Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7325

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.103.691-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een varkenshouder en een landbouwer met aangrenzende erven, waarbij een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd om aan de landbouwer toegang tot de openbare weg te verschaffen.

Tussen partijen is inmiddels een reeks van geschillen ontstaan voorvloeiend uit het wederzijdse gebruik van de uitweg, De landbouwer vraagt na vele jaren gebruik van de uitweg op ene bepalde wijze dat thans de vestigingsakte alsnog volledig wordt nageleefd en de weg wordt uigebreid tot de overeengekomen breedte en lengte. Het hof wijst deze vordering toe, mede vanwege de belemmeringen die de eigenaar van het deinende erf opwerpt in de wijze waarop hij gebruik maakt van de uitweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.103.691/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 122893 / HA ZA 10-1012)

arrest van de tweede kamer van 23 september 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M. van Asperen-van Dijk, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.J. Niezink, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
9 februari 2011 en 14 december 2011 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 maart 2012,

- de memorie van grieven met voorwaardelijke vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens memorie uitlaten producties (met producties),

- een akte uitlating producties in incidenteel appel van [geïntimeerde].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

" te vernietigen het vonnis van de rechtbank Groningen d.d. 14 december 2011 en opnieuw rechtdoende de inleidende vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, waarbij [appellante] akte vraagt van haar hiervoor sub 10 en 11 geformuleerde vermeerderingen van eis, met veroordeling van [geïntimeerde] om de aan hem betaalde boete plus rente ad € 27.226,81 en € 1.988,18 alsmede de proceskosten in eerste aanleg ad € 2.368,00 en exploitkosten ad € 195,96 aan [appellante] terug te betalen, deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2012 tot de dag der betaling, dit alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in beide instanties. ".

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

" onder bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Groningen van 14 december 2011, geïntimeerde te veroordelen om aan appellant te betalen een bedrag van € 2.250,- te betalen binnen één maand na het te dezer zake te wijzen arrest en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf één maand na het wijzen van het arrest tot aan de dag van betaling. ".

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft onder 2 (2.1 t/m 2.12) van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is geen grief gericht en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken. Samen met hetgeen verder is gesteld en onvoldoende weersproken, staat het volgende vast.

3.2

[appellante] is eigenaar van het perceel aan [adres], kadastraal bekend als perceel [perceel]. De percelen, kadastraal bekend als percelen [perceel], zijn eigendom van [geïntimeerde].

3.3

[geïntimeerde] heeft in maart 1995 ongeveer 2 hectare grond van het perceel, kadastraal bekend als perceel [perceel], verkocht aan [koper].

Daarbij is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd met het erf van [geïntimeerde] als heersend en het erf van [koper] als dienend erf. Artikel 20 van de koopovereenkomst bepaalt dat [koper]: (a) op de strook grond waarop de erfdienstbaarheid ziet een verharding van ten minste vier meter breed moet aanbrengen van beton, asfalt of gelijkwaardige verharding en (b) in het verlengde van die verharding over een lengte van tenminste vijftig meter op de aan [geïntimeerde] blijvende grond een verharding van beton of asfalt aanbrengen van eveneens tenminste vier meter breed. De verharding moet geschikt zijn voor zwaar transport tot zestig ton. [koper] moest deze verplichtingen overdragen aan zijn rechtsopvolger. Bij niet nakoming van deze verplichtingen is een boete van f. 60.000,- verschuldigd.

3.4

Blijkens de akte van 6 maart 1997 heeft [koper] de eigendom van het perceel aan [adres] doorverkocht aan [X](hierna: [X]). In die akte is het kettingbeding van artikel 20 uit de akte tussen [geïntimeerde] en [koper] overgenomen.

3.5

Het oorspronkelijke kadastrale perceel [perceel] is gesplitst in de percelen[perceel] ([X]) en [perceel] ([geïntimeerde]). [X] heeft perceel [perceel] in 2006 verkocht en overgedragen aan [appellante]. Daarbij zijn ook de onder 3.4. genoemde verplichtingen overgedragen aan [appellante].

