Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7304

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
200.114.590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over uitvoering architectenopdracht. Vraag welk onderzoek de architect had moeten doen om te beoordelen of het verbouwingsplan (“optopping” van een bestaande bungalow) haalbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.114.590

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector Kanton, locatie Wageningen 749396)

arrest van de eerste kamer van 23 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.H.M. Schaakxs,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. de Groot.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 5 maart 2013. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 27 maart 2013; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven tevens wijziging eis,

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met één productie,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel tevens houdende akte uitlating producties,

- een akte van [geïntimeerde], met één productie,

- een akte van [appellant].

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

[appellant] was eigenaar van het woonhuis gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam]. In 2008 heeft hij het huis overgedragen aan zijn zoon (hierna te noemen: [zoon]) en hebben hij en zijn echtgenote het vruchtgebruik gekregen totdat hun nieuwe huis in [plaatsnaam] gereed was. Het huis in [plaatsnaam] diende verbouwd te worden voor [zoon] zodat deze na aanpassing van het huis daar met zijn gezin met drie kinderen zou kunnen gaan wonen. [appellant] heeft [geïntimeerde] opdracht gegeven een bouwtekening te maken en te onderzoeken of het bouwkundig haalbaar was om het pand uit te breiden. Bekeken moest worden of het bouwkundig mogelijk was een verdieping op de bestaande bungalow te plaatsen (hierna te noemen: “optoppen”).

2.2

[geïntimeerde] heeft, nadat hij zich persoonlijk op de hoogte had gesteld van de situatie ter plaatse, meegedeeld dat het optoppen van de bestaande woning niet tot bouwkundige bezwaren zal leiden. [appellant] heeft besloten de architectkosten voor zijn rekening te nemen.

2.3

Op 12 november 2008 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een overeenkomst gesloten met betrekking tot de architectenopdracht voor het woonhuis. De door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Naar aanleiding van uw verzoek voor het opgeven van de architectkosten aangaande het renoveren c.q. van de bestaande woning gelegen op het perceel [adres] te [plaatsnaam] geef ik u hierbij een gespecificeerde opgave.

  1. Opnemen en intekenen bestaande woning € 500,--

  2. Voorlopig Ontwerp ter goedkeuring gebruiker € 2.040,--

  3. Definitief Ontwerp voor indiening welstandscommissie € 1.360,--

  4. Bestektekening voor bouwvergunningaanvraag + sloopverg. € 4.500,--

  5. Detail tekeningen t.b.v. de prijsaanvraag € 1.400,--

  6. Energieprestatieberekeningen € 850,--

  7. Bestekomschrijving € 1.600,--

  8. Aanbesteding bij diverse aannemers € 1.360,--

I. Toezicht tijdens de bouw € 1.390,--

Totaal € 15.000,--

voornoemde opgave zijn excl. geldende B.T.W., leges, constructieberekeningen, bodem- en grondonderzoek, (…) en opleveringskeuring.

De opdrachten hiertoe dienen indien gewenst c.q. noodzakelijk, rechtstreeks opgedragen te worden. (…)”

2.4

[geïntimeerde] heeft op basis van deze opdracht een ontwerp gemaakt, gebaseerd op een uitbreiding van de woning bovenop de bestaande bouw. [appellant] heeft het ontwerp goedgekeurd. Hij heeft [ingenieur] als constructeur aangesteld, die het plan op zijn constructieve merites heeft beoordeeld. Ook [ingenieur] achtte het optoppingsplan haalbaar.

Hij heeft het constructieve ontwerp en de daarbij behorende constructieberekeningen en

-tekeningen gemaakt. Vervolgens is de bouwvergunning aangevraagd. Op 16 juni 2009 heeft de gemeente [plaatsnaam] aan [appellant] de bouwvergunning verleend voor het optoppen van de woning volgens het ontwerp van [geïntimeerde]. Op 9 september 2010 heeft [appellant] het werk gegund aan Bouwbedrijf J. Timmer B.V.

2.5

In oktober 2010 zijn [appellant] en zijn echtgenote verhuisd naar een andere woning.

