Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.151.835-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van een verstekvonnis. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in zijn appel kan worden ontvangen nu hij in de procedure in eerste aanleg wel degelijk is verschenen, zodat ten onrechte een verstekvonnis zou zijn gewezen. Het hof acht appellant niet geslaagd in het bewijs van die stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.835/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 2702860 MC EXPL 14-378)

arrest van de eerste kamer van 23 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. N.H. Margetson, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A.M. Reuser, kantoorhoudend te Pijnacker.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

12 februari 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 mei 2014,

- de incidentele memorie houdende beroep op niet-ontvankelijkheid d.d. 25 juni 2014

(met producties),

- het faxbericht van mr. Margetson d.d. 7 juli 2014 (met productie).

2.2

Vervolgens heeft de rolraadsheer [appellant] bij brief van 10 juli 2014 opgedragen om, in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep gelet op het bepaalde in artikel 335 Rv, zijn stelling dat hij zich in de procedure in eerste aanleg heeft gesteld, met bewijsmiddelen te staven.

2.3

Bij akte overlegging producties d.d. 22 juli 2014 heeft [appellant] op voornoemd verzoek van de rolraadsheer gereageerd. [geïntimeerde] heeft zich vervolgens bij akte houdende uitlating d.d. 19 augustus 2014 (met productie) eveneens uitgelaten omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

3 De beoordeling


Nieuwe productie

3.1

Het hof constateert dat [geïntimeerde] bij haar akte houdende uitlating d.d. 19 augustus 2014 een nieuwe productie in het geding heeft gebracht. [appellant] heeft op deze productie niet kunnen reageren. Het hof zal deze om die reden buiten beschouwing laten. Uit wat hierna volgt, blijkt dat [geïntimeerde] daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.



De ontvankelijkheid

3.2

Het hof constateert dat het vonnis waarvan [appellant] appel heeft ingesteld het opschrift "verstekvonnis" draagt en ook naar verdere uiterlijke verschijningsvorm als verstekvonnis is geredigeerd. Ingevolge de artikelen 143 Rv en 335 Rv heeft de bij verstek veroordeelde gedaagde uitsluitend het recht om van een vonnis in verzet te komen.

3.3

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter ten onrechte een verstekvonnis heeft gewezen, aangezien hij zich in de procedure in eerste aanleg wel degelijk heeft gesteld. Tegen een dergelijk vonnis staat dan, ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1993, NJ 1994, 7, geen verzet, doch hoger beroep open.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellant] een e-mailbericht d.d. 28 januari 2014 gericht aan de rechtbank Midden-Nederland overgelegd - dat is verzonden naar het e‑mailadres "civil.rb.mnl.lelystad@rechtspraak.nl" - waarin de volgende passage is opgenomen: "Inzake [geïntimeerde] vs [appellant] Hun dossiernummer [nummer] Rolzitting 29 januari 2014 om 09 30 uur Mijne heren, Met dit schrijven verzoek ik u de rolziitting van 29 januari 2014 om 09 30 uur de verzetten uit reden dat mij, ondertekende, het nodige bewijsmateriaal, hetgeen nodig is voor de onderbouwing van de procedure, nog niet in handen is.".

3.4

[appellant] heeft voorts gesteld dat het, gelet op de op www.rechtspraak.nl vermelde voorschriften betreffende de correspondentie met de rechtbank Midden-Nederland, toegestaan was via deze wijze in de procedure te verschijnen. Voorts heeft [appellant] een uitdraai van www.rechtspraak.nl overgelegd van de door de rechtbank Midden-Nederland gehanteerde e-mailadressen, waaruit blijkt dat het e‑mailadres van de afdeling civiel recht, sector kanton, voor Almere en Lelystad luidt: "Civiel.RB-MNL.lelystad@rechtspraak.nl".

3.5

[geïntimeerde] heeft in haar akte uitlating gesteld dat uit de door [appellant] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [appellant] op de rechtens voorgeschreven wijze een uitstel voor zijn conclusie van antwoord heeft gevraagd en dientengevolge in de procedure is verschenen. [geïntimeerde] stelt daartoe dat uit het door [appellant] overgelegde e-mailbericht niet blijkt dat dit bericht daadwerkelijk door hem is verzonden en dat de kantonrechter het verzoek ook tijdig heeft ontvangen. Bovendien kan volgens [geïntimeerde] een aanhoudingsverzoek voor het indienen van een verweer niet per e‑mailbericht bij de rechtbank worden ingediend.

3.6

Gelet op het door [appellant] overgelegde e-mailbericht aan de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, acht het hof [appellant] niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij in de procedure in eerste aanleg is verschenen. Het bewijsaanbod dat [appellant] in dit verband heeft gedaan, inhoudende dat hij aanbiedt te bewijzen dat hij het e-mailbericht van 28 januari 2014 tijdig heeft verstuurd en dat dat e‑mailbericht ook tijdig door de rechtbank Midden-Nederland is ontvangen, door het horen van hemzelf en de desbetreffende medewerkers van de rechtbank Midden-Nederland die verantwoordelijk zijn voor e-mailberichten die binnengekomen zijn op het e-mailadres civil.rb.mnl.lelystad@rechtspraak.nl, zal het hof als niet ter zake dienend passeren. Uit de door [appellant] zelf overgelegde stukken blijkt immers dat (daargelaten de vraag of het voor [appellant] mogelijk was bij wege van een e-mailbericht in de procedure te verschijnen) het door de rechtbank Midden-Nederland locatie Almere, afdeling civiel recht, kantonzaken, gebezigde e-mailadres "Civiel.RB-MNL.lelystad@rechtspraak.nl" luidt en niet het door [appellant] in zijn bewijsaanbod genoemde "civil.rb.mnl.lelystad@rechtspraak.nl".

3.7

Het hof komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat voor [appellant] tegen het vonnis van 12 februari 2014 alleen het rechtsmiddel van verzet heeft opengestaan, zodat hij in het door hem tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep niet kan worden ontvangen.

3.8

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 1 punt, tarief I). Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 704,- voor verschotten en op € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 september 2014.