Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7361

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
ks 21-002286-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, alsmede ter zake van rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Het verweer van de verdediging dat niet onomstotelijk is vast te stellen dat verdachte ten tijde van het fatale ongeval de bestuurder van de auto was, is verworpen. Oplegging gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002286-13

Uitspraak d.d.: 24 september 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen, thans rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 december 2012 met parketnummer 18-670258-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 november 2013, 10 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte dient in het kader van een bijzondere voorwaarde onder toezicht van de reclassering te worden gesteld, hetgeen ook kan inhouden dat hij zijn medewerking moet verlenen aan diagnostische testen en/of een behandeling en/of een alcoholverbod. Daarnaast dient aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren te worden opgelegd. Ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit dient artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te worden toegepast. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Helmantel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij in de gemeente [gemeente], op of omstreeks 25 december 2011, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] te [plaats], komende uit de richting van de [straat 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij niet in het bezit was van een aan hem, verdachte, afgegeven geldig rijbewijs en/of

- terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank (1,83 milligram alcohol per milliliter bloed) en/of

onder zodanige invloed van een stof, namelijk cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van (die/een) andere stof(fen) - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en

- rijdende over die weg met een snelheid die (aanmerkelijk) hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur,

bij de nadering van een, gezien zijn rijrichting, aan de rechterzijde van de rijbaan van die [straat 1] gelegen (verhoogde) versmalling, waarop drie bermpalen langs de trottoirband waren geplaatst, de eerste op de hoek van de versmalling en de andere twee voor wat betreft de afstand verdeeld over het trottoir van de versmalling en aan het begin en aan het einde van die versmalling een lichtmast stond, niet het verloop van die rijbaan van die weg heeft gevolgd en/of niet voldoende naar links is uitgeweken, maar met dat door hem bestuurde motorrijtuig (ongeveer) rechtuitgaande, is aangereden of gebotst tegen die (voor hem) eerste op die versmalling staande bermpaal en (vervolgens) (in min of meer) gekantelde toestand) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met de twee (daarna) op die versmalling staande bermpalen en daarbij of daarna over de kop is geslagen en is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met die - gezien zijn rijrichting - aan het einde op die versmalling staande lichtmast en/of in een slip is geraakt en na die versmalling aan de rechterzijde naast die weg tot stilstand is gekomen,

waardoor een ander, een mede-inzittende van die auto, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, (te weten hersenletsel, een gebroken nekwervel en/of bloeding tussen de schedel en het hersenvlies,) waaraan genoemde [slachtoffer] op 31 december 2011 is overleden;


2:

dat hij in de gemeente [gemeente], op of omstreeks 25 december 2011, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd over de [straat 1] te [plaats], na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,83 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;


3:

hij in de gemeente [gemeente], op of omstreeks 25 december 2011, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de [straat 1] te [plaats], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting bepleit dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat niet onomstotelijk is vast te stellen dat verdachte ten tijde van het (eenzijdige) ongeval op 25 december 2011 de auto heeft bestuurd. Dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de bestuurder was, komt omdat hem dit door twee van de andere inzittenden is verteld. Later is hij hier aan gaan twijfelen. Omdat verdachte zwaar onder invloed was van alcohol en cannabis kan hij zich tot op heden nauwelijks iets van de autorit herinneren en weet hij niet of hij achter het stuur heeft gezeten. De raadsvrouw stelt dat er weliswaar wettig bewijs is dat verdachte ten tijde van het ongeluk de bestuurder van de auto was, maar dat dit onvoldoende overtuigend is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. Volgens haar dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat verdachte en [mede inzittende 1] van plaats zijn gewisseld. Dat getuigen hebben gezien dat verdachte na het ongeluk op de bestuurdersstoel zat, betekent niet dat hij ook gereden heeft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Er bestaat geen discussie over het feit dat toen de auto na het ongeval tot stilstand was gekomen, verdachte zich op de bestuurdersstoel van de auto bevond. Naast verdachte, op de bijrijdersstoel, zat [slachtoffer]. [slachtoffer], die zijn gordel om had, is op 31 december 2011 aan de gevolgen van dit ongeval overleden. Links achterin zat [mede inzittende 2]. Hij droeg ook een gordel. [mede inzittende 1] droeg geen gordel en heeft bij de politie verklaard dat hij, toen de auto tot stilstand was gekomen, half tussen de voorstoelen hing, en dat zijn benen en voeten zich nog op de achterbank bevonden. Hij heeft het rechterachterraampje ingeslagen waardoorheen hij de auto zelfstandig kon verlaten.

Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte tijdens of direct na het het ongeval met [mede inzittende 1] van plaats is gewisseld. Getuige [getuige 1] was kort nadat hij twee knallen hoorde ter plaatse en zag vier inzittenden in de auto zitten. Het door hem opgegeven signalement van de bestuurder past uitsluitend bij verdachte, die als enige inzittende een FC-Groningen shirt droeg. Mede gelet op het forse postuur van verdachte is niet aannemelijk dat in de korte tijd na de klap een wisseling van plaats tussen de bestuurder en een passagier op de achterbank heeft kunnen plaatsvinden. Voorts merkt het hof op dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat zijn herinnering weer begint bij een enorme knal en dat hij bij kennis was. Dat zijn omstandigheden waarover hij uitsluitend uit eigen wetenschap kan verklaren. Tegen die achtergrond heeft het hof verdachtes verklaring tegenover de politie dat hij bestuurder was gewaardeerd als zijnde uit eigen wetenschap afgelegd. [mede inzittende 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte vóór de fatale autorit heeft aangegeven wel te willen rijden. [mede inzittende 2] kon zich bij de politie ook herinneren dat verdachte de autosleutels heeft gekregen, dat hij op de bestuurdersstoel heeft plaatsgenomen en vervolgens ook daadwerkelijk heeft gereden.

[mede inzittende 2] en [mede inzittende 1] hebben tegenover de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk herhaald dat verdachte de bestuurder was.

Het hof acht voornoemde verklaringen geloofwaardig en overtuigend. Uit de bewijsmiddelen zoals die in een eventueel later op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval op 25 december 2011 de bestuurder van de auto was. Hij was op dat moment onder invloed van alcohol en cannabis en beschikte niet over een rijbewijs. Voorts werd de ter plaatse geldende maximumsnelheid overschreden en is hij gebotst op bermpalen die op een wegversmalling waren geplaatst. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte in combinatie met zijn rijgedrag, zoals onder 1 bewezen zal worden verklaard, als zeer onvoorzichtig en onoplettend is aan te merken.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij in de gemeente [gemeente], op 25 december 2011, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] te [plaats], komende uit de richting van de [straat 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- terwijl hij niet in het bezit was van een aan hem, verdachte, afgegeven geldig rijbewijs en

- terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, 1,83 milligram alcohol per milliliter bloed, en

onder zodanige invloed van een stof, namelijk cannabis, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van die andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en

- rijdende over die weg met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur,

bij de nadering van een, gezien zijn rijrichting, aan de rechterzijde van de rijbaan van die [straat 1] gelegen verhoogde versmalling, waarop drie bermpalen langs de trottoirband waren geplaatst, de eerste op de hoek van de versmalling en de andere twee voor wat betreft de afstand verdeeld over het trottoir van de versmalling en aan het begin en aan het einde van die versmalling een lichtmast stond, niet het verloop van die rijbaan van die weg heeft gevolgd en niet voldoende naar links is uitgeweken, maar met dat door hem bestuurde motorrijtuig (ongeveer) rechtuitgaande, is aangereden of gebotst tegen die voor hem eerste op die versmalling staande bermpaal en vervolgens in min of meer gekantelde toestand is gebotst tegen de twee daarna op die versmalling staande bermpalen en daarbij of daarna over de kop is geslagen en in aanraking is gekomen met die - gezien zijn rijrichting - aan het einde op die versmalling staande lichtmast en in een slip is geraakt en na die versmalling aan de rechterzijde naast die weg tot stilstand is gekomen,

waardoor een ander, een mede-inzittende van die auto, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten hersenletsel, een gebroken nekwervel en bloeding tussen de schedel en het hersenvlies, waaraan genoemde [slachtoffer] op 31 december 2011 is overleden.


2:

dat hij in de gemeente [gemeente], op 25 december 2011, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd over de [straat 1] te [plaats], na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,83 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.


