Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7389

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
200.143.304-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Beroep op aanvaardbaarheidstoets afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.304/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, C/18/144130/ FA RK 13-2423)

beschikking van de familiekamer van 16 september 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H. Siesling-Vellinga, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M. Mok, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 december 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 7 maart 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 23 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Mok van 21 mei 2014 met bijlagen, ingekomen op

22 mei 2014;

- een journaalbericht van mr. Siesling-Vellinga van 23 mei 2014 met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 juni 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2008 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren [in]

[in] 2002, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij beschikking van 23 december 2008 heeft de toenmalige rechtbank Groningen de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 8 oktober 2008 op nihil gesteld, omdat zowel de man als de vrouw de rechtbank te kennen hadden gegeven dat zij een verzoek tot toelating tot de WSNP-regeling zouden gaan indienen.

3.4

De man woont sinds 1 januari 2009 samen met zijn nieuwe partner, [nieuwe partner]

[nieuwe partner]. [nieuwe partner] heeft twee minderjarige kinderen van wie [minderjarige 2], geboren [in] 2004, zijn hoofdverblijf bij [nieuwe partner] heeft.

3.5

De man is sinds 1 juli 2012 als rijinstructeur in dienst van [bedrijf].

3.6

De op de man van toepassing zijnde wettelijke schuldsaneringsregeling is op of omstreeks 5 februari 2013 beëindigd ex artikel 352 Fw. Aan de man is een zogeheten "schone lei" verleend.

3.7

De vrouw heeft op 21 oktober 2013 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank waarbij zij heeft verzocht de door de man aan haar te betalen kinderalimentatie te bepalen op € 75,- per maand. De man heeft zich niet verweerd.

3.8

Bij vonnis van 2 mei 2014 is de op de vrouw van toepassing zijnde wettelijke schuldsaneringsregeling eveneens beëindigd met een "schone lei".

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van

21 oktober 2013 vastgesteld op € 75,- per maand.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

10 december 2013. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In geschil is de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie. De ingangsdatum van 21 oktober 2013 staat niet ter discussie, zodat de nieuwe normen voor de vaststelling van kinderalimentatie van toepassing zijn.

* de behoefte van [minderjarige 1]

5.2

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [minderjarige 1]. De man gaat uit van een netto gezinsinkomen in 2007 van € 2.000,- per maand en 4 kinderbijslagpunten en de vrouw van

€ 2.500,- per maand en 2 kinderbijslagpunten.

5.3

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 1] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2008 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het (einde van het) huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is.

5.4

Bij gebrek aan financiële gegevens en gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen over de hoogte van hun gezamenlijke netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, gaat het hof uit van een gemiddelde van € 2.250,- per maand. Het huidig netto inkomen van de man is in ieder geval niet hoger dan dit gezinsinkomen. Op basis van de tabel 2008 berekent het hof de behoefte van [minderjarige 1] aan een bijdrage van haar ouders op € 327,50 per maand (uitgaande van 4 kinderbijslagpunten, omdat [minderjarige 1] ten tijde van de scheiding [in] 2008 5 jaar was). Na indexering bedraagt deze behoefte per 21 oktober 2013 € 362,- per maand. Daarop strekt in mindering het kindgebonden budget waar de vrouw thans aanspraak op kan maken. Blijkens een voorschotbeschikking Toeslagen wordt het kindgebonden budget voor 2014 € 1.056,- per jaar, zijnde € 88,- per maand. Resteert een eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 1] van € 274,- per maand.

* de draagkracht van de man

5.5

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te betalen. De vrouw betwist dat.

5.6

Uitgangspunt in de nieuwe richtlijn is dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige.

5.7

Uit de jaaropgave 2013 blijkt dat de man in dat jaar € 18.371,- heeft verdiend bij [bedrijf]. Naar de tarieven van 2013-2 levert dit de man een netto besteedbaar inkomen (NBI) op van € 1.273,- per maand. Uit de draagkrachttabel 2013-2 volgt bij een NBI van € 1.273,- per maand een draagkracht van € 75,- per maand.