In november 2010 is de aannemer gestart met de sloopwerkzaamheden van het dak van de bungalow. Toen bleek dat een groot deel van de binnenspouwmuren uit gasbetonblokken bestond. Duidelijk was dat deze muren de op de bouwtekening ingetekende kapconstructie niet konden dragen. De bouw is onmiddellijk stilgelegd. Later is geconstateerd dat ook de fundering moest worden aangepast voordat tot optopping kon worden overgegaan.

2.6

[geïntimeerde] heeft in een e-mail van 2 november 2010 aan [appellant] geschreven:

“Heden middag ben ik op de bouw geweest en heb daar samen met [persoon 1] de situatie door genomen. (…) Tijdens de inspectie heb ik geconstateerd dat de binnenspouwmuren nagenoeg allemaal uit gasbeton bestaan. (…) Aangezien de verdiepingsvloer op de binnenspouwmuren komt te rusten heb ik direct gezegd dat hierop niet gebouwd mag worden zonder eerst de constructeur hiervan op de hoogte te stellen. (…) Persoonlijk heb ik ook foto’s gemaakt en die direct daarna voorgelegd aan de constructeur. Samen met hem hebben wij besloten niet verder te gaan met de bouw, eerst moeten de dragende binnenspouwmuren worden voorzien van metselwerk welk de vloeren wel mogen dragen. De oplossing is om deze wanden te vervangen door porothermstenen (…).

Voordat men met deze werkzaamheden mag beginnen wil ik eerst de meerwerkkosten kennen en een akkoord voor uitvoering. (…)”

2.7

[zoon] heeft vervolgens met de aannemer overlegd over hoe nu verder te gaan.

In een notitie van 15 november 2010 heeft de aannemer drie opties hiervoor uitgewerkt, die neerkwamen op:
a. het vervangen van de zwakke wanden en het verstevigen van de fundering en alsnog optoppen met bijkomende kosten;

b. het slopen van de bestaande bungalow en het realiseren van een nieuw te bouwen woning met behoud van de bestaande opkamer;

c. het slopen van de bestaande bungalow en het realiseren van een nieuw te bouwen woning met behoud van de bestaande opkamer en kelder.

De totale kosten voor uitvoering van de bestaande opdracht met aanpassingen (optie a) werden geschat op € 233.180,-. Daarin begrepen waren de meerkosten voor het vervangen van de gasbetonmuren ad € 16.041,-. Voor de meerkosten ten aanzien van de fundering was nog geen indicatie gegeven, omdat deze nog moesten worden onderzocht. De kosten voor nieuwbouw (opties b en c) werden geschat op € 256.352,- respectievelijk € 286.998,-.

2.8

Aanvankelijk besloten [appellant] en [zoon] in overleg met [geïntimeerde] te kiezen voor nieuwbouw op de plek van de bestaande bungalow. Partijen hebben daarover nadere afspraken met elkaar gemaakt. In een e-mail van 17 december 2010 heeft [zoon] daarover aan [geïntimeerde] geschreven:

Fijn dat we er van de week uitgekomen zijn. Wil jij ook nog bevestigen om misverstanden te voorkomen dat jij dan alle werk, tekeningen, constructie berekening en kosten behalve de leges kosten (die zijn voor onze rekening), tot het huis klaar is voor ons regelt tegen een bedrag van 5000 euro. (…)

2.9

In een brief van dezelfde datum heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:

“In aansluiting op ons gesprek van donderdag 16 dec. waarin wij samen met uw zoon ([zoon]) de bouw van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] hebben doorgenomen, heb ik heden morgen van [zoon] begrepen dat hij de kosten voor het opnieuw ontwerpen incl. bouwvergunningaanvraag en konstructeur voor zijn rekening wil nemen. De kosten hiervoor hebben wij donderdag gezamenlijk bepaald op €.5.000,- excl. b.t.w.

Wat de overige kosten van de door u aan mij gegeven opdracht betreft genoemd in de fase H en I blijft u volgens [zoon] verantwoordelijk.

Voor de werkzaamheden welke ik nu voor [zoon] ga doen zal ik een en ander schriftelijk met hem regelen. Zodra de nieuwe opdracht is getekend zal met de werkzaamheden worden begonnen (…).”

