Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7314

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
200.128.707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levensrisicoverzekering; hoofdzaak van verzekeraar als cessionaris van verzekerde tegen assurantietussenpersoon;

vrijwaringszaak van assurantietussenpersoon tegen verzekeraar; schending zorgplicht assurantietussenpersoon.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/137 met annotatie van mr. dr. E.J. Wervelman

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.128.707 en 200.128.705

(zaaknummers rechtbank Arnhem, respectievelijk Oost-Nederland 228136 en 233029)

arrest van de eerste kamer van 23 september 2014

in de hoofdzaak (met zaaknummer 200.128.707) van

1. de vennootschap onder firma

A1B V.O.F., handelend onder de naam: A1B Adviesgroep,

en haar vennoten, de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid:

2 Dilljord B.V. en

3 Seeno B.V.,

gevestigd respectievelijk te Ede, Wageningen en Wekerom, gemeente Ede,

appellanten,

hierna gezamenlijk: A1B c.s. en appellante sub 1 afzonderlijk: A1B,

advocaat: mr. M. Jongkind,

tegen:

de naamloze vennootschap

BNP Paribas Cardif Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Oosterhout,

geïntimeerde,

hierna: Cardif,

advocaat: mr. V. Kortenbach,

en in de vrijwaringszaak (met zaaknummer 200.128.705) van

1. de vennootschap onder firma

A1B V.O.F., handelend onder de naam: A1B Adviesgroep,

en haar vennoten de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid:

2 Dilljord B.V. en

3 Seeno B.V.,

gevestigd respectievelijk te Ede, Wageningen en Wekerom, gemeente Ede,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk: A1B c.s. en principaal appellante sub 1 afzonderlijk: A1B,

advocaat: mr. M. Jongkind,

tegen:

de naamloze vennootschap

BNP Paribas Cardif Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Oosterhout,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Cardif,

advocaat: mr. V. Kortenbach.

1 De gedingen in eerste aanleg in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 1 augustus 2012 (tussenvonnis in de hoofdzaak tot vrijwaring en comparitie), 17 oktober 2012 (tussenvonnis in de vrijwaringszaak tot comparitie) en 9 januari 2013 (eindvonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak) die de rechtbank Arnhem, respectievelijk Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen tussen A1B c.s. als gedaagden in de hoofdzaak, tevens eiseressen in conventie/verweersters in voorwaardelijke reconventie in de vrijwaringszaak en Cardif als eiseres in de hoofdzaak, tevens gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie in de vrijwaringszaak.

2 De gedingen in hoger beroep in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

in de hoofdzaak:

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 maart 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met een productie.

in de vrijwaringszaak:

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 maart 2013,

- de memorie van grieven in vrijwaring met producties,

- de memorie van antwoord in vrijwaring tevens memorie van grieven in incidenteel appel met een productie,

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel in vrijwaring.

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak voorts:

2.3

De advocaten hebben de beide zaken op 25 augustus 2014 bepleit overeenkomstig hun overgelegde pleitnota’s. Hierbij is akte verleend van productie 15 die mr. Jongkind namens A1B c.s. bij bericht van 13 augustus 2014 in de vrijwaringszaak in het geding heeft gebracht en van de productie die mr. Kortenbach namens Cardif bij bericht van 15 augustus 2014 in het geding heeft gebracht, nadat partijen over en weer verklaard hadden daartegen geen bezwaar te hebben.

2.4

Desgevraagd hebben de advocaten van partijen namens hen meegedeeld dat ook in deze tweede instantie de stukken in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak over en weer gebruikt mogen worden.

2.5

Na afloop van de pleidooien heeft het hof in beide zaken arrest bepaald op de door beide partijen overgelegde dossiers. Bij brief van 1 september 2014 heeft mr. Kortenbach namens Cardif met afschrift aan de wederpartij bericht dat partijen geen minnelijke oplossing hebben kunnen bereiken.