3.6

[geïntimeerde] gebruikt zijn percelen gelegen achter en naast het perceel van [appellante] als landbouwgrond. [appellante] exploiteert op zijn perceel een varkenshouderij. Op zijn perceel staan twee grote varkensschuren en een (bedrijfs)woning, langs de uitweg (waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd) staan zeven silo’s en op het achterste deel van het terrein van [appellante] zijn twee mestbassins gelegen. Bij de silo’s heeft [appellante] een losvak aangelegd, waar vrachtwagens tijdens het lossen kunnen parkeren. Niet alle chauffeurs van leveranciers maken gebruik van dit losvak, waarbij zij uitweg op het moment van het vullen van de voedersilo’s met hun vrachtwagens geblokkeerd is.

3.7

Ter uitvoering van de verplichting tot de aanleg van vijftig ‘extra’ meter verharding op het terrein van [geïntimeerde], heeft [appellante] nadat het bestreden vonnis in deze zaak is gewezen betonplaten gelegd. [geïntimeerde] had [appellante] bij brief van 16 december 2009 gesommeerd aan deze verplichting te voldoen en daarbij de contractuele boete aangezegd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] vorderde in eerste aanleg (kort weergegeven) opheffing van de erfdienstbaarheid en veroordeling van [geïntimeerde] een bedrag van € 1.328,08 te betalen vermeerderd met rente.

4.2

[geïntimeerde] vorderde (kort weergegeven) [appellante]:

  1. te gebieden te zorgen dat een strook van zes meter breed, vanaf de bovenkant van de glooiing van de wijkswal wordt aangebracht, voorzien van een verharding van ten minste vier meter breed, ten behoeve van de uitoefening van de landbouw om vanaf perceel gemeente [perceel] te kunnen gaan van en naar de openbare weg [adres];

  2. te gebieden in het verlengde van deze ontsluitingsweg naar perceel [perceel] wegverharding aan te brengen over een lengte van ten minste vijftig meter op de grond van [geïntimeerde] bestaande uit beton of asfalt van tenminste vier meter breed, geschikt voor transport tot zestig ton;

  3. te gebieden het hek voor de toegangsweg te verwijderen en verwijderd te houden;

  4. te verbieden op de ontsluitingsweg te (laten) parkeren of obstakels aan te (laten) brengen, waardoor een ongehinderde doorgang voor [geïntimeerde], of derden die in zijn opdracht gebruik maken van deze toegangsweg, wordt belemmerd;

  5. dit onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- voor iedere dag dat [appellante], niet (tijdig) of niet behoorlijk aan deze veroordelingen voldoet;

  6. [appellante] te veroordelen een boete van € 27.226,81 te betalen met rente;

  7. [appellante] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat;

  8. [appellante] te veroordelen in de kosten van het geding.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afwezen. De vorderingen van [geïntimeerde] onder a., b. en f. zijn toegewezen. De vordering onder c. is gedeeltelijk toegewezen doordat [appellante] is verboden enig obstakel aan te (laten) brengen, te (laten) plaatsen of enige handeling te verrichten die de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmert. De dwangsommen zijn, met aanpassing van de hoogte en maxima, ook toegewezen. De vorderingen onder d. en g. zijn afwezen. [appellante] is veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De (voorwaardelijke) vermeerdering van eis door [appellante]

5.1

In zijn memorie van grieven heeft [appellante] zijn eis als volgt vermeerderd:

  1. dat het [geïntimeerde] verboden wordt om zich te bevinden op het erf van [appellante], hetzij fysiek hetzij met stem en gezicht, met verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat hij na de betekening van het arrest het gebod overtreedt;

  2. dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om elke keer wanneer hij gebruik van de overweg maakt het aan de straat geplaatste hek na gebruik weer te sluiten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat [geïntimeerde] na de betekening van het arrest niet aan dit gebod gehoorzaamt.

5.2

[appellante] heeft verder zijn eis vermeerderd onder de voorwaarde dat het Hof de erfdienstbaarheid in stand laat en wel als volgt: [geïntimeerde] te veroordelen om de tussen de percelen [perceel] en [perceel] door hem aangebrachte dam te verwijderen en verwijderd te houden, dit binnen vier weken na de datum van het te wijzen arrest, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan het arrest te voldoen.