2.10

Eveneens op 17 december 2010 heeft [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging voor het opnieuw ontwerpen van de woning ter ondertekening aan [zoon] toegezonden. [geïntimeerde] heeft hierin de kosten voor (A) ontwerp voor indiening welstandscommissie, (B) bestektekening voor bouwvergunningaanvraag, (C) bestekomschrijving en (D) constructieberekeningen vastgesteld op een bedrag van in totaal € 5.000,- exclusief btw.

2.11

Op 17 december 2010 heeft [geïntimeerde] voorts een factuur aan [appellant] gestuurd ten bedrage van € 1.618,40 (€ 1.360,- exclusief btw) voor de aanbesteding bij diverse aannemers (“Fase H gereed”).

2.12

Bij e-mail van 9 januari 2011 heeft [zoon] [geïntimeerde] gevraagd de opdrachtbevestiging nogmaals toe te sturen, omdat hij bang was dat de envelop met alle kerstpost “in het ronde archief was verdwenen”. Bij e-mail van 10 januari 2011 heeft [geïntimeerde] de brief nogmaals aan [zoon] toegestuurd. Hij vermeldde daarbij dat, zodra hij het getekende exemplaar retour had ontvangen, hij met het werk zou kunnen beginnen. Bij e-mail van 12 januari 2011 heeft [geïntimeerde] aan [zoon] geschreven dat hij nog niets van [zoon] en zijn vader had ontvangen en dat het gezien zijn planning met andere projecten wenselijk was dat hij spoedig de opdracht van [zoon] en de betaling van diens vader zou ontvangen. Bij e-mail van 22 januari 2011 liet [geïntimeerde] aan [zoon] weten dat hij de getekende opdracht nog altijd niet had ontvangen, hoewel [zoon] op 13 januari telefonisch had aangegeven deze direct te zullen toezenden, en dat hij nu met de andere opdracht was begonnen.

2.13

Bij e-mail van 3 februari 2014 heeft [zoon] aan [geïntimeerde] geschreven:

“N.a.v. de problemen geconstateerd tijdens het slopen van het dak van de woning op de [adres] in [plaatsnaam] waarbij geconstateerd is dat een gedeelte van de binnenmuren niet sterk genoeg zou zijn voor het dragen van een betonnen vloer, terwijl er door een constructiebureau berekening zijn gemaakt juist om te kijken of dit plan levensvatbaar zou zijn. Daarom werd besloten de werkzaamheden stil te leggen voor nader overleg. Hieruit bleek dat dat er minimaal 16.000 euro extra zou moeten worden betaald om de verbouwing/renovatie van de woning mogelijk te maken. Het was voor ons duidelijk dat er een fout is gemaakt. Uiteindelijk hebben wij besloten gezien de geringe meerkosten te gaan voor een nieuw te bouwen woning. Na overleg leken wij een accoord te hebben over de prijs en het te volgen traject.

Gebleken is dat wij verschil van mening hebben over de afgesproken prijs (5000 in/exclusief btw). Verder bleek dat ondanks de toezegging van jou direct met schetsplannen aan te vangen, vanwege het zo snel mogelijk hervatten van de bouw, de schetsen keer op keer niet gemaakt waren omdat de bevestiging van de opdracht niet geretourneerd was. Maandag 24 januari hebben wij besloten uit elkaar te gaan omdat er schijnbaar niet genoeg wederzijds vertrouwen is. (…)”

2.14

Bij brief van 4 maart 2011 heeft [zoon] (namens de familie [appellant]) aan [geïntimeerde] bericht:

“(…) De laatste factuur groot € 1350,00 inclusief btw hebben wij tot op heden niet betaald omdat wij, zoals u bekend, niet tevreden zijn over de begeleiding/controle door u. (…)

De fout(en)_die zijn gemaakt waardoor de bouw moest worden stilgelegd in november j.l. hebben ons een zeer grote schadepost opgeleverd, tot op dit moment geschat schadebedrag van € 25.000 euro! Exacte berekeningen hiervoor worden gemaakt.