3 De vaststaande feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1

Op 17 december 2010 heeft A1B, bemiddelaar in verzekeringen, voor [verzekerde 1] als verzekeringnemer en hem en [verzekerde 2] als verzekerden bij Cardif bemiddeld voor een overlijdensrisicoverzekering op ieders leven voor telkens een verzekerd bedrag van € 75.000 tegen telkens een maandpremie van € 19,58, alles met ingang van 20 december 2010. Het betrof een nevenproduct bij een door A1B bemiddeld doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 75.000 van NVF Voorschotbank B.V. tegen een maandtermijn van ongeveer € 400. Daarom was de bank aanvankelijk begunstigde, later echter [verzekerde 2]. Voor dit alles heeft A1B met de beide aspirant verzekerden een adviesrapportage van die datum opgemaakt en een haar door Cardif elektronisch ter beschikking gesteld en op voorhand ondertekend zogenaamd Certificaat Credit Care (verder: certificaat) met een individueel certificaatnummer ingevuld en door de beide aspirant verzekerden onderaan laten ondertekenen.

3.2

Daar boven bepaalt het certificaat onder meer dat de verzekering enkel van toepassing is indien de verschuldigde premie tijdig door de verzekeraar is ontvangen, conform artikel 11 van de algemene verzekeringsvoorwaarden. Het certificaat bevat verder een voorgedrukte machtiging van de verzekeringnemer aan de verzekeraar om de totale maandpremie maandelijks te incasseren vanaf zijn rekeningnummer, welk nummer hier echter niet was ingevuld.

3.3

Het contact tussen A1B en Cardif verliep al sedert 2003 via het door Cardif daartoe voorgeschreven communicatie- en terugkoppelingssysteem Finagora. In geval van inzending van een van de identieke certificaatexemplaren kon A1B als tussenpersoon, na inlogging, nog binnen een of twee maanden (na registratie) in het statusoverzicht nagaan wat de status van de aanvraag was en na die periode in het rekening-courant overzicht nagaan hoe de premie incasso verliep. In dit geval heeft Cardif in Finagora op geen enkele wijze melding gemaakt van een aanvraag op naam van deze aspirant verzekerden, hetgeen A1B niet heeft opgemerkt.

3.4

Nadat het doorlopend krediet was geregeld en A1B haar provisie had ontvangen, heeft zij een kopie van het certificaat als polis aan [verzekerde 1] verzonden.

3.5

Cardif heeft geen maandpremies bij verzekeringnemer [verzekerde 1] geïncasseerd.

3.6

Op 13 oktober 2011 is [verzekerde 1] overleden. [verzekerde 2] heeft daarop bij Cardif onder de overlijdensrisicoverzekering aanspraak gemaakt op het verzekerde bedrag van € 75.000. Cardif heeft uitbetaling geweigerd op de grond dat A1B het certificaat niet bij haar had aangemeld.

3.7

Bij akte van cessie van begin januari 2012 heeft [verzekerde 2] een op schending van zorgplicht door A1B gebaseerde claim verkocht voor (€ 75.000 wegens verzekerd bedrag minus € 500 wegens premie =) € 74.500 en overgedragen aan Cardif. Bij brief van 18 januari 2012 heeft (de advocaat van) Cardif daarvan aan A1B mededeling gedaan, haar aansprakelijk gesteld en haar tevergeefs gesommeerd tot betaling binnen 14 dagen nadien.

4. De motivering van de beslissingen in het hoger beroep in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

4.1

In haar eindvonnis heeft de rechtbank de door Cardif in de hoofdzaak gevorderde hoofdelijke veroordeling van A1B c.s. tot betaling van € 75.000 met rente toegewezen, maar het in de vrijwaringszaak in conventie en in voorwaardelijke reconventie gevorderde afgewezen, telkens met veroordeling van A1B c.s. in de proceskosten. Daartegen komen A1B c.s. op, in de hoofdzaak met twee grieven en in de vrijwaringszaak met drie grieven in het principaal appel.

in de hoofdzaak:

4.2

Het hof stelt het volgende voorop. Een assurantietussenpersoon dient de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Vergelijk HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122. Dit geldt natuurlijk ook voor het stadium van aanvraag en acceptatie.

