Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7337

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.111.069-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil aangaande het grensverloop van twee erven behorend bij woonhuizen. Jaren geleden werd door de eigenaar van het betreffende erf, een haag geplaatst ruim op de grond van diens eigen erf. Daardoor viel feitelijk gezien de strook grond aan de kant van de buurman, in gebruik toe aan die buurman. De vraag is of de laatst genoemde buurman eigenaar van de strook grond geworrden is door verkrijgende verjaring, of dat er sprake is aan stuiting van de verjaring. Het hof komt tot het oordeel dat van een voltooide verjaringstermijn geen sprake is. De haag is voor afloop van die termijn verwijderd door de buurman wiens rechtsvoorganger de haag was geplaatst. De buurman die zich op verjaring beroept heeft geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij zich anderszins als bezitter heeft gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.111.069/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 115652/ HA ZA 11-676)

arrest van de tweede kamer van 23 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K.A. Faber, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: [geïntimeerden],

advocaat: mr. M.J. Oudman, kantoorhoudend te Joure.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 maart 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

[appellant] heeft een akte genomen en vervolgens opnieuw gefourneerd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

2.1

De feiten

2.1.1

Tegen de vaststelling van de feiten in het bestreden vonnis van 25 april 2012 is een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grieven zijn gericht en ook niet anderszins van bezwaren is gebleken. Samen met hetgeen verder is komen vast te staan, dienen deze feiten tot uitgangspunt bij de beoordeling van het hoger beroep. Het gaat om het volgende.

2.1.2

[appellant] en [geïntimeerden] zijn buren. [geïntimeerden] zijn sinds 1987 eigenaren van de woning met perceel aan [adres]. [appellant] is sinds 2001 eigenaar van de woning met perceel aan [adres 2].

2.1.3

[geïntimeerden] hebben eind 2002 hun woning uitgebouwd. Aan de voorzijde van hun woning hebben zij, in een rechte lijn vanaf de uitbouw, een rotstuin aangelegd.

2.1.4

Aan de achterzijde van woningen zijn op het perceel van [geïntimeerden], op 40 à 50 cm uit de erfgrens met het perceel van (de rechtsvoorganger van) [appellant], een rij coniferen gepoot (hierna: de coniferenhaag). Op enig moment vóór mei 2003 hebben [geïntimeerden] de coniferenhaag verwijderd.

2.1.5

In de loop van 2005 hebben [geïntimeerden] vanaf de achterzijde van de aanbouw van hun woning een rieten mat als erfafscheiding geplaatst die loopt tot aan het water aan de achterzijde van de percelen van partijen. Daarachter staat op het perceel van [appellant], ter versteviging van de erfafscheiding, een keerwand.

2.1.6

Op 27 november 2007 heeft het Kadaster Directie Noord (hierna: het Kadaster) in opdracht en voor rekening van [appellant] een grensreconstructie van diens perceel uitgevoerd. De kosten daarvoor bedroegen € 500,-.

2.1.7

Op 4 december 2007 heeft de klantenservice van het Kadaster een kopie van het veldwerk van de landmeter (de meetschets met meetgetallen waarop de kadastrale grenzen zijn vastgelegd) aan [appellant] toegezonden. Daaruit volgt dat de aanbouw van de woning van [geïntimeerden] en de door [geïntimeerden] aangelegde rotstuin zich gedeeltelijk op het perceel van [appellant] bevinden.

2.1.8

In opdracht en voor rekening van [appellant] heeft Mr. [X] van [bedrijf X] juristen en rentmeesters de schade begroot als gevolg van het grensoverschrijdend bouwen van een bijgebouw, de aanleg van een tuin en/of het plaatsten van een erfafscheiding door [geïntimeerden] In zijn rapport van 21 januari 2008 heeft [X] de schade begroot op € 542,- . De kosten voor deze taxatie bedroegen van € 446,25 (inclusief btw).

2.1.9

Mr. [Y] heeft [geïntimeerden] bij brief van 11 april 2008 verzocht een bedrag van € 3.000,- aan [appellant] te betalen, als schadeloosstelling voor de overbouw en de verwijdering van de coniferenhaag. Mr. [Y] heeft [geïntimeerden] verzocht althans gesommeerd de door hem aangebrachte erfafscheiding en rotstuin van het erf van [appellant] te verwijderen. [geïntimeerden] hebben de rotstuin van het erf van [appellant] verwijderd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] vordert – sterk verkort weergegeven – voor recht te verklaren:
a. dat het Kadaster op 4 december 2007 de grens tussen de percelen van partijen correct heeft vastgesteld en dat [appellant] eigenaar is van de “vastgestelde” grond is;
b. dat [appellant] eigenaar is geworden van “de strook” grond door verjaring;
c. dat [geïntimeerden] de grond van [appellant] (tot en met de kadastrale grens en/of de “strook”) onrechtmatig in gebruik heeft;