Dat u weet dat er fout(en) gemaakt zijn is wel gebleken uit het feit dat u een nieuw plan wilde maken tegen een eenmalige speciale prijs van € 5000,00. Door het niet nakomen van uw belofte direct en vlot een schets te maken voor een “nieuw”bouwplan was het plan door tijd niet meer uitvoerbaar en zijn wij gedwongen het “oude”plan op te pakken. (…)”

2.15

Bij brief van 10 maart 2011 heeft [geïntimeerde] geantwoord dat hij zich niet kan vinden in de verwijten over fouten die zouden zijn gemaakt. Hij heeft opgemerkt dat hij een aanbieding voor tekenwerk voor de vriendenprijs van € 5.000,- exclusief btw heeft gedaan. Ten slotte heeft hij verzocht de factuur van 17 december 2010 per omgaande te betalen.

2.16

In een brief van 4 april 2011 hebben [appellant] en [zoon] aan [geïntimeerde] geschreven:

“Wij willen u van het volgende in kennis stellen. Bij het heropstarten van de bouwwerkzaamheden zijn onze bouwkundig adviseur en aannemer gestuit op fouten in het door u geleverde tekeningen betreffende de [adres] in [plaatsnaam].

  • -

    De trap naar de 1e verdieping staat onderling verkeerd gemaatvoerd op de verschillende tekeningen.

  • -

    Maatvoering op plattegronden en technische tekeningen wijken onderling af.

  • -

    Er zijn geen W+G+E tekeningen gemaakt

(…)

Wij stellen u in de gelegenheid om uw fouten te herstellen en wel binnen 7 werkdagen. Voor verdere informatie omtrent het aanpassen en van de tekeningen kunt u contact opnemen met de heer [persoon 2] van Bouwkundig Advies Bureau Bylaer (…). Mocht u de fouten niet tijdig herstellen dan zullen wij u verder aansprakelijk stellen voor de kosten voortvloeiend uit bovenstaande zaken. Het moge duidelijk zijn dat de door u in eerder schrijven gevorderde openstaande post niet betaald kan worden zolang deze zaken niet opgelost zijn. (...)”

2.17

Bij e-mail van 5 april 2011 heeft [geïntimeerde] als volgt gereageerd:

“(…)

  • -

    Per omgaande heb ik contact opgenomen met de tekenaar die de werkzaamheden voor mij heeft uitgevoerd. Deze geeft mij aan dat bij controle de trappen wel juist zijn gemaatvoerd en stelt de vraag waar een afwijking is geconstateerd, zodat dit alsnog aangepast of besproken kan worden.

  • -

    De afwijkende maatvoering van plattegronden en technische tekeningen zijn wel geconstateerd en hebben uitsluitend betrekking op de fundatietekening. Deze zullen per omgaande aangepast worden.

  • -

    Dat er geen W+G+E tekeningen zijn gemaakt is een simpel gevolg van het verloop van de opdracht. De gegevens zijn zoals afgesproken door [zoon] met de installateur doorgesproken en zouden mij ter hand worden gesteld of door de installateur op de door mij aangeleverde tekening worden ingetekend. Deze werkzaamheden zouden gebeuren in de toezichtfase c.q. na de sloop.

  • -

    Aan de gestelde tijd van 7 werkdagen zal worden voldaan, mits tijdig de installateurgegevens aan mij bekend worden gemaakt.

  • -

    (…)”

2.18

Bij e-mail van 12 april 2011 heeft [geïntimeerde] aangepaste tekeningen aan Bylaer Advies- en tekenburo (verder: Bylaer) doen toekomen.

2.19

[appellant] heeft er uiteindelijk voor gekozen optie a. (optoppen van de woning volgens het ontwerp van [geïntimeerde], met versteviging van de muren en fundering) te laten uitvoeren. De bouw is in mei 2011 hervat.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 4 april 2011 gedagvaard voor de kantonrechter te Wageningen. Hij heeft gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 1.618,40, te vermeerderen met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij in opdracht en voor rekening van [appellant] de in de factuur van 17 december 2010 omschreven werkzaamheden heeft verricht, zulks op basis van de overeenkomst van 12 november 2008. [appellant] heeft verweer gevoerd. In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen. Tevens heeft hij betaling gevorderd van een bedrag van € 22.731,60 door [geïntimeerde].