3:

hij in de gemeente [gemeente], op 25 december 2011, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de [straat 1] te [plaats], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 25 december 2011 een ernstig (eenzijdig) verkeersongeval veroorzaakt, waarbij de drieëntwintigjarige inzittende [slachtoffer] zodanig letsel heeft opgelopen dat hij daaraan op 31 december 2011 is overleden. Verdachte had voorafgaand aan de fatale autorit een aanmerkelijke hoeveelheid alcohol genuttigd - naar zijn zeggen 8, 10 of 12 halve liters bier - en had daarnaast 2 of 3 joints gerookt. Voorts beschikte hij niet over een rijbewijs en reed hij ten tijde van het ongeval sneller dan ter plaatse is toegestaan. Verdachte was dermate onder invloed dat hij zich van het ongeval en hetgeen daaraan is voorafgegaan nauwelijks iets kan herinneren. Het handelen van verdachte getuigt van een grote mate van onverantwoordelijkheid en wordt hem zwaar aangerekend.

Met het overlijden van [slachtoffer] is de nabestaanden onherstelbaar leed berokkend. Dit is door zijn moeder ter zitting van het hof treffend verwoord. Het overlijden van hun (enige) zoon houdt haar en haar man nog dagelijks bezig en zij hebben grote moeite dit verlies te verwerken.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 11 augustus 2014 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder rijden onder invloed en andere overtredingen van de Wegenverkeerswet. Het hof neemt het verdachte zeer kwalijk dat de boetes en ontzeggingen van de rijbevoegdheid die hem in dat kader zijn opgelegd, hem er kennelijk niet van weerhouden hebben opnieuw (onder invloed) een auto te gaan besturen. Dat deze veroordelingen niet van recente datum zijn, doet daaraan niet af.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter terechtzitting van het hof aan de orde zijn gekomen en zoals die blijken uit een reclasseringsadvies d.d. 3 december 2012. De reclassering vermoedt dat er bij verdachte sprake is van een beperkt sociaal aanpassingsvermogen. Voorts is sprake van problemen op het gebied van verdachtes emotionele welbevinden en hieraan gerelateerd alcoholmisbruik. Het onderhavige feit heeft niet geleid tot wijzigingen in verdachtes alcoholgebruik. Aangezien het alcoholgebruik van verdachte nauw samenhangt met het recidiverisico - bij een onveranderde situatie wordt het recidiverisico als hoog ingeschat - is de reclassering van mening dat abstinentie van alcohol noodzakelijk is. Een dergelijk alcoholverbod kan in het kader van een bijzondere voorwaarde bij reclasseringstoezicht worden opgelegd. Daarnaast is het volgens de reclassering aangewezen dat verdachte meewerkt aan diagnostisch onderzoek uitgevoerd door de Forensische Poli, onderdeel van de VNN te Groningen, en dient hij eventueel een ambulante behandeling te volgen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is aan voornoemde voorwaarden mee te werken.

Gezien het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, een passende bestraffing. Het hof zal daarbij dezelfde (door de reclassering geadviseerde) bijzondere voorwaarden opleggen, maar stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren in plaats van 2 jaren gezien de hiervoor geschetste problematiek van verdachte en het daaruit voortvloeiende recidiverisico. Gelet daarop acht het hof het noodzakelijk dat de voorwaarden gedurende een langere tijd van toepassing zijn. Voor een hogere gevangenisstraf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, ziet het hof geen aanleiding. Anderzijds is de door de verdediging geopperde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of forse taakstraf, gelet op de aard en ernst van met name het onder 1 bewezenverklaarde feit, niet aan de orde. Met de deels voorwaardelijke gevangenisstraf die verdachte wordt opgelegd, beoogt het hof tevens te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Het hof acht daarnaast - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, noodzakelijk.

Voor de onder 3 bewezenverklaarde overtreding legt het hof verdachte geen straf op.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 107, 175, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich na oproep meldt bij de reclassering van de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) te Groningen en zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen door de reclassering te geven;

- de veroordeelde medewerking verleent aan diagnostisch onderzoek uitgevoerd door de Forensische Poli, onderdeel van de VNN te Groningen, en eventueel een ambulant behandelaanbod opvolgt;

- de veroordeelde geen alcohol nuttigt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urinecontroles, blaastesten en/of bloedproeven,

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Aldus gewezen door

mr. J.J. Beswerda, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 24 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.