4.3

A1B heeft er geen zorg voor gedragen dat het certificaat was voorzien van [verzekerde 1] Burgerservicenummer en van zijn bankrekeningnummer, hetgeen premie incasso door Cardif in de weg zou staan.

A1B heeft aangevoerd dat zij een der certificaatexemplaren op 22 december 2010 per e-mail ter acceptatie aan Cardif heeft ingezonden, maar Cardif heeft dit gemotiveerd betwist. De bewijslast van verzending en ontvangst rust, zoals de rechtbank onbestreden heeft overwogen, op A1B, die echter heeft verklaard tot deze bewijslevering niet (meer) in staat te zijn. Daarom mag er niet van worden uitgegaan dat A1B een certificaatexemplaar naar Cardif heeft gezonden, laat staan dat Cardif dit zou hebben ontvangen en geaccepteerd. Indien dit wel het geval was geweest, had het voor de hand gelegen dat Cardif ten behoeve van de incasso van de verzekeringspremies bij A1B het bankrekeningnummer van [verzekerde 1] zou hebben opgevraagd en tot maandelijkse premie incasso zou zijn overgegaan, hetgeen echter allemaal niet is gebeurd. Evenmin heeft Cardif een dergelijke aanvraag in het statusoverzicht of het rekening-courant overzicht opgenomen.

A1B heeft dit destijds allemaal niet onderkend en, hoewel zij het Finagora systeem kwetsbaar vond, naar zij erkent, kennelijk niet gecheckt.

4.4

Op grond van dit een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, is A1B toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichting om voor [verzekerde 1] en [verzekerde 2] een levensrisicoverzekering te regelen en daarbij te verifiëren of de verzekering werkelijk tot stand was gekomen.

4.5

Partijen zijn het er in deze hoofdzaak over eens dat als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming geen verzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen.

4.6

In hoger beroep voeren A1B c.s. primair aan dat [verzekerde 2] niet gerechtvaardigd op het bestaan van (verzekeringsdekking van) de overlijdensrisicoverzekering heeft mogen vertrouwen en dat dit tevens een grond vormt om aan te nemen dat haar eigen schuld treft in de zin van artikel 6:101 BW. Volgens A1B c.s. zijn [verzekerde 1] en [verzekerde 2] er destijds zowel mondeling als schriftelijk op gewezen dat de overlijdensrisicoverzekering pas na definitieve goedkeuring van de verzekeraar tot stand zou komen, wisten zij dat zij een maandpremie moesten betalen, is het van algemene bekendheid dat voor dekking op een aangevraagde verzekering is vereist dat premie wordt betaald en vermeldde het certificaat uitdrukkelijk dat de verzekering enkel van toepassing zou zijn indien de verschuldigde premie tijdig door de verzekeraar was ontvangen, zoals tevens volgt uit artikel 4 sub a van de aan [verzekerde 1] en [verzekerde 2] ter hand gestelde algemene verzekeringsvoorwaarden. Het behoorde tot hun verantwoordelijkheid om na te gaan of de premie tijdig werd voldaan, te meer nu de premie incasso buiten de assurantietussenpersoon omging. Indien zij dit alles zouden hebben gecontroleerd, dan hadden zij behoren te weten dat zij niet beschikten over een (dekking biedende) overlijdensrisicoverzekering en hadden zij dit kunnen melden aan hetzij A1B hetzij Cardif, waarop de verzekering opnieuw aangevraagd had kunnen worden, aldus A1B c.s.