3.2

De kantonrechter heeft, na bij vonnis van 18 januari 2012 een comparitie van partijen te hebben bepaald, bij eindvonnis van 6 juli 2012 de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat, daargelaten of [geïntimeerde] zijn werk niet goed heeft gedaan, dit nog niet betekent dat de plicht tot betaling van de factuur voor het uitgevoerde werk daarmee komt te vervallen. Omdat de vordering van [geïntimeerde] verder niet was bestreden, achtte de kantonrechter deze toewijsbaar. Ten aanzien van de vordering in reconventie overwoog de kantonrechter dat [geïntimeerde] mocht vertrouwen op de door hem opgevraagde bouwtekeningen, waaruit volgt dat de muren niet van gasbetonblokken konden zijn. De kantonrechter overwoog daarbij dat de tekeningen dateren van 1952 en dat het destijds geldende bouwbesluit bepaalde dat dragende muren niet van gasbetonblokken mochten zijn. Dat in strijd daarmee in dit geval toch met gasbeton was gewerkt, behoefde de architect dan ook niet te verwachten. [geïntimeerde] is daarom niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht, aldus de kantonrechter.

3.3

[appellant] komt met vier grieven tegen het eindvonnis op. Hij heeft daarbij zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij thans in reconventie vordert dat het hof:

  1. de overeenkomst van 12 november 2008 partieel zal ontbinden op grond van artikel 6:267 lid 2 BW juncto artikel 6:270 BW en artikel 6:272 lid 2 BW, in dier voege dat het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen honorarium nader wordt vastgesteld op € 5.000,- exclusief btw, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

  2. [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van het teveel betaalde honorarium ten bedrage van € 10.000,- exclusief btw, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. op grond van artikel 6:277 lid 1 BW een schadevergoeding zal toekennen in verband met voormelde ontbinding, in dier voege dat [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 10.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag dient te betalen.

3.4

Voor het geval een of meer grieven van [appellant] gegrond mochten worden bevonden, heeft [geïntimeerde] in incidenteel appel drie grieven ten aanzien van de feitenvaststelling in het bestreden vonnis aangevoerd. Het hof zal eerst op het principaal hoger beroep ingaan.

3.5

[appellant] heeft (ook in hoger beroep) niet betwist dat [geïntimeerde] de in de factuur van 17 oktober 2010 omschreven werkzaamheden op basis van de overeenkomst van 12 november 2008 heeft verricht. Het daarvoor in rekening gebrachte bedrag heeft [appellant] op zichzelf ook niet bestreden. Naar het hof begrijpt, beroept [appellant] zich echter op de in reconventie gevorderde partiële ontbinding van de overeenkomst, in de vorm van vaststelling van een lager honorarium, waardoor het in conventie gevorderde bedrag niet meer verschuldigd zou zijn, dan wel op verrekening met zijn reconventionele betalingsvordering.

Aan de gevorderde partiële ontbinding van de overeenkomst heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] zijn werk als architect niet goed heeft gedaan, door een onjuiste analyse te maken ten aanzien van de (on)mogelijkheid tot het optoppen van de woning, door fouten in de aangeleverde bouwtekening te maken en door na de ontdekking van het gasbetonblokkenprobleem geen adequate acties te ondernemen. Volgens [appellant] is de waarde van de prestatie van [geïntimeerde] door dit alles voor hem zeer beperkt geweest. Hij raamt deze waarde op 1/3 deel van het gefactureerde honorarium, derhalve op € 5.000,- in plaats van de reeds betaalde € 15.000,-. Naast terugbetaling van het teveel betaalde bedrag vordert hij schadevergoeding in verband met de ontbinding, waartoe de gestelde tekortkoming van [geïntimeerde] grond oplevert.

3.6

De vraag die [appellant] in hoger beroep (opnieuw) aan de orde stelt, is daarmee eerst en vooral of [geïntimeerde] - zoals [appellant] stelt, maar [geïntimeerde] betwist - in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst is tekortgeschoten. Voor de beantwoording van die vraag is allereerst van belang welke verplichtingen [geïntimeerde] op basis van de overeenkomst van opdracht had. Daarbij geldt de wettelijke verplichting dat [geïntimeerde] de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moest nemen (artikel 7:401 BW). In het kader daarvan dient te worden beoordeeld of [geïntimeerde] heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend architect te werk zou zijn gegaan.