tevens vordert [appellant] – sterk verkort weergegeven - [geïntimeerden]:
d. te veroordelen de grond van [appellant] te verlaten en ter beschikking van [appellant] te stellen en te houden met machtiging van [appellant] om, wanneer [geïntimeerden] daaraan niet tijdig voldoet, zelf te ontruimen op kosten van [geïntimeerden];
e. te verbieden vervolgens de grond van [appellant] in gebruik te nemen onder verbeurte van een dwangsom;
f. te veroordelen tot betaling van € 542,- voor het bouwen van de aanbouw op de grond van [appellant], te vermeerderen met de kosten voor de kadastrale grensreconstructie en de rapportage van [bedrijf X] en de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 april 2012 voor zover hier van belang het volgende - letterlijk weergegeven – dictum uitgesproken:


“De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de kadastrale grens tussen de percelen van [appellant] en [geïntimeerden] correct is vastgesteld door het kadaster in het veldwerk dat het kadaster bij brief van 4 december 2007 aan [appellant] heeft doen toekomen,
5.2. verklaart voor recht dat [appellant] eigenaar is van de grond zoals vastgesteld door het kadaster in het veldwerk dat het kadaster bij brief van 4 december 2007 aan [appellant] heeft doen toekomen,
5.3. veroordeelt [geïntimeerden] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de grond van [appellant] te ontruimen, in die zin dat hij de keerwand van de grond van [appellant] dient te verwijderen en het stuk grond waarop de keerwand zich bevindt in behoorlijke staat ter vrije en algehele beschikking van [appellant] dient te stellen en te houden,
5.4. machtigt [appellant] om, wanneer [geïntimeerden] niet aan de onder 5.3. uitgesproken veroordeling voldoet, zelf de keerwand op kosten van [geïntimeerden] te verwijderen, zonodig met behulp van de sterke arm van de politie en justitie,
5.5. veroordeelt [geïntimeerden] tot het betalen van een bedrag van € 54,- als schadeloosstelling voor de overbouw (van de aanbouw aan zijn woning) op de grond van [appellant],
5.6. veroordeelt [geïntimeerden] tot het vergoeden van de kosten die hij heeft moeten maken voor de kadastrale grensreconstructie en de rapportage van [bedrijf X], betreffende respectievelijk € 500,- en € 446,25,
5.7. veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] tot op heden vastgesteld op € 1.327,81,

(…)

4 De grieven

4.1

[appellant] heeft tegen twee grieven opgeworpen die beide zien op de afwijzing door de rechtbank van de verklaring voor recht dat [appellant] door verjaring eigenaar van “de strook” is geworden. Zij worden in één gemeenschappelijke toelichting uitgewerkt en zullen gezamenlijk worden beoordeeld.

4.2

Het gaat om een “strook” grond op het perceel van [geïntimeerden] grenzend aan het perceel van [appellant]. Ter afgrenzing van de erven is een coniferenhaag gepoot op het perceel van [geïntimeerden] 40 à 50 cm vanaf de erfgrens.

4.3

[appellant] betoogt dat hij door verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW eigenaar is geworden van die strook grond en dat [geïntimeerden] die grond onrechtmatig in gebruik heeft.

4.4

De verkrijging van eigendom door verkrijgende verjaring is van openbare orde zodat het hof de daarvoor gegeven wettelijke regeling, binnen de door partijen gegeven feitelijke grondslag, ambtshalve zal toepassen.

4.5

[appellant] stelt dat hij en zijn rechtsvoorganger ([Z]) het bezit van de strook grond hebben verkregen op (in ieder geval) 13 oktober 1983 en dat hij dit bezit sindsdien niet heeft verloren. Hij stelt met andere woorden dat [geïntimeerden] of hun rechtsvoorganger(s) het bezit van de strook grond (in ieder geval) per 13 oktober 1983 zijn verloren.

4.6

Het hof oordeelt als volgt. In artikel 3:105 lid 1 BW is bepaald dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

4.7

Van bezit in de zin van deze bepaling is sprake indien [appellant] en zijn rechtsvoorgangers voor zichzelf hielden (artikel 3:107 lid 1 BW), hetgeen op haar beurt wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersopvattingen waarbij de uiterlijke feiten van belang zijn (artikel 3:108 BW). Daarbij wordt bezit, voor zover hier relevant, verkregen door het zich verschaffen van de feitelijke macht daarover (artikel 3:112 en 113 BW). Deze regeling van het bezit wijkt niet wezenlijk af van de naar oud recht in artikel 594 e.v. BW (oud) gegeven regeling.

