orde is en dat dit partnerbegrip sterk lijkt of gelijk is aan het in de AWR en de Wet inkomstenbelasting 2001 gehanteerde partnerbegrip, niet met zich dat het Hof in weerwil van de wettelijke bepalingen bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het Hof onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep van belanghebbende.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2014

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 september 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.