5.3

Ten slotte vordert [appellante] ongedaanmaking. Hij heeft op 5 maart 2012 ingevolge het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] voldaan: de boete ad € 27.226,81 vermeerderd met € 1.988,18 rente en de proceskosten ad € 2.368,00 en € 195,96 exploitkosten. In het totaal een bedrag van € 31.778,68. Hij vordert thans terugbetaling van dit bedrag met de wettelijke rente daarover vanaf 5 maart 2012 tot de dag der betaling.

5.4

[geïntimeerde] heeft bepleit dat de vorderingen die besloten liggen in de eiswijzigingen worden afgewezen. Argumenten dat en waarom [appellante] de (volgens [geïntimeerde] af te wijzen) vorderingen niet aan het hof dienen te worden voorgelegd, zijn door [geïntimeerde] niet aangevoerd en ook ambtshalve ziet het hof in de eiswijziging geen strijd met een goede procesorde. Het hof recht zal daarom recht doen op de gewijzigde eis.

6 De vermeerdering van eis door [geïntimeerde]

[geïntimeerde] vordert dat [appellante] zal worden veroordeeld de helft van de kosten voor een deskundigenrapport gemaakt door [S] te vergoeden, te weten een bedrag van € 2.250,-. Tegen deze vermeerdering van eis heeft [appellante] zich niet verzet en het hof ziet daarin geen strijd met een goede procesorde. Het hof zal daarom rechtdoen op de vermeerderde eis. De tegen de (vermeerderde) eis als zodanig door [appellante] naar voren gebrachte bezwaren komen aan de orde bij de behandeling van het incidenteel appel.

7 De beoordeling van de grieven en de vordering

7.1

[appellante] heeft in het principaal appel zes grieven geformuleerd. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel de onder 6. genoemde eisvermeerdering aan de orde gesteld.

7.2

Tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [geïntimeerde] tot verwijdering van het hek aan het begin van de toegangsweg en van de gevorderde schadevergoeding zijn geen grieven gericht zodat dit deel van de vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

7.3

Grief 1

7.3.1

In de eerste grief betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid heeft afgewezen en dat die opheffing alsnog dient plaats te vinden.

7.3.2

Het hof zal eerst ingaan op het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op de rechtsregel gegeven in artikel 5:81 lid 2 BW. Op grond daarvan heeft [geïntimeerde] bepleit dat [appellante] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Daartoe voert [geïntimeerde] aan dat perceel [perceel] is belast met een recht van hypotheek van de Rabobank tot zekerheid van aan [geïntimeerde] verstrekte kredieten. Artikel 5:81 lid 2 BW (de eerste volzin) luidt: Rust op een der erven beperkt recht, dan is de vordering slechts toewijsbaar, indien de beperkt gerechtigde in het geding is geroepen. Vaststaat dat er in de onderhavige zaak een beperkt gerechtigde is, te weten de Rabobank aan wie het recht van hypotheek toekomt op het aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende perceel. Tevens staat vast dat de Rabobank niet is opgeroepen in de onderhavige procedure, in eerste aanleg noch in hoger beroep.

7.3.3

Daarmee staat in beginsel vast dat de vordering niet toewijsbaar is. Nu staat het de rechter vrij om [appellante] alsnog in de gelegenheid te stellen de beperkt gerechtigde op te roepen om in het geding te verschijnen, waarbij zelfs een oproeping die voor het eerst in hoger beroep plaats vindt als tijdig kan worden aangemerkt. Het hof ziet daartoe onder de gegeven omstandigheden echter geen aanleiding. Het hier besproken verweer van [geïntimeerde] werd gevoerd bij memorie van antwoord. In de daarop volgende stukken heeft [appellante] in het geheel niet op dat verweer gereageerd en heeft hij ook nagelaten zelf actie te nemen door de beperkt gerechtigde alsnog op te roepen. Dit hoewel hij, in ieder geval vanaf dat moment, bekend moet worden geacht met de consequenties die artikel 5:81 lid 2 BW voor zijn vordering zou hebben bij achterwege laten van een dergelijke oproep.

7.3.4

De conclusie is dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid. Bij een inhoudelijke behandeling van grief 1 heeft [appellante] daarmee geen belang nu dit niet kan leiden tot het alsnog toewijzen van de vordering tot opheffing. Grief 1 faalt.

