Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
1100810
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeken om informatie van ontvanger vormden geen ‘aanvraag’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2294
V-N Vandaag 2014/1964
V-N 2015/16.5

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Afdeling belastingrecht

nummer 11/00810

uitspraakdatum: 23 september 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2011, nummer AWB 10/3331,

in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Douane Schiphol Cargo (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is op 7 maart 2001 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen alsmede een boetebeschikking opgelegd welke naheffingsaanslag en boetebeschikking, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de bevoegde inspecteur bij uitspraak op bezwaar zijn gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende, voor zover het was gericht tegen de opgelegde naheffingsaanslag en de daarmee verband houdende boetebeschikking, bij uitspraak van 14 april 2003 met nummer 01/02197 (hierna: de uitspraak van 14 april 2003) ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof een beroepschrift in cassatie ingediend. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende bij arrest van
19 november 2004, nummer 39.622, niet-ontvankelijk verklaard. Een verzoek van belanghebbende tot herziening van dit arrest is door de Hoge Raad bij arrest van 30 september 2005, nummer 41.472 afgewezen.

1.4

De Ontvanger is, na de beëindiging van een verleend uitstel tot betaling, overgegaan tot de invordering van de naheffingsaanslag, onder meer door het leggen van loonbeslag op een aan belanghebbende toekomende uitkering. Bij iedere betaling of verrekening met het bedrag van de – resterende – hoofdsom van de naheffingsaanslag en de boete is daarbij invorderingsrente in rekening gebracht.

1.5

Nadat belanghebbende had verzocht om informatie omtrent de in rekening gebrachte invorderingsrente en om het toekennen van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een beslissing heeft de Ontvanger een bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beslissing om geen dwangsom vast te stellen, niet-ontvankelijk verklaard.

1.6

Belanghebbende is tegen die beslissing in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) die het beroep bij uitspraak van 20 oktober 2011 ongegrond heeft verklaard.

1.7

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.8

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.9

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede mr. [A] namens de Ontvanger, bijgestaan door [B].

1.10

Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het Hof het onderzoek geschorst en de Ontvanger in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken omtrent de wijze van berekenen van de in rekening gebrachte invorderingsrente. Bij brief van 24 april 2013 heeft de Ontvanger berekeningen verstrekt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 22 mei 2013.

1.11

Van het verhandelde ter zitting van 13 maart 2013 is een proces-verbaal opgemaakt waarvan afschriften op 20 maart 2013 aan partijen zijn verzonden.

1.12

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2014 te Arnhem. Belanghebbende is daar niet verschenen. De Ontvanger heeft het Hof voorafgaande aan de zitting meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het hoger beroep is gelijktijdig behandeld met een verzoek tot herziening, bij het Hof bekend onder rolnummer 13/00677.

1.13

Van het verhandelde ter zitting van 3 september 2014 is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft de Ontvanger bij brief van 26 oktober 2009 verzocht aan te geven op welke wijze de in rekening gebrachte invorderingsrente is berekend. Bij brief van
4 december 2009 heeft hij dit verzoek herhaald.

2.2

De Ontvanger heeft bij brief van 8 december 2009 algemene informatie verstrekt omtrent de wijze van berekenen van invorderingsrente. De Ontvanger heeft aan het slot van zijn brief vermeld: “Een nadere berekeningswijze kan ik niet geven”, doelende op de bedragen aan invorderingsrente die belanghebbende in rekening zijn gebracht.