3.7

De door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging houdt in dat [geïntimeerde] de bestaande woning zou opnemen en intekenen, het ontwerp voor de beoogde uitbreiding en de bestektekening, detailtekeningen en de bestekomschrijving zou maken, de aanbesteding bij diverse aannemers zou verzorgen en ten slotte toezicht zou houden tijdens de bouw. In de bevestiging is vermeld dat de constructieberekeningen buiten de opgegeven werkzaamheden vielen en rechtstreeks moesten worden opgedragen.

3.8

Partijen zijn het erover eens dat de opdracht mede inhield dat [geïntimeerde] zou onderzoeken of het optoppen van de woning haalbaar was. Zij verschillen er echter over van mening welk onderzoek [geïntimeerde] in dat kader moest doen. Vaststaat dat [geïntimeerde] allereerst diende na te gaan of optopping volgens het bestemmingsplan was toegestaan. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] dat ook heeft gedaan. De uitkomst daarvan was dat de beoogde uitbreiding inderdaad was toegelaten. Beide partijen gaan ervan uit dat [geïntimeerde] vervolgens de in het gemeentelijk archief aanwezige stukken ten aanzien van de bestaande bebouwing (bestek en/of bouwtekeningen) diende op te vragen om de bouwkundige mogelijkheden verder te bezien. Vaststaat dat [geïntimeerde] dat eveneens heeft gedaan. Daarbij bleek dat er geen bestek en tekeningen van de oorspronkelijke bouw van de woning in 1952 aanwezig waren, maar wel bestektekeningen van een verbouwing uit 1964 en de aanbouw van een badkamer in 1972. Op deze bestektekeningen zijn plattegronden en doorsnedes van de gehele woning te zien. De binnen- en buitenmuren (door [geïntimeerde] aangeduid als binnen- en buitenspouwbladen) zijn daarop, zowel bij de oorspronkelijke bebouwing als bij de latere uitbreidingen, getekend alsof ze uit hetzelfde materiaal bestaan. [appellant] heeft niet betwist dat dit normaliter betekent dat het binnen- en buitenspouwblad uit hetzelfde soort metselwerk bestaat. [geïntimeerde] heeft er verder op gewezen dat volgens de tekeningen het metselwerk van het binnenspouwblad “dragend” was: op die binnenspouwbladen rustte(n) (de dragende balken van) het dak. Buiten discussie staat ten slotte dat ook volgens de destijds geldende bouwvoorschriften het gebruik van gasbeton voor dragend metselwerk niet was toegestaan.

3.9

Naar het oordeel van het hof mocht [geïntimeerde] er op grond van voormelde gegevens, bij ontbreken van concrete aanwijzingen voor het tegendeel, van uitgaan dat de binnenmuren net als de buitenmuren uit gewone metselsteen waren opgetrokken en dus uit dragend metselwerk zouden bestaan. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat een goed handelend architect (zeker in een geval als het onderhavige, waarin het oorspronkelijke bestek met bouwtekeningen ontbreekt) zich ook dient te vergewissen van de feitelijke eigenschappen van de bestaande bebouwing. Niet zonder meer valt echter in te zien dat de architect in dat kader niet met een globale inspectie zou mogen volstaan, maar ook zonder specifieke opdracht daartoe een verdergaand (destructief) onderzoek naar de opbouw en materiaaltoepassing zou moeten uitvoeren (zoals [appellant] suggereert: door dekvloeren, delen van het plafond en stuclagen weg te (laten) hakken of gaten in de muren te boren). [appellant] heeft ook niet toegelicht dat dit gebruikelijk zou zijn. De enkele stelling dat het onder architecten een feit van algemene bekendheid zou zijn dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat bestaande woningen kunnen zijn gebouwd in afwijking van het oorspronkelijke bouwplan en van de bijbehorende tekeningen waarop de bouwvergunning is verleend, is - wat daar verder van zij - onvoldoende om de door [appellant] gestelde vergaande onderzoeksverplichting aan te nemen. Het feit dat de bestaande woning een bungalow met een (licht) plat dak betrof, behoefde voor [geïntimeerde] ook geen reden te zijn om nader te onderzoeken of de woning wel conform de bouwtekeningen en de bouwvoorschriften was gebouwd. [appellant] heeft niet betwist dat ook voor het (licht) plat dak een dragende binnenspouwmuur was vereist. Bij het voorgaande komt nog dat, zoals hiervoor al is vermeld, de constructieberekeningen buiten de opdracht vielen. Ook om die reden mocht [appellant] niet zonder meer verwachten dat de constructieve aspecten door [geïntimeerde] dieper zouden worden onderzocht. Ten slotte is nog van belang dat het feit dat de binnenmuren uit gasbeton bleken te bestaan, niet direct betekende dat het optoppingsplan niet haalbaar was. Het betekende alleen dat de bestaande constructie moest worden versterkt, wat tegen relatief beperkte meerkosten (afgezet de totale bouwsom) kon. Over het tijdverlies handelt rov. 3.12.