7.4

Grief 2

7.4.1

In grief 2 klaagt [appellante] erover dat zijn vordering tot betaling door [geïntimeerde] van € 1.328,08 is afgewezen. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] op 12 juli 2010 zaken van hem heeft vernield, te weten een elektronische weegschaal (€ 1.127,77), (de steel van) een riek (€ 25,95) en een “dierkooiweger” (€ 178,50).

7.4.2

[geïntimeerde] heeft weersproken dat door hem een weegschaal en een dierkooiweger zijn vernield. Ten aanzien van de riek stelt hij dat deze niet door hem is gebroken maar doordat tijdens de woordenwisseling op 12 juli 2010 iemand over de steel van de riek is gestruikeld.

7.4.3

[appellante] onderbouwt zijn stelling dat [geïntimeerde] de genoemde zaken heeft vernield met een aangifte bij de politie door [Y], met twee door [Y] gemaakte foto’s, met de verklaringen van [Y], [Z] en [Q] en met verwijzing naar de facturen overgelegd voor de aanschaf van een nieuwe weegschaal, een nieuwe riek en de reparatie van dierkooiweger.

7.4.4

Het is aan [appellante] voldoende te onderbouwen te geven voor en zo nodig bewijs te leveren voor het bestaan en de omvang van door hem geleden schade door gedragingen van [geïntimeerde].

7.4.5

De vernieling van een dierkooiweger volgt onvoldoende uit de door [appellante] overgelegde stukken. De overgelegde factuur rept weliswaar over een reparatie maar waarvoor, en dat, die reparatie nodig was vanwege handelen door [geïntimeerde], volgt daaruit niet. Een door [geïntimeerde] veroorzaakt gebrek is ook overigens niet feitelijke onderbouwd en ter zake van de dierkooiweger is zelfs geen aangifte bij de politie gedaan, terwijl zelfs een foto van de dierkooiweger ontbreekt. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd.

7.4.6

Ten aanzien van de vernieling van de riek lopen de lezingen uiteen. Voorts stelt [appellante] dat “de houten steel” door [geïntimeerde] is vernield. Hij vordert echter vergoeding van de kosten voor een gehele nieuwe riek. Hoe uit de daarbij overgelegde kassabon volgt wat de schade is voor slechts het verhelpen van de beschadiging (een nieuwe steel) is niet duidelijk en wordt ook overigens niet onderbouwd.

7.4.7

Voor de beschadiging van de electronische weegschaal heeft [appellante] de nota voor een nieuw apparaat overgelegd, een foto van de weegschaal, het proces-verbaal van aangifte door [Y] en de verklaringen van [Y], [Z] en [Q]. De overgelegde foto vertoont een metaalkleurige doos met een display en drie knoppen. Op de display licht één cijfer op. Voor het hof is vanaf de foto niet kenbaar dat het hier gaat om een beschadigd apparaat. Omtrent de aard van dat gebrek en het antwoord op de vraag of het apparaat onherstelbaar is beschadigd en derhalve dient te worden vervangen door geheel nieuw apparaat is niet gesteld. Het had op de weg van [appellante] gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van een deskundige, wat aan de weegschaal kapot was gemaakt. De verklaringen komen niet verder dan dat sprake was van `vernieling´ door [geïntimeerde]. Ook de overgelegde factuur van een nieuw apparaat verschaft geen duidelijkheid. Niet alleen volgt daaruit niet dat de weegschaal geheel moest worden vervangen, maar zelfs dat de nieuwe weegschaal een vergelijkbaar apparaat is, is niet onderbouwd. Ook dit deel van de vordering is terecht afgewezen.

7.4.8

Uit het vorenstaande volgt dat grief 2 faalt.

7.5

Grief 3

7.5.1

In grief 3 maakt [appellante] bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellante] als uitweg een strook van zes meter breed met een verharding van vier meter breed moet aanleggen met oplegging van een dwangsom. Het gaat hier om de uitweg over het erf ([perceel]) van [appellante] ter uitoefening van de erfdienstbaarheid. De thans bestaande (uit)weg is maximaal 3,5 m breed, de breedte van de berm tussen weg en wijk is ongeveer 1,5 m breed, de breedte van de berm tussen weg en silo’s is nihil en de breedte tussen de weg en de mestbassins is 1 m. Vaststaat dat de bestaande situatie niet in overeenstemming is met hetgeen partijen daarover hebben vastgelegd in de overeenkomst.