4.7

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Een feit is dat A1B na de totstandkoming van de kredietovereenkomst het certificaat als polis heeft toegezonden aan [verzekerde 1]. Daardoor is bij [verzekerde 1] en [verzekerde 2] de jegens haar, A1B, gerechtvaardigde verwachting gewekt dat de gewenste levensrisicoverzekering overeenkomstig de opdracht was afgesloten. Naar de rechtbank in rov. 5.2 van haar eindvonnis terecht heeft overwogen, hadden de aspirant verzekerden juist een assurantietussenpersoon ingeschakeld om er zeker van te zijn dat de verzekering behoorlijk tot stand zou komen. In verhouding tot het door A1B bemiddelde doorlopend krediet met een maandtermijn van ongeveer € 400, was deze levensrisicoverzekering met een totale maandpremie van nog geen € 40 destijds voor [verzekerde 1] en [verzekerde 2] een relatief ondergeschikte factor. Daar komt bij dat een financiële afschrijving eerder zal worden opgemerkt dan het ontbreken van relatief geringe nieuwe periodieke financiële afschrijvingen. Tegen deze achtergrond verwerpt het hof de opvatting van A1B dat [verzekerde 1] en [verzekerde 2] geen gerechtvaardigde verwachting mochten hebben van verzekeringsdekking, terwijl ook niet valt vol te houden dat het ontbreken van een verzekering in relevante mate mede een gevolg is van een aan [verzekerde 2] als benadeelde toe te rekenen gebrek aan opmerkzaamheid.

in de vrijwaringszaak:

4.8

Volgens A1B c.s. heeft A1B het certificaat als polis aan [verzekerde 1] en [verzekerde 2] afgegeven, welke handeling in de verhouding tussen hen en Cardif aan de laatste moet worden toegerekend, zodat [verzekerde 1] en [verzekerde 2] er op mochten vertrouwen dat er een verzekeringsovereenkomst tot stand was gekomen, hetgeen volgens A1B c.s. een grondslag oplevert voor externe (mede-)aansprakelijkheid van Cardif.

4.9

Naar het oordeel van het hof gaat deze stelling niet op. A1B behartigde als zelfstandig assurantietussenpersoon immers uitsluitend de belangen van [verzekerde 1] en [verzekerde 2]. Verder was het certificaat niet gecompleteerd met het Burgerservicenummer van [verzekerde 1] en zijn rekeningnummer waarop Cardif de maandpremies had kunnen incasseren, zodat van een complete polis niet kon worden gesproken. Uit dien hoofde is niet gebleken van enige vorm van aansprakelijkheid van Cardif jegens [verzekerde 1] en [verzekerde 2].

Maar ook indien hierover anders zou moeten worden geoordeeld en Cardif wel is gebonden aan een verzekeringsovereenkomst dan nog is A1B de enige die fouten heeft gemaakt (zie hierover verder in rov. 4.12).

4.10

Met betrekking tot het Finagora-systeem heeft A1B het volgende aangevoerd.

Louter vanuit het oogpunt van kostenbesparingen (en derhalve winstbejag) heeft Cardif een communicatiesysteem ontwikkeld en voorgeschreven waarbij (aspirant) verzekerden nog voor definitieve acceptatie een door Cardif ondertekende polis (inclusief polisnummer) ontvangen, een ontvangstbevestiging van de verzekeringsaanvraag uitblijft en er buiten een tijdelijke melding in het systeem, waarin niet systematisch kan worden gezocht en dat lang niet altijd toegankelijk is, geen separaat bericht over de acceptatie of weigering van een verzekeringsaanvraag plaatsvindt en de assurantietussenpersoon niet op de hoogte wordt gebracht van de incasso van de eerste premie. Hiermee heeft Cardif volgens A1B c.s. een situatie in het leven geroepen welke voor de (aspirant) verzekerde en/of assurantietussenpersoon, bij niet-inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid (door de assurantietussenpersoon), een zodanig grote kans op schade met zich brengt dat Cardif zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van haar gedrag had moeten onthouden, te meer nu de schade bij het ontbreken van verzekeringsdekking aanzienlijk zal zijn en er zonder (grote) bezwaren voorzorgsmaatregelen hadden kunnen worden genomen. Bij dit laatste kan gedacht worden aan een terugkoppeling waarbij de assurantietussenpersoon op enig moment na de verzekeringsaanvraag een nader bericht van Cardif ontvangt. Indien dit bericht dan uitblijft, weet de assurantietussenpersoon dat er dan iets fout gegaan is bij de verzekeringsaanvraag, aldus appellant.