* de draagkracht van de vrouw

5.8

Niet ter discussie staat dat de vrouw een inkomen op bijstandsniveau heeft. Bij een

inkomen lager dan € 1.250,- per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van

€ 25,- per maand voor één kind.

* de zorgkorting

5.9

De man zorgt één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties voor [minderjarige 1]. Dit betekent dat [minderjarige 1] gemiddeld één dag per week doorbrengt bij de man, zodat sprake is van een zorgkorting van 15%. Aangezien de behoefte van [minderjarige 1] € 274,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 41,- per maand.

5.10

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Is het tekort aan gezamenlijke draagkracht van beide ouders om in de behoefte van het kind te voorzien twee keer zo groot als de zorgkorting waar de onderhoudsplichtige ouder recht op heeft, dan dient de onderhoudsplichtige ouder tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen.

5.11

De gezamenlijke draagkracht van partijen van (€ 75,- + € 25,- =) € 100,- is beduidend lager dan de behoefte van [minderjarige 1] van € 274,- per maand.

5.12

Aangezien het tekort van € 174,- aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien (meer dan) twee keer zo groot is als de zorgkorting van

€ 41,-, dient de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen, te weten

€ 75,- per maand. Aldus wordt het tekort om in de behoefte te voorzien over de ouders verdeeld, nu de vrouw een bijdrage krijgt die lager is dan de behoefte van [minderjarige 1] en de man de zorgkosten niet kan verdisconteren.

* de aanvaardbaarheidstoets

5.13

De man heeft verzocht in het kader van de aanvaardbaarheidstoets rekening te houden met zijn volledige woonlasten (€ 614,- per maand) en de reiskosten die hij moet maken ter uitvoering van de zorgregeling met [minderjarige 1] (€ 67,70 per maand). [nieuwe partner] is volgens de man niet in staat bij te dragen in de woonlasten. Het hof gaat ervan uit dat de man heeft bedoeld aan te voeren dat zijn draagkrachtloos inkomen met deze bedragen wordt verhoogd nu deze lasten niet verwijtbaar en evenmin vermijdbaar zijn. De vrouw bestrijdt het beroep van de man hierop.

5.14

Het hof stelt voorop dat voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen onder meer tot gevolg heeft dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner. De gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht. In het nieuwe berekeningssysteem voor kinderalimentatie wordt met een forfaitair bedrag aan woonlasten rekening gehouden. Het door de man ten aanzien van de financiële positie van [nieuwe partner] aangevoerde acht het hof onvoldoende om de woonlastencomponent aan te passen. Gesteld noch gebleken is dat [nieuwe partner] niet in staat zou zijn meer inkomen te genereren en zij wordt geacht bij te dragen in de woonlasten en haar eigen schulden te kunnen dragen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met het verschil tussen de werkelijke huurlasten en de forfaitair bepaalde woonlasten.

5.15

Het hof ziet evenmin aanleiding om het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met de met de uitvoering van de zorgregeling gepaard gaande reiskosten. Tegenover het feit dat de man geheel voorziet in het halen en brengen van [minderjarige 1] ter uitvoering van de zorgregeling staat namelijk dat de vrouw de met het halen en brengen van [minderjarige 1] van en naar school in [bedrijf] gepaard gaande - evenmin geringe - reiskosten voor haar rekening neemt. In een situatie als de onderhavige waarin beide partijen maar een beperkte draagkracht hebben, zullen zij als onderhoudsplichtige ouders de armoede hoe dan ook moeten verdelen, zodat nog zoveel mogelijk recht kan worden gedaan aan de behoefte van [minderjarige 1].

5.16

Voor zover de man ook heeft bedoeld te stellen dat het opleggen van een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] tot een onaanvaardbare financiële situatie aan zijn zijde gaat leiden, hetgeen de vrouw betwist, gaat het hof hieraan voorbij nu dit - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - onvoldoende onderbouwd is.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en beslissen als volgt:

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 december 2013;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, G.M. van der Meer en W. Foppen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 september 2014 in het bijzijn van de griffier.