7.5.2

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] zijn recht verwerkt thans nog nakoming van de contractuele verplichting tot de aanleg van een bredere weg te vorderen. Hij voert daartoe het volgende aan.

7.5.3

Toen [appellante] het perceel [perceel] in 1997 van [koper] kocht was de uitweg nog niet aangelegd. Partijen hebben destijds afgesproken dat [geïntimeerde] de weg (op kosten van [appellante]) zou doen aanleggen. [geïntimeerde] heeft vervolgens aan [Q] opdracht gegeven tot de aanleg van de weg. Het was uitsluitend [geïntimeerde] die, aangaande de aanleg van de weg, de contacten met [Q] onderhield. In de door [Q] aan [geïntimeerde] uitgebrachte offerte is sprake van 630 m2 asfaltverharding. De weg is 235 m lang, zodat [geïntimeerde], aldus [appellante], een offerte heeft laten uitbrengen voor een weg met een breedte van 2,70 m. De weg is conform de offerte aangelegd en [geïntimeerde] heeft deze vervolgens jarenlang zonder klachten gebruikt.

7.5.4

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] daarmee het recht verwerkt om thans, na meer dan tien jaar aanleg van de weg, de aanleg van de contractueel vastgelegde bredere weg te vorderen.

7.5.5

[geïntimeerde] betoogt dat hij de erfdienstbaarheid met kettingbeding in het leven heeft geroepen om zijn bedrijf goed te kunnen exploiteren via de uitweg en dat hij daarom nog steeds recht heeft op, en belang heeft bij nakoming van de overeenkomst.

7.5.6

Het hof overweegt het volgende. Rechtsverwerking is een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid waarvoor nodig is dat de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1195:ZC0271). Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij de positie van [appellante] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval [geïntimeerde] zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1195:ZC1827). De stelplicht voor feiten en omstandigheden ter onderbouwing van deze rechtsverwerking rusten op [appellante].

7.5.7

De rechter dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van rechtsverwerking rekening te houden met alle omstandigheden van het geval en niet uitsluitend met de wijze waarop de weg is aangelegd en het gebruik daarvan in de jaren volgend op die aanleg. Voor de vraag of [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] niet langer een beroep zou doen op de aanleg van de uitweg met de in de overeenkomst genoemde breedte is mede van belang dat [appellante] de uitweg na verloop van tijd ook intensiever voor zichzelf is gaan door de bouw van silo’s en een mestbassin aan die weg en buiten de daarvoor nodige aan- en afvoer door vrachtauto’s. Daardoor ontstond een situatie waarin de bestaande breedte van de weg niet langer toereikend was en [geïntimeerde] niet langer voor zijn bedrijfsvoering ongehinderd gebruik kon maken van de weg. Dit is nu juist de kern van het betoog dat [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag legt.

7.5.8

Dat [appellante] recht had op dat gebruik van die aan hem in eigendom toebehorende weg, staat niet ter discussie. Dat laatste dient echter te worden onderscheiden van het antwoord op de vraag of door dat op zichzelf toegestane gebruik door [appellante] nog langer werd voldaan aan de erfdienstbaarheid. Die vraag is door de rechtbank terecht ontkennend beantwoord. Het zijn de door [appellante] zelf veroorzaakte omstandigheden die maken dat de tot dan bestaande breedte van de weg niet langer toereikend was voor een ongehinderd gebruik door [geïntimeerde] van de erfdienstbaarheid. De wens van [geïntimeerde] om de weg te verbreden is in belangrijke mate ingegeven door het gebruik dat [appellante] maakt van de uitweg en daaraan gekoppeld de hinder die [geïntimeerde] ondervindt in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Aan [appellante] komt onder die omstandigheden geen beroep toe op rechtsverwerking.