Cardif heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

4.11

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Sedert 2003 heeft A1B als intermediair met dit nu volgens haar ondeugdelijke systeem van Cardif gewerkt, zonder ooit eerder klachten jegens Cardif te hebben geuit, laat staan een ingebrekestelling te hebben verzonden. De enige concrete klacht van A1B is dat het systeem er vaak uit lag c.q. onbereikbaar was. Dit staat er echter niet aan in de weg dat A1B dan op een ander moment opnieuw zou hebben getracht om de gewenste verzekering aan te melden en/of de acceptatie ervan te verifiëren. Verder heeft A1B geen concrete gebreken van het systeem aangewezen. Bij de pleidooien in hoger beroep heeft Cardif aan de hand van de voor de zitting ingezonden productie gedemonstreerd dat het Finagora systeem ook in de oude versie zoekfuncties kende in het statusoverzicht (in de volgens haar eerste twee maanden; volgens A1B c.s. één maand) en in het rekening-courant overzicht (in de volgende maanden), waarbij de assurantietussenpersoon kon zoeken op polisnummer en/of volgens alfabet op achternaam, hetgeen A1B niet gemotiveerd heeft weersproken en daarom vaststaat. Aldus was het systeem niet ondeugdelijk. Dat Cardif geen bericht over acceptatie of weigering aan de tussenpersoon verzendt, maakt dit niet anders.

4.12

Het komt er uiteindelijk op neer dat A1B in het geheel geen aanvraag heeft ingezonden noch voldoende en tijdig heeft gecontroleerd of Cardif de aanvraag in het systeem had opgenomen en geaccepteerd, maar desondanks wel een certificaat als polis aan [verzekerde 1] en [verzekerde 2] heeft afgegeven. Dit zijn uitsluitend fouten van A1B en deze vormen de kern van het probleem. Van een tekortkoming of onrechtmatige daad van Cardif daarbij jegens A1B is niet gebleken. Zelfs indien als gevolg van de polisafgifte door A1B van aansprakelijkheid van Cardif jegens [verzekerde 1] en [verzekerde 2] zou moeten worden uitgegaan, dan nog is er geen grond om enige bijdrageplicht van Cardif aan te nemen. In hun onderlinge verhouding gaat de schuld haar immers zelfs niet voor een gedeelte aan. Alleen A1B heeft fouten gemaakt, niet Cardif. Dat Cardif als gevolg van de hele gang van zaken vermogensvoordeel zou hebben genoten, valt in redelijkheid niet in te zien. Bij haar is immers geen verzekering aangemeld, laat staan door haar geaccepteerd.

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

4.13

De bewijsaanbiedingen van A1B c.s. betreffen geen stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Daarom gaat het hof daaraan voorbij.

5 Slotsom in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

5.1

De grieven in de hoofdzaak en in het principaal appel in de vrijwaringszaak falen, zodat het bestreden eindvonnis in beide zaken zal worden bekrachtigd.

5.2

De restitutievorderingen in beide zaken zullen daarom worden afgewezen.

5.3

Als de in het ongelijk te stellen partij zullen A1B c.s. worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep in de hoofdzaak en van het principaal appel in de vrijwaringszaak. Het incidenteel appel behoeft geen bespreking en geen kostenbeslissing.

De kosten voor de procedure in de hoofdzaak aan de zijde van Cardif zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.862

subtotaal verschotten € 1.862

- salaris advocaat € 3.264 (2 punten x appeltarief IV)

totaal € 5.126.

De kosten voor de procedure in het principaal appel in de vrijwaringszaak aan de zijde van Cardif zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

subtotaal verschotten nihil

- salaris advocaat € 3.264 (2 punten x appeltarief IV).

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 9 januari 2013;

veroordeelt A1B c.s. in de kosten van het hoger beroep in de hoofdzaak en van het principaal appel in de vrijwaringszaak, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Cardif vastgesteld in de hoofdzaak op € 1.862 voor verschotten en op € 3.264 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en in het principaal appel in de vrijwaringszaak op nihil voor verschotten en op € 3.264 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, alles te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt A1B c.s. in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval A1B c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.L. Wattel en A.E. Veerman, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 september 2014.