3.10

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen grond om aan te nemen dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van de opdracht op dit punt niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend architect te werk zou zijn gegaan. Het hof deelt dan ook het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] in elk geval in zoverre niet in zijn zorgplicht is tekortgeschoten.

3.11

Niet in geschil is verder dat [geïntimeerde], conform de opdracht, het voorlopige en definitieve ontwerp voor de uitbreiding van de woning, alsook de bestektekening voor de bouwvergunningaanvraag, detailtekeningen ten behoeve van de prijsaanvraag en de bestekomschrijving heeft gemaakt. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] echter diverse fouten in de door hem aangeleverde bouwtekening gemaakt, die door Bylaer moesten worden hersteld. Een verdere toelichting hierop heeft [appellant] in hoger beroep niet gegeven. Naar het hof begrijpt, doelt [appellant] echter op zijn stellingen in eerste aanleg dat de maatvoering van de plattegrondtekeningen niet overeenkomt met de werkelijke situatie, dat de maatvoering van het trapgat naar de eerste verdieping niet klopt, dat het binnenblad van de spouwmuur van de nieuwe eerste verdieping ter hoogte van het trapgat nergens wordt opgevangen en dat de douche op de eerste verdieping verkeerd is ingetekend. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie gemotiveerd op deze stellingen gereageerd. Naar hij stelt, is van maatvoeringsfouten geen sprake. Hij wijst er nog op dat boven de tekeningen uitdrukkelijk is aangegeven: “Let op! Alle maten in werk controleren.” Daarbij vermeldt hij dat hij de suggesties van Bylaer met betrekking tot de ingetekende trap heeft overgenomen en de tekeningen binnen enkele dagen heeft aangepast. Voorts stelt hij dat de tekeningen van de douche correct zijn en dat de douche uiteindelijk ook op de ingetekende plaats is uitgevoerd. [appellant] heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd. Uit de in rov. 2.16 tot en met 2.18 weergegeven correspondentie blijkt ook slechts dat [appellant] [geïntimeerde] op (vermeende) fouten in de tekeningen heeft gewezen en dat [geïntimeerde] naar aanleiding daarvan contact heeft gehad met de door [appellant] ingeschakelde adviseur en aangepaste tekeningen heeft toegestuurd. Niet blijkt dat daarna nog van niet herstelde fouten in de tekeningen sprake was.

Ook op dit punt bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen is tekortgeschoten.