4.8

In zijn arrest van 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5324 heeft de Hoge Raad overwogen dat ingevolge art. 3:105 BW ook de bezitter die niet te goeder trouw is de eigendom van een zaak verkrijgt. Hiervoor is, behoudens het in lid 2 bepaalde, slechts vereist dat hij de zaak bezit op het tijdstip waarop de verjaringstermijn van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand (dat een ander, dan de rechthebbende, bezitter is), gedurende de gehele verjaringstermijn heeft voortgeduurd. Daarbij is niet van belang of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden, en dus evenmin of opvolgende bezitters te goeder trouw in de zin van art. 3:102 lid 2 BW waren. Voor het slagen van een vordering tot revindicatie is derhalve bepalend of gedurende een onafgebroken periode van twintig jaar het bezit door een ander dan de eigenaar is uitgeoefend, onverschillig of de bezitter (daaronder begrepen diens rechtsopvolgers of voorgangers) het bezit te goeder trouw heeft verkregen.

4.9

Het vereiste in artikel 3:105 BW (dat de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit moet zijn voltooid), dient mede te worden beoordeeld aan de hand van het vóór 1992 geldende recht. [appellant] stelt immers dat zijn bezit een aanvang heeft genomen in 1983. Daarbij is van belang dat partijen het er over eens zijn dat de rechtsvoorganger van [appellant] het bezit van de strook grond niet heeft verkregen op grond van een geldige titel. Althans zulks is gesteld noch gebleken. Om die reden is artikel 2004 BW (oud) van toepassing dat luidt: Alle regtsvorderingen, zoo wel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij die zich op de verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te toonen, of dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen.

4.10

Die rechtsvordering kon naar oud recht worden gestuit wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak werd beroofd (artikel 2015 BW (oud)), dan wel door aanmaning of een daad van rechtsvervolging (artikel 2016 t/m 2018 BW (oud)) of erkentenis door de rechtsvoorganger van [appellant] (artikel 2019 BW (oud)).

4.11

In deze zaak moet derhalve worden onderzocht (1) of de rechtsvoorganger van [appellant] in 1983 het bezit van de strook grond heeft verkregen; (2) of de vordering van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerden] tot beëindiging van dat bezit is verjaard en (3) of [appellant] op het moment van die verjaring het bezit van de strook grond had.

4.12

Dat (de rechtsvoorganger van) [appellant] op 13 oktober 1983 de strook grond in bezit heeft gekregen in de hiervoor uiteengezette zin is door [appellant] vooral onderbouwd met de stelling dat de coniferenhaag een feitelijke scheiding vormde waardoor de omstreden strook grond ter beschikking kwam van [appellant]. Dit is door [geïntimeerden] onvoldoende weersproken. De dag volgend op 13 oktober 1983 heeft derhalve de onder 4.9. genoemde verjaringstermijn van dertig jaar een aanvang genomen. Die termijn zou zijn voltooid op

13 oktober 2013.

4.13

Op 1 januari 1992 werd echter artikel 3:105 BW van kracht. De verjaringstermijn was toen nog niet voltooid. Omdat per 1 januari 1992 ook de verjaringstermijn op grond van artikel 3:306 BW is gewijzigd in twintig jaar, gold dat de verjaringstermijn, behoudens stuiting, op 13 oktober 2003 zou zijn voltooid.

4.14

Daarmee is het belang te beoordelen of vóór 13 oktober 2003 een stuitinghandeling heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat dat het geval is. Vast staat immers dat vóór mei 2003 [geïntimeerden], die op dat moment nog steeds eigenaren van de grond waren, de coniferenhaag hebben verwijderd. Daarmee verviel de afgrenzing die in feitelijk opzicht tussen de percelen van [appellant] en [geïntimeerden] bestond. Daarmee verviel ook het hoofdargument waarop [appellant] zijn verjaring baseert, te weten de feitelijke toevoeging aan zijn perceel van de strook grond.

4.15

Denkbaar zou zijn dat [appellant] in feitelijk opzicht de exclusieve feitelijk macht over de omstreden strook zou hebben gehandhaafd. Daartoe is het aan [appellant] bijzondere feiten en omstandigheden te stellen. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn door [appellant] niet, althans onvoldoende, aangevoerd. De voor eigendomsverkrijging vereiste verjaringstermijn is daarmee niet voltooid zodat [appellant] daardoor niet de eigendom van de strook grond heeft verworven.

4.16

De grieven falen.

5 Slotsom

Nu de grieven falen zal het vonnis in eerste aanleg worden bekrachtigd. [appellant] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (1,5 punten, tarief II)

6 De beslissing

Het gerechtshof:

6.1

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 25 april 2012 waarvan beroep,

6.2

veroordeelt [appellant] in de kosten van procedure in hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 291,-aan verschotten en op € 1.341,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

6.3

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. G. van Rijssen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

dinsdag 23 september 2014.