7.5.9

Hoewel [appellante] zich ook heeft verzet tegen de toewijzing van de dwangsom, laat hij na daartegen andere argumenten aan te voeren dan de hiervoor besproken en verworpen verweren tegen de hoofdverplichting waaraan de dwangsom is verbonden. Het hof zal om die reden niet anders dan de rechtbank beslissen aangaande de dwangsom. Grief 3 faalt.

7.6

Grief 4

7.6.1

In grief 4 maakt [appellante] bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellante] 50 meter wegverharding aan moet brengen in het verlengde van de bestaande weg met oplegging van een dwangsom.

7.6.2

Het contractuele recht van [geïntimeerde] op de aanleg van genoemde verlenging staat niet ter discussie. In eerste aanleg heeft [appellante] zich beroepen op verjaring van die rechtsvordering. Tegen de verwerping van dat verweer door de rechtbank heeft [appellante] geen grief gericht.

7.6.3

In appel beroept [appellante] zich op rechtsverwerking. Hij stelt dat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de bewuste vijftig meter niet meer aangelegd hoefde te worden.

7.6.4

Voor zover [appellante] zich ook beroept op opschorting van zijn verplichting tot aanleg van de wegverlenging, overweegt het hof het volgende. Kennelijk heeft [appellante] dit beroep op opschorting laten varen daar hij aan de verplichting tot de aanleg van vijftig meter extra verharding alsnog uitvoering heeft gegeven. Zonder bijkomende omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, is voor het hof niet kenbaar waarin het belang van [appellante] bij handhaving van een beroep op opschorting nog zou schuilen.

7.6.5

De vordering tot aanleg van de wegverlenging is sinds het begin van de procedure in eerste aanleg ongewijzigd gebleven. Wat [geïntimeerde] met die vordering beoogt nu er verharding door [appellante] is aangelegd, is onduidelijk. [geïntimeerde] stelt weliswaar dat de aangebrachte verharding niet voldoet en dat partijen dienaangaande “nog niet zijn uitgesproken” maar zulks lijkt niet langer te passen bij de ongewijzigde vordering. Een vordering tot herstel of schadevergoeding van de, volgens [geïntimeerde], gebrekkige verharding is niet ingesteld.

7.6.6

Gezien het vorenstaande heeft [appellante] onvoldoende duidelijk gemaakt wat hij met grief 4 beoogt te bereiken. Hij heeft aan de verplichting waartegen deze grief is gericht uitvoering gegeven en bij vernietiging van die verplichting lijkt, zonder door [appellante] te stellen omstandigheden, geen belang meer te bestaan. Een wijziging van eis in bijvoorbeeld schadevergoeding of anderszins ontbreekt. Grief 4 faalt bij gebrek aan belang.

7.7

Grief 5

7.7.1

Grief 5 komt er kort gezegd op neer dat het verbod om enig obstakel aan te (laten) brengen, te (laten) plaatsen of enige handeling te verrichten die de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid belemmert, te onbepaald is.

7.7.2

Dit verweer is een herhaling van het in eerste aanleg gevoerde verweer. De rechtbank heeft dit verweer uitgebreid en op juiste gronden verworpen (zie 5.3.3 t/m 5.3.5 van het bestreden vonnis). Het hof neemt die gronden over en maakt die tot de zijne. Grief 5 faalt.

7.8

Grief 6

7.8.1

In grief 6 betoogt [appellante] dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de contractuele boete ad € 27.226,81 (fl. 60.000,-).

7.8.2

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De toelichting op de grief komt er op neer dat [geïntimeerde] nooit zou hebben gevraagd de weg aan te leggen. Vast staat echter dat toen [geïntimeerde] [appellante] sommeerde tot de bedoelde aanleg, deze weigerde daaraan te voldoen indien [geïntimeerde] niet eerst de dam tussen perceel [perceel] en [perceel] zou verwijderen. Nu die verplichting tot verwijdering van de dam een rechtsgrond miste, kon [appellante] zich niet terecht op opschorting beroepen, zodat hij in gebreke bleef met de nakoming van de wel op hem rustende verplichting tot aanleg van de verharding. Grief 6 faalt.