3.12

Blijft over het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] niet adequaat is opgetreden toen het probleem was geconstateerd dat de bestaande constructie de te bouwen verdieping niet kon dragen. Het hof begrijpt dat [appellant] hierbij de discussie over het uitblijven van een (schets)ontwerp voor een nieuwbouwwoning (na het overleg op 16 december 2010) bedoelt. Ook op dat punt acht het hof de stellingen van [appellant] echter onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie (weergegeven in rov. 2.8 tot en met 2.14) blijkt dat partijen op 16 december 2010 waren overeengekomen dat [geïntimeerde] voor een bedrag van € 5.000,- een nieuw ontwerp zou maken en de daarbij behorende werkzaamheden zou verrichten. [appellant] heeft niet betwist dat zijn zoon daarbij de opdrachtgever zou zijn. Uit de correspondentie blijkt dat [geïntimeerde] direct op 17 december 2010 een email met een bevestiging van de gemaakte afspraken aan [appellant] heeft gezonden, waarbij hij heeft gemeld dat hij de nieuwe opdracht verder schriftelijk met [zoon] zou regelen. Daarbij heeft hij ook opgemerkt dat, zodra de nieuwe opdracht was getekend, hij met de werkzaamheden zou beginnen. Op dezelfde datum heeft hij een opdrachtbevestiging aan [zoon] toegestuurd, met het verzoek deze te ondertekenen. Op verzoek van [zoon] heeft [geïntimeerde] dit stuk nog een tweede maal toegezonden, omdat het eerste stuk blijkbaar in het ongerede was geraakt. Ondanks telefonische toezegging heeft [zoon] het stuk ook daarna niet geretourneerd. [geïntimeerde] heeft verder nog op spoedige afhandeling aangedrongen. [appellant] heeft niet toegelicht waarom in die fase niet op de toegezonden opdrachtbevestiging is gereageerd (hetzij door deze te ondertekenen en te retourneren, hetzij door commentaar te geven als de opvatting bestond dat [geïntimeerde] de gemaakte afspraken niet juist had weergegeven). Dat [geïntimeerde] een schriftelijke vastlegging van de nieuwe afspraken verlangde, is daarbij op zichzelf niet onbegrijpelijk. Gelet hierop bestaat voor het verwijt van [appellant] dat er een oeverloze discussie met [geïntimeerde] ontstond over het eerst moeten tekenen van een opdrachtbevestiging voor het nieuwe ontwerp en dat bij [geïntimeerde] een gebrek aan bereidheid bestond om het overeengekomen schetsontwerp tijdig te leveren, geen goede grond. Ook in dit opzicht valt geen tekortkoming van [geïntimeerde] aan te nemen.

3.13

Bij het voorgaande komt nog dat, nu nakoming op dit punt niet blijvend of tijdelijk onmogelijk was ([geïntimeerde] had het nieuwe ontwerp immers alsnog kunnen maken), de bevoegdheid tot ontbinding pas zou ontstaan wanneer [geïntimeerde] in verzuim zou zijn (artikel 6:265 lid 2 BW). Uit de gedingstukken kan echter niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] in verzuim is geraakt. [appellant] kon uit de mededeling van [geïntimeerde] (in zijn e-mail van 22 januari 2011) dat hij inmiddels met een andere opdracht was begonnen, niet zonder meer afleiden dat [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verbintenis zou tekortschieten. Voor het intreden van verzuim was dan ook een ingebrekestelling vereist (zie artikel 6:82 lid 1 en 6:83, aanhef en onder c, BW). Uit de gedingstukken blijkt niet dat [geïntimeerde] ten aanzien van het maken van een nieuw ontwerp in gebreke is gesteld (door middel van een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven). Integendeel, uit de e-mail van [zoon] van 3 februari 2011 blijkt dat partijen op 24 januari 2011 hebben besloten wegens gebrek aan vertrouwen uit elkaar te gaan.

3.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen grond voor de gevorderde (partiële) ontbinding van de overeenkomst bestaat. Dit brengt mee dat de op ontbinding gegronde vordering tot terugbetaling van teveel betaald honorarium evenmin toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de vordering tot toekenning van schadevergoeding in verband met de ontbinding. Het verweer tegen de vordering in conventie gaat bij deze uitkomst ook niet op.

Dit alles betekent dat de grieven in het principaal hoger beroep falen. Aan beoordeling van het incidenteel hoger beroep komt het hof niet toe, nu de voorwaarde waaronder dit beroep is ingesteld niet in vervulling gaat.

3.15

[appellant] heeft geen concrete feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan het door hem gedane bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij.

4 Slotsom

4.1

De grieven in het principaal hoger beroep falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Aan het incidenteel hoger beroep komt het hof niet toe.

4.2

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 299,- voor verschotten (griffierecht) en, inclusief het voorwaardelijk incidenteel appel, op € 3.474,- voor salaris advocaat (3 punten x tarief III).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen) van 6 juni 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 3.474,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 september 2014.