2.3

Nadat belanghebbende bij brief van 18 januari 2010 de Ontvanger in gebreke had gesteld en had verzocht om de juiste berekening van de invorderingsrente, heeft hij bij brief van 20 maart 2010 de Ontvanger verzocht om toekenning van een verbeurde dwangsom van € 1.260. De Ontvanger heeft het verzoek bij brief van 15 april 2010 afgewezen op de gronden dat hij bij brief van 8 december 2009 de informatie had verstrekt en dat op een verzoek om informatie artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet van toepassing is zodat evenmin een dwangsom kan zijn verbeurd. Op dezelfde gronden heeft de Ontvanger op 27 juli 2010 het tegen de brief van 15 april 2010 door belanghebbende - op 24 mei 2010 - ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

2.4

Belanghebbende heeft tegen een aantal beschikkingen waarbij invorderingsrente is vastgesteld, bezwaar gemaakt. Tegen de afwijzing van zijn bezwaren is hij niet in beroep gekomen bij de Rechtbank.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard.

3.2

Belanghebbende stelt, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat de Rechtbank het beroep met betrekking tot de afwijzing van de dwangsom ten onrechte ongegrond heeft verklaard en dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op de geschilpunten zoals die blijken uit zijn bezwaarschrift, waaronder zijn bezwaar tegen een rentebeschikking.

3.3

De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat een verzoek om toelichting op een beschikking invorderingsrente niet leidt tot een beschikking in de zin van de Awb en dat derhalve geen dwangsom kan worden toegekend. Hij is van mening dat de Rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij tijdens de eerste zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het reeds aan partijen toegezonden proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

De uitnodiging voor de mondelinge behandeling

4.1

Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift en de daarop volgende correspondentie als postadres vermeld [a-straat] 37, [Z]. Op 10 februari 2012 heeft belanghebbende als zijn postadres aan het Hof opgegeven Postbus [0000], [Z]. Bij de – contante – betaling van het verschuldigde griffierecht heeft belanghebbende dit postbusnummer als postadres opgegeven. Met ingang van 13 maart 2012 is door de griffie van het Hof bij de correspondentie met belanghebbende gebruik gemaakt van het door hem opgegeven postadres Postbus [0000], [Z]. Uit van belanghebbende ontvangen correspondentie in antwoord op brieven van het Hof en uit zijn aanwezigheid ter zitting van het Hof op 13 maart 2013 voor de eerste mondelinge behandeling van het hogerberoepschrift blijkt dat belanghebbende feitelijk van dit postbusnummer gebruik maakte.

4.2

Belanghebbende is bij brief van 4 augustus 2014 uitgenodigd voor de tweede mondelinge behandeling van het hoger beroep door het Hof op 3 september 2014. De uitnodiging is aangetekend verzonden en gericht aan het laatst bekende postadres van belanghebbende, het door hem opgegeven postbusnummer. Deze uitnodiging is, zo is door PostNL na navraag door de griffier van het Hof per e-mail meegedeeld, ten onrechte per omgaande geretourneerd. De tweede uitnodiging is daarop op 6 augustus 2014 aangetekend aan belanghebbende verzonden, wederom naar het door hem opgegeven postbusnummer.

4.3

Ook de tweede uitnodiging, gericht aan het postbusnummer, is door PostNL per omgaande retour gezonden. Bij hernieuwde navraag door de griffier is gebleken dat de uitnodiging is retour gezonden omdat Postbus [0000] is opgeheven.

4.4

Daarop volgend heeft de griffier op 11 augustus 2014 onderzoek gedaan in de gemeentelijke basisadministratie naar de registratie van belanghebbende op het voormalige bij het Hof bekende postadres van belanghebbende, [a-straat] 37 te [Z]. Daarbij is gebleken dat belanghebbende met ingang van 6 februari 2012 is geëmigreerd en dat van hem geen adres in het buitenland bekend is. Onderzoek bij de Ontvanger leerde de griffier dat ook bij de Belastingdienst belanghebbende is geregistreerd met de opmerking: “adres onbekend”.

4.5

Bij brieven van 13 augustus 2014 die zowel aangetekend als niet-aangetekend zijn verzonden naar het adres [a-straat] 37 te [Z] als bij niet-aangetekende brief van 13 augustus 2014, gericht aan het postbusnummer, is belanghebbende ten derde male uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het verzoek.