7.9

De vorderingen van [appellante], besloten in de eisvermeerdering in hoger beroep

7.10

[appellante] heeft in hoger beroep zijn vorderingen als volgt aangevuld (zie hiervoor onder 5):

  1. een verbod aan [geïntimeerde] zich op het erf van [appellante] te bevinden, hetzij fysiek hetzij met stem en gezicht, onder verbeurte van een dwangsom;

  2. een gebod aan [geïntimeerde] om elke keer wanneer hij gebruik maakt van de uitweg het hek aan de straat na gebruik te sluiten, onder verbeurte van een dwangsom;

  3. een gebod aan [geïntimeerde] om de dam tussen de percelen [perceel] en [perceel] te verwijderen en verwijderd te houden onder verbeurte van een dwangsom;

  4. terugbetaling van hetgeen [appellante] ingevolge het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te weten de boete ad € 27.226,81 met € 1.988,18 rente en de proceskosten ad € 2.368,00 en € 195,96 exploitkosten. Het totaal bedrag € 31.778,68 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

7.11

Ad a. verbod aan [geïntimeerde] zich op het erf van [appellante] te bevinden

7.11.1

[appellante] stelt daartoe dat [geïntimeerde] hem en zijn zoon heeft bedreigd en in 2009 en medio 2010 enkele zaken heeft beschadigd. Voorts valt, aldus [appellante], [geïntimeerde] chauffeurs van leveranciers van [appellante] lastig.

7.11.2

[geïntimeerde] stelt daar tegenover dat hij door (de zoon van) [appellante] werd getreiterd en dat hij, door de chauffeurs van leveranciers van [appellante], in het vrije gebruik van de uitweg werd belemmerd.

7.11.3

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Door de wijze van gebruik van de uitweg door partijen is hun verhouding sterk verslechterd, wat in 2009 en medio 2010 is uitgemond in een fysiek conflict. Daarna hebben zich tussen partijen geen fysieke conflicten meer voorgedaan, althans [appellante] stelt dit niet. Nu er vanuit moet worden gegaan dat zich de afgelopen vier à vijf jaar geen fysieke conflicten hebben voorgedaan, is er voor een ingrijpen door de rechter geen plaats. Dat wellicht nog sprake is van onaangename verbale uitingen mag onwellevend en onprettig zijn maar rechtvaardigt evenmin een rechterlijk verbod. Bovendien verwijten partijen elkaar over en weer dergelijke uitingen. Het hof zal dit deel van de vordering van [appellante] afwijzen.

7.12

Ad b. Gebod tot het sluiten van het hek

7.12.1

[appellante] heeft de uitweg afgesloten van de openbare weg door het plaatsen van een hek. Gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gebruik van de weg door derden op een voor [appellante] hinderlijke wijze. Het telkens moeten openen en vervolgens sluiten van het hek vormt echter wel een belemmering van het vrije gebruik van de uitweg. Het hek is op zich niet verboden en [appellante] kan desgewenst in voorkomend geval het hek sluiten. Hij kan de eveneens tot het gebruik van die weg bevoegde [geïntimeerde] daartoe echter niet verplichten. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor een gebod het hek te sluiten na gebruik en voor optreden door de rechter is geen plaats zodat ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

7.13

Ad c. Verwijdering van de dam

7.13.1

[appellante] vordert verwijdering van de dam gelegen tussen de percelen [perceel] en [perceel].

7.13.2

Daartoe stelt [appellante] dat [geïntimeerde] de dam gebruikt om [perceel] te bereiken. De dam is weliswaar aangelegd als doorgang van [perceel] naar [perceel] maar de erfdienstbaarheid is enkel verleend voor de toegang tot [perceel] en niet voor [perceel]. [perceel] werd - vóór aanleg van de dam - vanaf de weg bereikt en dat kan nu nog. Ook werden producten die op [perceel] worden geteeld via de erfdienstbaarheid over het erf van [appellante] afgevoerd. Door deze omstandigheden is, aldus [appellante], de erfdienstbaarheid verzwaard en dient daaraan door verwijdering van de dam een einde te worden gemaakt.

