Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7254

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
21-001873-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf van 11 jaar terzake doodslag. Vrijspraak moord en gekwalificeerde doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001873-14

Uitspraak d.d.: 22 september 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2014 met parketnummer 16-701630-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [PI - verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair:
Hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair:
Hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van (ongeveer) 500,- gulden, in elk geval enig geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Meer subsidiair:
Hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

Meest subsidiair:
Hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 500,- gulden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), heeft gestoken en/of gesneden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de voorbedachte rade (primair tenlastegelegd) overweegt het hof dat het dossier onvoldoende bewijs oplevert om een uitspraak te doen over de vraag of verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld.

Ten aanzien van datgene wat de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan het bewezen verklaren van de gekwalificeerde doodslag (subsidiair tenlastegelegd) overweegt het hof in het bijzonder dat op basis van die feiten- en omstandigheden slechts zou kunnen worden aangenomen dat de diefstal op de doodslag is gevolgd, maar niet dat de doodslag is gepleegd met het oogmerk de diefstal te vergemakkelijken of te begunstigen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het met de rechtbank het door de verdachte in onderhavige strafzaak geschetste alternatieve scenario onaannemelijk acht. Dat scenario komt er op neer dat hij, zoals hij volgens eigen zeggen iedere dag deed, na zijn werk naar de shoarmazaak is gegaan en zich daar heeft gesneden toen hij zelf vlees afsneed waarna hij met servetten die onder de kassa lagen het bloed van zijn hand(en) heeft verwijderd.

Op basis van de wettige bewijsmiddelen acht het hof zich er van overtuigd dat de verdachte zich rond 6:30 uur, nadat [getuige 1] de zaak had verlaten, nog samen met het slachtoffer in de shoarmazaak bevond. Getuige [getuige 1] had de zaak toen al schoongemaakt. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de shoarma-apparatuur ten tijde van het aantreffen van het slachtoffer was uitgeschakeld, dat de bar was schoongemaakt en er geen vlees maar aanwezig was.

Wanneer het alternatief scenario wordt gerelateerd aan de bewijsmiddelen, zou dat alternatief scenario moeten betekenen dat tussen het moment dat [getuige 1] de zaak verliet, om ongeveer 6:30 uur en het tijdstip waarop getuige [getuige 2] iets zag liggen op de vloer van de verkoop-/wachtruimte, zijnde ongeveer 6:55 uur, verdachte nog shoarma zou hebben gesneden, dat zou hebben schoongemaakt en daarbij zijn bloedsporen niet zou hebben opgeruimd. Vervolgens zou verdachte de shoarmazaak hebben moeten verlaten waarna een ander binnen het genoemde tijdsbestek het slachtoffer van het leven zou hebben moeten beroofd. Het hof acht dat niet aannemelijk temeer er geen enkele aanwijzing is dat verdachte ten tijde van het incident een bekende was in de shoarmazaak. Daarbij komt dat het alternatieve scenario geen verklaring biedt voor het aangetroffen DNA van verdachte in het nagelvuil van het slachtoffer en in een lade onder de kassa.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op of omstreeks 09 november 1999 te Utrecht, in elk geval in het arrondissement Utrecht, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (of meer) mes(sen), althans met een (of meer) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte op 9 november 1999 het slachtoffer op brute en buitensporig gewelddadige wijze met 29 steken om het leven heeft gebracht.

De gewelddadige doodslag op het slachtoffer heeft een schok in de lokale samenleving teweeg gebracht en heeft bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen van een toen 36-jarige man, maar zijn handelen heeft tevens het leven van de naaste familieleden getekend.

Op een misdaad als deze kan niet anders worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf. Het hof zal enerzijds rekening houden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd in de periode hier in geding, maar anderzijds ook met de omstandigheid dat de nabestaanden bijna vijftien jaar in onzekerheid hebben moeten leven over de toedracht van het overlijden van het slachtoffer.

De rechtbank zal bij de beoordeling van een zaak en de oplegging van een straf rekening houden met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd in de periode hier in geding, maar anderzijds ook met de omstandigheid dat de nabestaanden bijna vijftien jaar in onzekerheid hebben moeten leven over de toedracht van het overlijden van het slachtoffer.

Het hof komt gelet op de vrijspraak terzake het gekwalificeerde karakter van de doodslag tot een lagere straf dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft geëist. Gelet op de gewelddadige wijze waarop de doodslag is gepleegd, acht het hof echter niet meer dan een jaar matiging op zijn plaats en zal verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.740,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet meer opnieuw gesteld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter grootte van het door de rechtbank toegewezen bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag ook zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr M. Keppels en mr F.W.J. den Ottolander, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 22 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Den Ottolander is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 22 september 2014.

Tegenwoordig:

mr M. Otte, voorzitter,

mr I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr R. Robroek, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.