4.6

Omdat belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de wettelijk voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor het bijwonen van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak heeft het Hof die mondelinge behandeling op 3 september 2014 doorgang laten vinden en aan het slot daarvan het onderzoek gesloten.

Het beroep en hoger beroep

4.7

Op een beschikking van de Ontvanger tot vaststelling van invorderingsrente zijn de regels van Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing (artikel 30, tweede lid, van de Invorderingswet 1990). Hieruit volgt dat de belastingkamer van de Rechtbank en van het Hof bevoegd zijn kennis te nemen van geschillen omtrent de daarmee samenhangende verzoeken tot vaststelling van een dwangsom (vgl. Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797). Naar het oordeel van het Hof geldt dit ook indien een verzoek tot vaststelling van een dwangsom verband houdt met de vaststelling van invorderingsrente doch op zichzelf niet samenhangt met een besluit of een beschikking als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

4.8

De verzoeken van belanghebbende, vervat in zijn brieven van 26 oktober 2009 en 4 december 2009 behelzen niet meer dan verzoeken om informatie en kunnen naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als een aanvraag tot het geven van een beschikking als bedoeld in de Awb. Tegen het antwoord daarop van de Ontvanger staat het rechtsmiddel van bezwaar niet open. Dit heeft tot gevolg dat paragraaf 4.1.3.1 van de Awb omtrent de beslistermijn niet van toepassing is en paragraaf 4.1.3.2 van de Awb omtrent de dwangsomregeling evenmin. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Ontvanger waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, terecht ongegrond verklaard. In het midden kan blijven of de Ontvanger met zijn brieven van 8 december 2009 en 15 april 2010 voldoende is tegemoetgekomen aan het verzoek om informatie van belanghebbende.

4.9

Gelet op de door belanghebbende in beroep bestreden uitspraak van de Ontvanger en de inhoud van het beroepschrift heeft de Rechtbank het beroep terecht slechts opgevat als te zijn gericht tegen de beslissing van de Ontvanger omtrent het niet toekennen van een dwangsom en het niet-ontvankelijk verklaren van het daartegen gerichte bezwaar van belanghebbende. Geen regel verplichtte de Rechtbank te onderzoeken of, buiten de inhoud van het beroepschrift, gronden aanwezig zijn die moeten leiden tot vernietiging van de uitspraak, behoudens regels van openbare orde die door de Rechtbank ambtshalve moeten worden toegepast.

4.10

Derhalve hoefde de Rechtbank het beroep niet op te vatten als te zijn gericht tegen, naar belanghebbende thans stelt, de fictieve weigering van de Ontvanger om te beslissen op het bezwaar met betrekking tot de berekende invorderingsrente. Dit geldt temeer nu uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank kan worden geconcludeerd dat belanghebbende uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn beroep niet is gericht tegen de uitspraken van de Ontvanger met betrekking tot de bezwaren van belanghebbende tegen de in rekening gebrachte invorderingsrente. Dat hierbij een uitzondering zou moeten worden gemaakt voor de beschikking invorderingsrente, nummer 2010/027, kan uit de stukken naar het oordeel van het Hof niet worden afgeleid. Evenmin was de Rechtbank gehouden onderzoek te doen naar de vraag of de Ontvanger gehouden was de hoofdsom van de naheffingsaanslag en de boete te verlagen op grond van regels van Europees recht, hetgeen, in de ogen van belanghebbende, eveneens zou leiden tot minder verschuldigde invorderingsrente.

4.11

Het Hof merkt ten overvloede op dat de Ontvanger, na de eerste mondelinge behandeling van het beroep op 13 maart 2013, op verzoek van het Hof alsnog met betrekking tot een tweetal beschikkingen invorderingsrente de berekeningen van de in rekening gebrachte rente heeft ingezonden. Het is het Hof niet gebleken dat de voorschriften omtrent de berekening van invorderingsrente door de Ontvanger onjuist zijn toegepast.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 23 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 september 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.