7.13.3

[geïntimeerde] stelt daar tegenover dat op [perceel] en [perceel] verschillende gewassen zoals graan, suikerbieten en diverse soorten aardappelen worden geteeld. De afzonderlijke percelen hebben daarbij ieder een eigen toegang nodig. In het jaar dat de dam werd aangelegd werd op [perceel] geen gewas geteeld en kon [geïntimeerde] via de dam over [perceel] naar de openbare weg. De producten van [perceel] gingen in dat jaar dus niet over de uitweg maar via [perceel] naar de openbare weg, wat in feite een verlichting was van de erfdienstbaarheid en geen verzwaring. Nu op zowel [perceel] als op [perceel] verschillende gewassen worden geteeld is dat gebruik niet nodig en heeft de dam als verbinding nog slechts een beperkte functie. Van een verzwaring van de erfdienstbaarheid is, aldus [geïntimeerde], in ieder geval geen sprake. De dam is destijds met toestemming van [geïntimeerde] aangelegd omdat hij vanwege de veelvuldige blokkade van de uitweg door [appellante] niet met zijn kippers producten van [perceel] kon afvoeren. Voor de bedrijfsuitoefening van [geïntimeerde] speelt de aanwezigheid van de dam op dit moment geen directe rol, de uitweg echter wel.

7.13.4

Het hof is van oordeel in het licht van de uitgebreid gemotiveerde (en niet door [appellante] ontzenuwde) weerlegging door [geïntimeerde] van de stellingen van [appellante], laatstgenoemde onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te maken dat hij een relevant belang heeft bij de verwijdering van de dam. Ook een rechtsgrond waarop een vordering tot verwijdering kan worden gebaseerd is niet gebleken. [appellante] mist derhalve recht en belang bij zijn vordering tot verwijdering van de dam.

7.14

Ad d. Ongedaanmaking van betaling op grond van het vonnis in eerste aanleg.

Nu, zoals volgt uit dit arrest, het bestreden vonnis niet zal worden vernietigd, mist ook de vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van dat vonnis heeft betaald aan [geïntimeerde] grond. Ook deze vorderingen zullen worden afgewezen.

7.15

Het incidenteel appel

7.15.1

In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van een bedrag van € 2.250,- te vermeerderen met de wettelijke rente, te weten de helft van de kosten gemaakt voor een rapport van het ingenieursbureau [R]. Als grondslag voor deze vordering stelt [geïntimeerde] dat sprake is van een afspraak tussen partijen dat zij beiden de helft van de kosten voor dit rapport zouden dragen. Althans zo begrijpt het hof de door [geïntimeerde] de stellingen van [geïntimeerde]. Enige concretisering van deze afspraak of een schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt.

7.15.2

[appellante] heeft uitgebreid betoogd dat hij het met de inhoud van het rapport [R] niet eens is en dat het rapport niet mede in zijn opdracht is gemaakt. Hij is van mening niet aansprakelijk te zijn voor de gemaakte kosten. Het hof begrijpt daaruit dat [appellante] de door [geïntimeerde] gestelde betalingsuitspraak door [appellante] wordt betwist.

7.15.3

De door [geïntimeerde] gestelde betalingsafspraak staat derhalve niet vast. Een voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod is door [geïntimeerde] niet gedaan. Het algemene bewijsaanbod gedaan onder 10 van de memorie uitlaten producties tevens memorie van antwoord in het incidenteel appel is in hoger beroep onvoldoende.

7.15.4

Het hof zal dit deel van de vordering afwijzen en het incidenteel appel verwerpen.

8 Slotsom

In zowel het principaal als het incidenteel appel falen alle grieven. De in hoger beroep vermeerderde eis aan zowel de zijde van [appellante] als aan de zijde van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. [appellante] zal als de in het principaal appel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (1 punt, tarief III). [geïntimeerde] zal als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (1 punt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof rechtdoende:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst de vorderingen, ingesteld bij eisvermeerdering in hoger beroep, af;

in het principaal hoger beroep

veroordeelt [appellante] in de proceskosten gevallen aan de zijde van [geïntimeerde] en begroot deze tot aan deze uitspraak op € 683,- aan verschotten en op € 1.158,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

in het incidenteel hoger beroep

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten gevallen aan de zijde van [appellante] en begroot deze tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en op € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. M.W. Zandbergen en mr. I. Tubben
en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag
23 september 2014 in bijzijn van de griffier.